Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BH4411

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-03-2009
Datum publicatie
02-03-2009
Zaaknummer
22-004036-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met een mededader schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een drietal meisjes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004036-08

Parketnummers: 09-757020-08 en 09-925489-08

Datum uitspraak: 2 maart 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 juli 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te \ op \ 1982,

adres: \ .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 16 februari 2009.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen, zoals op de terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd.

Van de dagvaardingen en van de vorderingen wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Het hof heeft de feiten die in deze dagvaardingen zijn opgenomen van een doorlopende nummering voorzien.

Het zal die nummering in dit arrest aanhouden.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2, 3 en 6 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 4 en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist over de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij en het inbeslaggenomene als in het vonnis vermeld.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraken van het onder 2, 3 en 6 tenlastegelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel, dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis, waarvan beroep, met overneming van gronden behoort te worden bevestigd, behalve voor wat betreft de beslissingen betreffende de vordering van de benadeelde partij, de opgelegde straf, de motivering daarvan en de toepasselijke wettelijke voorschriften.

Het vonnis, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, moet op die onderdelen worden vernietigd en in zoverre moet opnieuw worden rechtgedaan.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep -voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen- zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 4 en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met een mededader schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een drietal meisjes. De verdachte heeft daarbij, gebruikmakend van zijn uit de leeftijdsverschillen voortvloeiende overwicht, ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en emotionele integriteit van de slachtoffers. De verdachte heeft kennelijk de bevrediging van zijn lustgevoelens laten prevaleren boven de lichamelijke integriteit van de meisjes.

De in hoger beroep opnieuw aangevoerde stelling van verdachte dat de slachtoffers tegenover hem hebben gelogen over hun leeftijd en dat de seksuele contacten op vrijwillige basis hebben plaatsgevonden, doet naar het oordeel van het hof niet af aan de ernst van de feiten en het verwijtbare karakter van de handelwijze van de verdachte. Juist omdat (eerste) seksuele ervaringen zonder gevoelsband aan meisjes in de puberteit psychisch grote schade kunnen berokkenen had de verdachte zich van hun leeftijd moeten vergewissen in plaats van maar aan de gang te gaan. De verdachte heeft naar het oordeel van het hof geen blijk gegeven van inzicht in de schadelijke gevolgen die de slachtoffers ten gevolge van zijn handelen ondervinden of zouden kunnen ondervinden. Algemeen bekend is dat slachtoffers van dit soort delicten vaak nog lang ernstige psychische gevolgen ondervinden van hetgeen hun is overkomen.

Het hof is - alles overwegende en gelet op de generale en speciale preventie - van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft X zich als wettelijke vertegenwoordiger van Y als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van EUR 2.000,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag EUR 2.000,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van EUR 1.000,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot dat bedrag.

Voorts heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof is evenwel aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van EUR 1.000,-, met proceskosten.

Voor het overige acht het hof de vordering van de benadeelde partij terzake van de geleden immateriële schade niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces.

De benadeelde partij is hierom voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van de geleden immateriële schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van EUR 1.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57 en 245 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, ten aanzien van de opgelegde straf, de motivering daarvan, de toepasselijke wettelijke voorschriften en de beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 (achtentwintig) maanden.

Bepaalt, dat een op 12 (twaalf) maanden bepaald gedeelte van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Doet de veroordeling steunen op de hierboven vermelde wettelijke voorschriften.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij tot een bedrag van

EUR 1.000,00 (duizend euro)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met de vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, van een bedrag van

EUR 1.000,00 (duizend euro)

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen,

met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis deze betalingsverplichting niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep, voorzover aan het oordeel van het hof, voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mr. S.C.H. Koning,

mr. W.P.C.M. Bruinsma en mr. S.A.J. van 't Hul,

in bijzijn van de griffier mr. C.B. Jans.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 maart 2009.