Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BH3778

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-01-2009
Datum publicatie
25-02-2009
Zaaknummer
200.016.831/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep alsnog toewijzing van een machtiging tot uithuisplaatsing. Onderzoeksbelang en een ouder die onvoldoende structuur biedt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 7 januari 2009

Zaaknummer : 200.016.831/01

Rekestnr. rechtbank : JE RK 08-1617

De raad voor de kinderbescherming,

vestiging ‘s-Gravenhage,

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.C. Kwakkelstein-Doornbos.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [de vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader

2. de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,

gevestigd te Naaldwijk,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

3. de Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming,

gevestigd te Dordrecht,

hierna te noemen: de SGJ.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De Raad is op 10 oktober 2008 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 23 september 2008 van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage.

De moeder heeft op 14 november 2008 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel, ingediend.

Van de zijde van de raad zijn bij het hof op 12 november 2008 en 18 november 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de moeder zijn op 17 november 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Op 19 november 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader en de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Namens de raad zijn verschenen: de heer [V], mevrouw [B] en mevrouw [B]. Namens de SGJ is verschenen: mevrouw [P]. Jeugdzorg is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd. De [kind 1] heeft schriftelijk haar mening ten aanzien van de uithuisplaatsing en ondertoezichtstelling kenbaar gemaakt.

Van de zijde van de moeder is bij het hof op 21 november 2008 een brief met bijlagen ingekomen. Gelet op het tijdstip van toezenden, na de zitting, heeft het hof deze brief met bijlagen buiten beschouwing gelaten.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit¬ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen partijen het volgende vast.

De vader en de moeder hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over de minderjarigen:

[kind 1], geboren [in] 1993 te [geboorteplaats] en;

[kind 2], geboren [in] 1997 te [geboorteplaats];

gezamenlijk hierna verder: de kinderen. Zij verblijven momenteel bij de moeder.

Op 1 juli 2008 heeft de raad de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage verzocht om de kinderen onder toezicht te stellen en hem te machtigen de kinderen uit huis te plaatsen in een voorziening voor crisisopvang.

Bij beschikking van 8 juli 2008 van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage zijn - uitvoerbaar bij voorraad - de kinderen van 9 juli 2008 tot 1 oktober 2008 voorlopig onder toezicht van de Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming (hierna: SGJ), uitvoerend namens Jeugdzorg, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg. Voorts is de SGJ, uitvoerend namens Jeugdzorg, gemachtigd de kinderen gedurende dag en nacht uithuis te plaatsen in een voorziening voor crisisopvang van 9 juli 2008 tot 1 oktober 2008, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling. Voor het overige is de behandeling van de zaak aangehouden.

Voorts heeft de moeder bij kort geding de onmiddellijke schorsing van de uithuisplaatsing en de terugkeer van de kinderen naar haar gevorderd. Bij vonnis van 14 augustus 2008 van de voorzieningenrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage is de vordering van de moeder afgewezen.

Bij de bestreden beschikking zijn - uitvoerbaar bij voorraad - de kinderen van 1 oktober 2008 tot 1 juli 2009 ondertoezicht van Jeugdzorg gesteld, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg. De uitvoering van de maatregel tot ondertoezichtstelling is opgedragen aan de SGJ. Voorts is het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing gedurende dag en nacht van de kinderen afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de toewijzing van de ondertoezichtstelling en de afwijzing van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen.

2. De raad verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen (het hof begrijpt:) voor zover het betreft de afwijzing van het verzoek tot machtiging van de kinderen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen en, in zoverre opnieuw beschikkende, te bepalen de SGJ namens Jeugdzorg te machtigen de kinderen uithuis te plaatsen in een 24-uurs accommodatie voor de duur van zes maanden.

3. De moeder bestrijdt het beroep en verzoekt in incidenteel appel de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin is bepaald dat de kinderen onder toezicht worden gesteld tot 1 juli 2009 (het hof begrijpt:) en, in zoverre opnieuw beschikkende, het verzoek tot ondertoezichtstelling van de kinderen alsnog af te wijzen.

4. De raad is van mening dat de kinderrechter ten onrechte het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing van de kinderen heeft afgewezen op de grond dat de moeder ter terechtzitting haar medewerking aan de onderzoeken ten behoeve van de kinderen heeft toegezegd. De betrokkenheid van de moeder heeft geleid tot een fixatie op het welzijn van de kinderen en overbezorgdheid. Verder psychodiagnostisch onderzoek en een onafhankelijk medisch onderzoek bij de kinderen is noodzakelijk. De moeder heeft weliswaar haar medewerking vanuit de thuissituatie toegezegd, maar de raad is van mening dat de uitkomst van de onderzoeken onvoldoende betrouwbaar en objectief zijn zolang de kinderen gedurende de onderzoeken niet uit de invloedsfeer van de moeder worden gehaald. Op grond van het voorgaande is de raad dan ook van mening dat de gronden voor uithuisplaatsing van de kinderen nog aanwezig zijn.

5. De moeder stelt zich in principaal appel op het standpunt dat de kinderrechter juist heeft beslist zoals hij heeft gedaan. Zij betwist dat zij de uitkomst van de onderzoeken beïnvloedt en dat de onderzoeken derhalve niet in de thuissituatie kunnen plaatsvinden. De kinderen zijn door de uithuisplaatsing dermate getraumatiseerd, dat een volgende uithuisplaatsing hun ontwikkeling juist meer zou schaden en de door de raad gewenste onderzoeken beïnvloeden. Bovendien mag aangenomen worden, zo stelt de moeder, dat de onderzoekers van FORA in staat zijn mogelijke invloeden van buitenaf te herkennen en te elimineren in de resultaten van het onderzoek. Voorts betwist de moeder dat de kinderen niet ziek zijn geweest in de periode dat zij uithuis geplaatst waren. Ten slotte betwist de moeder de stelling van de raad dat zij onvoldoende medewerking heeft verleend. Op grond van het voorgaande is de moeder van mening dat de noodzaak tot een uithuisplaatsing van de kinderen niet aanwezig is.

6. In incidenteel appel stelt de moeder dat de kinderrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de gronden voor een ondertoezichtstelling aanwezig zijn. Het enkele feit dat de moeder overbezorgd lijkt te zijn, is onvoldoende grond om aan te nemen dat sprake is van een bedreiging in de geestelijke of lichamelijke belangen van de kinderen. De gezinsvoogden hebben geen toegevoegde waarde, nu er in de afgelopen maanden slechts twee fysieke contacten zijn geweest waardoor zijn geen inzicht hebben kunnen krijgen in het functioneren van het gezin. Zij is dan ook van mening dat het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van de kinderen alsnog dient te worden afgewezen, althans te worden beëindigd.

7. De raad heeft ter terechtzitting verklaard dat is gebleken dat de moeder niet wil meewerken met de hulpverlening omdat zij die niet noodzakelijk acht. Hierdoor is het niet mogelijk geweest daaraan inhoud te geven. Sinds 2004 is reeds gepoogd een hulpverleningstraject op gang te zetten, echter zonder resultaat. Het schoolverzuim van de kinderen en de problemen van de moeder baart de raad echter zorgen. De diagnose van de kinderen kan onder deze omstandigheden alleen gesteld worden als zij op neutraal terrein verblijven, gelet op hun loyaliteit aan de moeder.

8. De vader heeft ter terechtzitting verklaard zich te kunnen vinden in het besluit van de raad.

9. De SGJ heeft ter terechtzitting verklaard dat het gedurende de plaatsing van de kinderen in de crisisopvang en het logeerhuis beter met hen ging. Zij zijn in die periode nauwelijks naar de huisarts gegaan, er was niet de indruk dat zij ziek waren. [kind 2] is terug naar school gegaan, waar hij het naar zijn zin leek te hebben. Sinds de kinderen zijn teruggeplaatst bij de moeder is het oude patroon weer opgepakt. Er is wederom veel huisartsenbezoek en schoolverzuim. Daarnaast blijkt het lastiger te zijn om met de moeder tot afspraken te komen. Zij wil alles eerst met de kinderen overleggen, er zijn op haar verzoek afspraken afgezegd en zij wil van alles wijzigen. De houding van de moeder werkt stagnerend. De SGJ is van mening dat de ontwikkeling van [kind 2] en [kind 1] wordt bedreigd. Voor het overige sluit de SGJ zich aan bij het standpunt van de raad.

10. Het hof overweegt als volgt. Een ondertoezichtstelling in combinatie met een machtiging tot uithuisplaatsing kan slechts worden verleend, indien de gronden daarvoor, zoals vermeld in de artikelen 1:254 lid 1 en 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, aanwezig zijn. Het hof dient te onderzoeken of de kinderen bij het uitblijven van de verzochte machtiging en ondertoezichtstelling zodanig verder zullen opgroeien dat hun zedelijke of geestelijke belangen of hun gezondheid ernstig zullen worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging, naar is te voorzien, zullen falen. Tevens kan een machtiging tot uithuisplaatsing worden verleend, indien het hof dit in het kader van onderzoek van de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van de kinderen noodzakelijk acht.

11. Op grond van de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende gebleken. De kinderen hebben vanaf jonge leeftijd regelmatig huisartsen en specialisten bezocht en medische onderzoeken ondergaan vanwege gezondheidsklachten, zonder dat (duidelijke) diagnoses konden worden gesteld die duiden op somatisch lijden. Aanwijzingen van de moeder voor het chronisch vermoeidheidssyndroom, werden niet bevestigd. Als gevolg hiervan hebben de kinderen veel school verzuimd, hetgeen enerzijds hun cognitieve en anderzijds hun sociale en emotionele ontwikkeling bedreigt. In de periode van 1 juli 2008 tot 1 oktober 2008 zijn de kinderen als gevolg van deze ontwikkelingsbedreiging onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst in een crisisopvang en logeerhuis. Uit het raadsrapport van 16 september 2008 blijkt dat de kinderen in de periode van de uithuisplaatsing positief hebben gereageerd op de duidelijke regels en structuur die hen daar geboden werden. Daartegenover staat dat het oude patroon van ziekteverzuim en herhaald doktersbezoek met het daaraan gekoppelde schoolverzuim, sinds de thuisplaatsing van de kinderen, weer zichtbaar is.

12. Het hof is met de raad van oordeel dat een onderzoek van de geestelijke en lichamelijke gesteldheid van de kinderen buiten de invloedsfeer van de moeder dient plaats te vinden, nu andermaal ter terechtzitting is gebleken dat het door de raad bij FORA geïnitieerde onderzoek door de moeder is gefrustreerd en tot op heden geen diagnose is gesteld. Daarnaast is het hof van oordeel dat de moeder de kinderen onvoldoende structuur kan bieden en hen in onvoldoende mate stimuleert om naar school te gaan, hetgeen een bedreiging vormt voor hun fysieke, cognitieve, sociale en emotionele ontwikkeling. De samenwerking tussen de moeder en de hulpverlening blijkt bovendien zodanig moeizaam te verlopen, dat het hof het niet aannemelijk acht dat de bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen in samenwerking met de ambulante hulpverlening vanuit de thuissituatie kan worden afgewend. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de kinderen verder in hun geestelijke en lichamelijke ontwikkeling worden bedreigd, indien de verzochte ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen uitblijven. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook vernietigen voor zover het betreft de afwijzing van het inleidend verzoek van de raad tot machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen en dit verzoek alsnog toewijzen tot 1 juli 2009, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling. Het hof gaat er daarbij vanuit dat meergenoemd psycho-diagnostisch onderzoek binnen die termijn zal hebben plaatsgevonden.

13. Mitsdien dient als volgt te worden beslist.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het betreft de afwijzing van het verzoek tot machtiging de kinderen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

machtigt Jeugdzorg om de kinderen gedurende de periode van 7 januari 2009 tot 1 juli 2009 dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor crisisopvang, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, Mos-Verstraten en Van der Kuijl, bijgestaan door mr. Willems als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 januari 2009.