Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BH4136

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-02-2009
Datum publicatie
26-02-2009
Zaaknummer
200.017.094/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 29 lid 3 WJZ; machtiging tot opneming van de minderjarige in een accomodatie. Status van de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 4 februari 2009

Zaaknummer : 200.017.094/01

Rekestnr. rechtbank : J2 RK 08-70

[De minderjarige],

wonende te [woonplaats], laatstelijk feitelijk verblijvende in [naam instelling] te [naam verblijfplaats], thans zonder bekende feitelijke verblijfplaats,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de minderjarige,

advocaat mr. C.M. Koole,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

kantoorhoudende te Rotterdam,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[De moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De minderjarige is op 29 oktober 2008 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 26 augustus 2008 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

Jeugdzorg heeft op 23 december 2008 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de Jeugdzorg zijn bij het hof op 9 januari 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de minderjarige zijn bij het hof op 14 januari 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Op 9 januari 2009 heeft dit hof ingevolge artikel 29f lid 2 Wet op de Jeugdzorg (hierna WJZ) de toevoeging aan de minderjarige gelast van mr. C.M. Koole, advocaat te Goes.

Op 9 januari 2009 heeft Jeugdzorg het hof telefonisch medegedeeld dat de minderjarige tijdens zijn verlof op 25 december 2008 is ontsnapt.

De Raad voor de Kinderbescherming, Regio Rotterdam-Rijnmond, hierna de Raad, heeft het hof bij brief van 11 december 2008 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 15 januari 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de advocaat van de minderjarige, en namens Jeugdzorg: de heer A. Belhadj, gezinsvoogd, en mevrouw I. van Golen, teammanager. De minderjarige en de belanghebbende mevrouw Fransinet zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is, uitvoerbaar bij voorraad, de duur van de machtiging om de minderjarige in gesloten jeugdzorg te doen verblijven met ingang van 28 augustus 2008 verlengd tot 9 februari 2009.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de verlening van de machtiging om de minderjarige [naam minderjarige], geboren [in] 1991 te Curaçao, in gesloten jeugdzorg te doen verblijven van 28 augustus 2008 tot 9 februari 2009.

2. De minderjarige verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, en (het hof begrijpt: opnieuw beschikkende) alsnog, uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek tot machtiging van 28 augustus 2008 tot 9 februari 2009 van Jeugdzorg af te wijzen, dan wel een andere beschikking te geven die het hof juist acht.

3. Jeugdzorg voert verweer en verzoekt het hof het verzoek in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. De minderjarige stelt zich op het standpunt dat - kort weergegeven - de gesloten uithuisplaatsing een te zwaar middel is, enerzijds omdat zijn gedragsproblematiek zodanig verminderd is dat geen sprake meer is van zeer ernstige gedragsproblematiek en voor zover hij nog behandeling nodig zou hebben, dit binnen het kader van de gesloten jeugdzorg niet geboden kan worden, zodat de ernst van zijn problematiek plaatsing in gesloten jeugdzorg niet rechtvaardigt en anderzijds omdat dit zijn ontwikkeling in de weg staat op het gebied van onderwijs. Ten slotte is de minderjarige van mening dat hij zich niet onttrekt aan noodzakelijke zorg, maar aan het gesloten karakter waarin men hem zorg aanbiedt.

5. Jeugdzorg heeft het standpunt van de minderjarige gemotiveerd weersproken.

6. Het hof overweegt als volgt. Zoals het hof reeds in zijn beschikking van 6 augustus 2008 (LJN: BE 9979) vooropstelde, kan ingevolge artikel 29b lid 3 WJZ een machtiging tot opneming van een jeugdige in een accommodatie, ongeacht zijn instemming daarmee (hierna ook: gesloten jeugdzorg), slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken, de betrokken stichting heeft verklaard dat een geval als bedoeld in het derde lid zich voordoet en met die verklaring is ingestemd door een bij de Regeling aanwijzing gedragswetenschappers gesloten jeugdzorg aangewezen gedragswetenschapper die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht.

7. Blijkens de Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer bij het voorstel tot invoering van deze wettelijke bepalingen (EK 2007-2008, 30644, D van 13 november 2007, mede in verband met de nadere uitleg van de daarin gebezigde terminologie bij de brief van de minister voor Jeugd en Gezin aan de Tweede Kamer van 27 februari 2008, TK 2007-2008, 30644, nr. 27), waarborgt de instemming van een gedragswetenschapper dat wordt vastgesteld dat de beperking van de vrijheid nodig is in verband met de opvoeding en opent zij aldus de mogelijkheid tot rechterlijke toetsing zonder welke aan de door het EVRM aan vrijheidsontneming gestelde eisen niet is voldaan. Op grond van een en ander concludeert het hof dat de vereiste instemming van een gedragswetenschapper is te rekenen tot de waarborgen waarmee vrijheidsontneming in de vorm van opneming in gesloten jeugdzorg is omgeven en is het op grond daarvan van oordeel dat deze bepaling strikt moet worden toegepast.

8. In de onderhavige zaak heeft Jeugdzorg op 11 januari 2008 een inleidend verzoekschrift ingediend, onder meer strekkende tot verlening van een machtiging uithuisplaatsing van de minderjarige in een justitiële jeugdinrichting. Na toetsing van dit verzoek aan het criterium van artikel 29b lid 3 WJZ, heeft de kinderrechter bij beschikking van 28 februari 2008 een machtiging verleend tot plaatsing van de minderjarige in gesloten jeugdzorg tot 9 augustus 2008 en de behandeling van de zaak voor het overige aangehouden tot 1 juli 2008 pro forma. Bij de bestreden beschikking is bij wijze van beslissing op voormeld verzoek voor zover het de periode 28 augustus 2008 tot 9 februari 2009 betreft, de verzochte machtiging tot plaatsing in gesloten jeugdzorg verleend. Blijkens de in zoverre niet bestreden inhoud van deze beschikking is daarbij een op 11 augustus 2008 ter griffie van de rechtbank ingekomen ‘instemmende verklaring van een gedragswetenschapper zoals bedoeld in de Wet op de Jeugdzorg’ in overweging genomen.

9. Bij de stukken bevindt zich een op 11 augustus 2008 gedateerde verklaring, getiteld: “Instemmingsverklaring met plaatsing in gesloten setting” van [naam gedragsdeskundige], als gezondheidszorgpsycholoog ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, blijkens welke deze de minderjarige op 11 augustus 2008 heeft onderzocht en inhoudende:

“Ik verklaar dat ik de jeugdige heb onderzocht en stem in dat het geval zich voordoet als in het 3e lid van artikel 29b WJZ. Er is sprake van ernstige opvoeding- en ontwikkelingsproblemen die de ontwikkeling naar de volwassenheid ernstig belemmeren. Naar mijn mening is het daarom noodzakelijk dat deze jeugdige in een gesloten jeugdzorginstelling wordt geplaatst, om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken”.

Partijen zijn het erover eens dat deze verklaring de instemmende verklaring is die aan de kinderrechter is overgelegd, zodat het hof daar ook van uit gaat.

10. Het hof stelt allereerst vast dat uit de in zoverre niet bestreden inhoud van deze verklaring blijkt dat [naam gedragsdeskundige] op grond van artikel 1, aanhef en onder het derde gedachtestreepje van de Regeling aanwijzing gedragswetenschappers gesloten jeugdzorg is aan te merken als gedragswetenschapper in de zin van artikel 29b, vijfde lid van de WJZ, alsmede dat deze de minderjarige kort tevoren met het oog op deze verklaring heeft onderzocht. Het hof stelt echter ook vast dat deze verklaring van de gedragswetenschapper geen instemming inhoudt met een verklaring van Jeugdzorg dat zich een geval als bedoeld in artikel 29b, derde lid, van de Wet op de Jeugdzorg voordoet. De gedragswetenschapper verklaart immers in te stemmen dat het in die bepaling bedoelde geval zich voordoet maar verklaart niet in te stemmen met een verklaring van Jeugdzorg dat zich een dergelijk geval voordoet. Reeds om deze reden voldoet de overgelegde verklaring van de gedragswetenschapper aan het voorschrift artikel 29b, vijfde lid, van de WJZ niet.

11. Ook aan de strekking van dit voorschrift wordt niet voldaan, nu deze verklaring iedere argumentatie met controleerbare en verifieerbare feiten en omstandigheden ontbeert, de gedragswetenschapper zich daarin beperkt tot het presenteren van zijn mening door middel van herformulering van de wettelijke terminologie en zodoende de met dit voorschrift beoogde rechterlijke toetsing van de voorgenomen vrijheidsontneming onmogelijk maakt. Dat de gedragswetenschapper over de vereiste deskundigheid beschikt doet hieraan niet af, omdat het derde lid van meerbedoeld artikel 29b WJZ duidelijk maakt dat de ter voldoening aan het EVRM in de wet opgenomen rechterlijke toetsing vergt dat de kinderrechter zelf tot het oordeel komt dat aan het wettelijk criterium is voldaan.

12. De grieven van de minderjarige treffen dan ook doel, zodat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst af het verzoek van Jeugdzorg tot verlening van een machtiging tot gesloten jeugdzorg ten aanzien van de minderjarige met ingang van 28 augustus 2008;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Bouritius, van Nievelt en Kamminga, bijgestaan door mr. Buiting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2009.