Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BH4337

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
02-03-2009
Zaaknummer
105.012.674.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nalatenschap, gemeenschap en verknochtheid van een vordering. Geldvordering en verjaring.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2010/3 met annotatie van B.E. Reinhartz
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 28 januari 2009

Zaaknummer. : 105.012.674.01

Rekestnummer Rb. : VZ VERZ 06-1668

1. [verzoeker sub 1],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: verzoeker sub 1,

en

2. [verzoekster sub 2],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: verzoekster sub 2,

verzoekers in hoger beroep,

hierna gezamenlijk te noemen: verzoekers,

advocaat mr. G.J. Burgert,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: verweerder,

advocaat mr. S.E. van der Meer.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Verzoekers zijn op 5 februari 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 6 november 2007 van de rechtbank Rotterdam.

Verweerder heeft op 23 april 2008 een verweerschrift ingediend.

Op 12 december 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: verzoekers, bijgestaan door hun advocaat, en verweerder, bijgestaan door zijn advocaat. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikking van 9 augustus 2006 van de rechtbank Rotterdam, sector kanton. In de bestreden beschikking is beslist dat de schadevergoeding van het Asbestinstituut op bijzondere wijze is verknocht aan de erflater en dus geen deel uitmaakt van de huwelijksgoederengemeenschap. Voorts is beslist dat alle vorderingen van de erflater op verweerder uit hoofde van geldleningen al tijdens het leven van erflater zijn verjaard en dus geen deel uitmaken van de nalatenschap.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de verknochtheid van de aanspraak op schade vergoeding van erflater op het Instituut Asbestslachtoffers – via [maatschappij] –, welke aanspraak op schade vergoeding definitief is geworden na het overlijden van erflater. De rechtsvraag die beantwoord dient te worden is, of de betaling van de schadevergoeding behoort tot het privé vermogen van erflater of tot de voormalige huwelijksgoederengemeenschap waarin erflater was gehuwd.

Voorts is in geschil de verjaring van de geldleningen door de erflater aan verweerder en de vraag of de hieruit voortvloeiende vorderingsrechten deel uitmaken van de nalatenschap van erflater. Tot slot is aan de orde de vraag het verzoek tot het verstrekken van rekeningafschriften van [*] aan verzoekers.

2. Verzoekers verzoeken de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van verzoeker sub 1 en verweerder (beide zoons van de erflater) op verzoekster sub 2 vast te stellen op de bedragen als door verzoekers berekend, althans op bedragen die het hof in goede justitie zal vaststellen, met veroordeling van verweerder in de kosten van beide instanties.

3. Verweerder bestrijdt het beroep en verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, verzoekers niet-ontvankelijk te verklaren in hun hoger beroep, althans het door hun verzochte te ontzeggen. Voorts verzoekt verweerder het incidentele verzoek af te wijzen en verzoekers te veroordelen in de kosten van het geding, daaronder begrepen een bedrag voor het salaris van de advocaat van verweerder.

Verknochtheid

4. De kern van de eerste grief is dat de schadevergoeding van [maatschappij] aan de erflater niet op bijzondere wijze aan de erflater is verknocht en dat de uitkering derhalve wel degelijk deel uitmaakt van de door het overlijden van de erflater ontbonden goederengemeenschap waarin hij met verzoekster sub 2 was gehuwd.

5. Verweerder stelt dat de schade-uitkering verknocht is en betwist dat er sprake is van een dusdanige lotsverbondenheid dat de bijzondere verknochtheid in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Volgens verweerder is er aanleiding om het arrest van de Hoge Raad van 24 oktober 1997 onverkort toe te passen, ook al is het huwelijk door overlijden ontbonden.

6. Het hof oordeelt als volgt. Het antwoord op de vraag of en zo ja, in hoeverre, de verknochtheid zich ertegen verzet dat een goed in de huwelijksgoederengemeenschap valt, hangt af van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. Het hof overweegt dat de aanspraak van erflater op de schadevergoeding voor wat betreft het immateriële gedeelte naar zijn aard uitsluitend is afgestemd op de aan de persoon van de erflater verbonden nadelige gevolgen, hetgeen tot gevolg heeft dat de immateriële schadevergoeding op bijzondere wijze aan de erflater is verbonden en dat deze naar de daaraan in de maatschappelijke opvattingen toe te kennen aard in elk geval in zoverre aan de erflater is verknocht dat deze op grond van artikel 1:93 lid 3 Burgerlijk Wetboek niet in de gemeenschap valt. Een aanspraak op schadevergoeding is een vermogensrecht in de zin van artikel 3:1 BW. Goederen die geacht moeten worden in de plaats van een gemeenschappelijk goed te treden behoren tot de gemeenschap. In het onderhavige geval behoorde de aanspraak op de immateriële schadevergoeding niet tot de voormalige huwelijksgoederengemeenschap. Het goed dat na de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap daarvoor in de plaats is getreden – zijnde de uitkering – kan niet tot de voormalige huwelijksgoederengemeenschap gaan behoren aangezien deze gemeenschap reeds door het overlijden van erflater was ontbonden en daarmee de zuigkracht van de huwelijksgoederengemeenschap was komen te vervallen. De uitkering van erflater op de immateriële schadevergoeding behoort derhalve tot zijn privévermogen.

7. Ter zitting hebben verzoekers nader verklaard dat na het overlijden van de erflater een bedrag van in totaal € 53.597,- is uitgekeerd, waarvan een bedrag van € 48.235,- als immateriële schadevergoeding is gekwalificeerd en een bedrag van € 5.362,- als materiële schadevergoeding, hetgeen ook blijkt uit de overgelegde brief van het Instituut Asbestslachtoffers van 24 juli 2006. Omdat de Sociale Verzekeringsbank aan de erflater een voorschot had betaald, hebben de assuradeuren een bedrag van € 16.376,- rechtstreeks betaald aan de Sociale Verzekeringsbank. Het resterende bedrag van € 37.221,- is gestort door bijschrijving op de rekening van een notaris.

8. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot het oordeel dat de aanspraak op immateriële schadevergoeding ten bedrage van € 48.235,- als bijzonder verknocht aan de erflater niet in de huwelijksgoederengemeenschap valt. De aanspraak op materiële schadevergoeding ten bedrage van € 5.362,- valt daarentegen wel in de huwelijksgoederengemeenschap. Voorts behoort de uitkering tot immateriële schadevergoeding van € 48.235,- tot het privévermogen van erflater. Dat een en ander via bevoorschotting is afgewikkeld doet naar het oordeel van het hof aan het vorenstaande niet af.

Verjaring

9. Verzoekers hebben in grief 2 gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat alle vorderingen van de erflater op verweerder al tijdens het leven van de erflater verjaard zijn.

10. Verweerder stelt dat de rechtsvordering ten aanzien van de geldleningen verjaard is.

11. Het hof oordeelt als volgt. Verzoekers hebben gesteld dat verweerder nog een bedrag van in totaal ƒ 56.000,- dient terug te betalen aan de boedel. Ten aanzien van een bedrag van ƒ 10.000,- erkent verweerder dat hij dit bedrag van de erflater heeft geleend. In een oud testament van 24 juni 1994 heeft de erflater opgenomen dat deze schuld in mindering op het erfdeel van verweerder moet worden gebracht. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij die schuld heeft afgelost, hetgeen volgens hem blijkt uit het feit dat het oude testament bij wilsbeschikking van 12 december 1995 door de erflater is herroepen en de schuld van ƒ 10.000,- in het nieuwe testament niet meer aan de orde komt.

12. Voor wat betreft de door verzoekers gestelde geldvordering van ƒ 46.000,- oordeelt het hof op dezelfde gronden als de rechtbank – die het hof tot de zijne maakt – dat de rechtsvordering ten aanzien van dit bedrag is verjaard. Ten aanzien van de geldlening van ƒ 10.000,- oordeelt het hof dat verweerder niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij dat bedrag aan de erflater eind 1994 heeft terugbetaald. Het enkele feit dat deze lening niet meer is genoemd in het nieuwe testament van de erflater acht het hof niet voldoende om daarover anders te oordelen. Verweerder heeft voorts ook geen bewijsaanbod van de door hem gestelde terugbetaling gedaan, zodat het hof van oordeel is dat deze geldlening nog steeds bestaat en het recht om betaling te vorderen niet is verjaard.

13. Uit het petitum van het beroepschrift van verzoekers volgt dat zij het hof verzoeken de vordering van verzoekster sub 2 op verweerder vast te stellen. Uit punt 4.24 van de bestreden beschikking volgt dat er tussen partijen nog een geschil is terzake de omvang en de waarde van de inboedel waarin de erflater mede gerechtigd was. Nu het geschil tussen partijen in volle omvang aan het hof voorligt, dient in de berekening van de vordering eveneens te worden betrokken de waarde van de inboedel. Het hof acht het, teneinde een foutieve (her)berekening te voorkomen, wenselijk dat verzoekers een gecorrigeerde staat van beschrijving en berekening in het geding brengen, met inachtneming van hetgeen het hof hiervoor reeds heeft overwogen. Het hof zal hiertoe de zaak voor verdere behandeling pro forma aanhouden, op de wijze als hierna is bepaald. Voorts acht het hof het noodzakelijk dat de boedelbeschrijving tijdens een comparitie van partijen nader wordt besproken. Het hof zal tevens een comparitie van partijen bepalen tot het verstrekken van nadere inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling. De comparitie wordt gehouden ten overstaan van een raadsheer-commissaris.

14. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, behoeft de derde grief geen bespreking meer, nu verzoekers geen belang meer hebben bij die grief.

15. Voor wat betreft de door verzoekers verzochte veroordeling van de verweerder in de kosten van beide instanties, ziet het hof daartoe geen aanleiding, nu er sprake is van familierechtelijke verhoudingen.

16. Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

gelast ten overstaan van de raadsheer mr. Kamminga een comparitie van partijen tot het verstrekken van nadere inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling;

bepaalt dat partijen en hun raadslieden binnen vier weken na heden hun verhinderdata opgeven voor de maanden februari, maart en april 2009;

bepaalt dat verzoekers uiterlijk twee weken voor de te houden comparitie van partijen een gecorrigeerde staat van beschrijving en berekening aan het hof doen toekomen, met inachtneming van hetgeen in deze beschikking onder rechtsoverwegingen 12 en 13 is overwogen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Kamminga en Mertens-de Jong, bijgestaan door mr. Vermaas-Koetsier als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2009.