Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BH3751

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-02-2009
Datum publicatie
23-02-2009
Zaaknummer
22-000433-07 PO
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BO6123, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BO6123
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontneming. Het hof Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op EUR 35.950,- en legt aan de veroordeelde, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting op tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000433-07 PO

Parketnummer: 09-754113-01

Datum uitspraak: 23 februari 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 september 2006 in de ontnemingszaak tegen de veroordeelde:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

adres: [adres].

Procesgang

Bij arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van dit gerechtshof van 21 januari 2005 is de veroordeelde, voor zover hier van belang, onder meer ter zake van het in zijn strafzaak onder 1 en 11 bewezenverklaarde,

gekwalificeerd als:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod

en

Opzetheling,

veroordeeld tot straf.

De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij vonnis van 14 september 2006 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op EUR 211.697,11 en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 190.527,40.

Onderzoek van de zaak

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 15 september 2008 en 1 december 2008.

Vordering van het openbaar ministerie

De oorspronkelijke vordering van het openbaar ministerie hield in dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van in totaal EUR 448.175,36, ter ontneming van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel uit de in zijn strafzaak onder 1 en 11 bewezenverklaarde feiten en twee andere feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waaromtrent - naar het oordeel van het openbaar ministerie - voldoende aanwijzingen bestaan dat deze feiten door de veroordeelde is begaan.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep geconcludeerd tot vaststelling van het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 234.386,55 ("Amfetamine":

€ 7.496,45, "HSL": € 113.445,05 en [ripdeal]: € 113.445,05) en dat de veroordeelde wordt veroordeeld tot betaling aan de Staat van dit bedrag.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Beoordeling van de vordering

Naar het oordeel van het hof heeft de veroordeelde tot het hierna vermelde bedrag wederrechtelijk voordeel verkregen door middel van of uit baten van de in zijn strafzaak bewezenverklaarde feiten en uit andere strafbare feiten.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de veroordeelde vorenbedoeld voordeel heeft verkregen op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en ontleent aan de inhoud daarvan tevens de schatting van bedoeld voordeel.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

Onderzoeksverzoek van de veroordeelde

Het hof wijst het, voorwaardelijk gehandhaafde, verzoek van de verdediging om [persoon C] als getuige te horen af, omdat het de veroordeelde niet tot afdracht aan de Staat zal verplichten van voordeel waarbij [persoon C] zou zijn betrokken.

Bepaling van het te ontnemen voordeel

Met de advocaat-generaal en de verdediging ziet het hof geen goede grond om aan te nemen dat de veroordeelde voordeel heeft overgehouden uit een afpersing waarvan een zekere [persoon A] stelt dat die hem is overkomen. Zo blijven in hoger beroep nog drie voordelen in geschil waarvan het openbaar ministerie vordert dat deze aan de veroordeelde worden ontnomen.

Het eerste voordeel waarvan ontneming wordt gevorderd is het aandeel van de veroordeelde in een partij van 70.000 pillen amfetamine. De rechtbank heeft het aan de veroordeelde opgekomen voordeel hieruit geraamd op € 7.496,45, de veroordeelde stelt het op € 5.717,63. Weliswaar steunt de raming van de rechtbank op een uitlating van de veroordeelde, maar in dit geding beroept hij zich op een gedetailleerde berekening door een direct betrokkene, [persoon B] geheten, die deze vrij vroeg in het onderzoek aan de politie heeft voorgerekend. De stelling dat deze [persoon B] geloofwaardig is en geen reden had in zijn uitlatingen de waarheid ten gunste van de veroordeelde te verdraaien, is door het openbaar ministerie niet met kracht van argumenten bestreden. Het hof ziet hierin redenen om dit voordeel te schatten op afgerond € 5.700,-

Het tweede voordeel waarvan ontneming wordt gevorderd is een deel van de opbrengst van de "HSL-fraude".

Voor een deel, groot ƒ 609.446,93 dat in handen is gekomen van [B.V. Y], een besloten vennootschap van de veroordeelde, staat vast dat ING van de rechter een vonnis tot vergoeding heeft verkregen. Hierom laat het hof dit bedrag buiten beschouwing. Een bedrag van ƒ 303.832,53 is in handen gekomen van H&R. Hiervan is, naar het hof met de rechtbank aanneemt: ten gunste van de veroordeelde, ƒ 250.000,- door H&R overgemaakt aan [persoon C]. ING heeft van de rechter een vonnis tegen [persoon C] verkregen tot vergoeding van dit bedrag. Ook dit bedrag is dus uiteindelijk niet ten goede gekomen van de veroordeelde. Van het bij H&R gebleven bedrag van ƒ 53.832,53 betwist de veroordeelde dat het rechtstreeks of middellijk aan hem ten goede is gekomen. Hij stelt geen zeggenschap te hebben in H&R en geen vordering op H&R die hem hierop recht zou geven. Het openbaar ministerie heeft niet aannemelijk gemaakt waarom het dit voordeel toch aan de veroordeelde toerekent. Het hof zal dat hierom niet doen.

Het derde voordeel waarvan ontneming wordt gevorderd is het aandeel van de veroordeelde in een bedrag waarvan [persoon D] is beroofd. [persoon D] verklaart dat. Het openbaar ministerie heeft de veroordeelde terzake niet vervolgd. De veroordeelde heeft niet bestreden dat hij heeft meegewerkt aan strafbare ontfutseling van dit bedrag en daarvan een deel heeft opgestreken. Het hof acht dit op deze gronden aannemelijk.

Omstreden is de omvang van de buit en het aandeel van de veroordeelde daarin. De veroordeelde rept van ƒ 200.000,- en meent dat hogere bedragen, waarvan sprake is in verklaringen van anderen, terug te voeren kunnen zijn op een opslag voor incassopremie die in het uitzicht is gesteld aan iemand die aan de beroving zou willen meewerken. De rechtbank heeft de buit op ƒ 200.000,- geraamd. Het openbaar ministerie heeft in deze ontnemingszaak niet aannemelijk gemaakt dat het bedrag groter is geweest dan ƒ 200.000,-. Het hof gaat hierom uit van dit bedrag. De veroordeelde heeft op 2 maart 2005 zijn aandeel in deze buit gesteld op eenderde deel. Zijn raadsman heeft op 1 december 2008 naar deze verklaring verwezen. Daartegenover heeft het openbaar ministerie een groter aandeel van de veroordeelde in de buit niet aannemelijk gemaakt.

Namens de veroordeelde is gesteld dat [persoon D] van hem het aandeel in de buit terugvordert, maar noch de terugbetaling noch deze vordering zijn aannemelijk gemaakt, zodat het hof met deze stelling van hem geen rekening houdt.

Het hof zal het hieruit door de veroordeelde behaalde voordeel dan ook vaststellen op eenderde deel van ƒ 200.000,- = ƒ 66.666,-, zijnde afgerond € 30.250,-.

De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel komt aldus uit op € 5.700,- + € 30.250,- = € 35.950,-.

De veroordeelde moet op zijn leeftijd voldoende verdien-capaciteit hebben om dit bedrag in de loop der komende jaren aan de Staat te kunnen afdragen.

Het hof zal tevens de veroordeelde de verplichting opleggen het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat aan de Staat te betalen.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op EUR 35.950,- (vijfendertigduizend negenhonderdvijftig EURO).

Legt aan de veroordeelde, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van in totaal EUR 35.950,00 (vijfendertigduizend negenhonderdvijftig euro).

Dit arrest is gewezen door mr. S.C.H. Koning,

mr. W.P.C.M. Bruinsma en mr. J.W. Klein Wolterink, in bijzijn van de griffier mr. Y.H.G. van der Hut.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 februari 2009.

Mr. J.W. Klein Wolterink is buiten staat dit arrest te ondertekenen.