Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BH3624

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-01-2009
Datum publicatie
20-02-2009
Zaaknummer
22-006703-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze als medepleger schuldig gemaakt aan de invoer van een grote hoeveelheid cocaïne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer 22-006703-07

Parketnummer 10-750029-07

Datum uitspraak 27 januari 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 november 2007 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1939,

adres: [adres verdachte].

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 13 januari 2009.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

5. Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van het onder 2 aan de verdachte tenlastegelegde heeft de advocaat-generaal vrijspraak gevorderd. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de gevangenneming van de verdachte zal bevelen.

6. Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - behoort te worden vrijgesproken.

7. Door het hof op basis van de wettige bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden

Op vrijdag 22 december 2006 werd door de douane te Rotterdam in het kader van een fysieke controle een onderzoek verricht naar een zending verse groene bananen. Deze bananen waren eerder op de dag met het motorschip 'Southern Bay' vanuit Colombia Nederland binnengebracht en stonden gelost in een koelloods van Seabrex Rotterdam B.V.. Blijkens het cargo manifest was de zending bananen vanuit Colombia verscheept voor rekening van de afzender [naam bananenleverancier] en waren de bananen in Nederland bestemd voor de onderneming [bedrijfsnaam onderneming van medeverdachte 1].

Bij een door de douane nader ingesteld onderzoek van de in totaal 1410 dozen, werden 1373 pakjes gevonden met een brutogewicht van 181,85 kilogram.1 Uit een aantal pakketjes is vervolgens een monster genomen en deze monsters zijn voor onderzoek overgebracht naar het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI). Op 26 januari 2007 werd door het NFI vastgesteld dat alle voor onderzoek aangeboden monsters cocaïne bevatten.2

Naar aanleiding van het aantreffen van de cocaïne in de zending bananen, is een nader onderzoek ingesteld naar de ontvanger hiervan: [bedrijfsnaam onderneming van medeverdachte 1].3 Tijdens zijn eerste verhoor bij de politie heeft medeverdachte [medeverdachte 1] verklaard dat zijn vriendin [naam vriendin van medeverdachte 1] bij de Kamer van Koophandel weliswaar als bestuurder van de B.V. staat ingeschreven, maar dat het bedrijf zijn verantwoordelijkheid is.4 Uit de verklaring van de getuige [naam getuige], [functie getuige] bij Seabrex Rotterdam B.V., volgt dat [medeverdachte 1] de genoemde zending bananen in ontvangst zou nemen.5

7a. Verklaringen:

[Medeverdachte 1] heeft tijdens zijn derde verhoor bij de politie verklaard dat zijn schoonzoon [naam schoonzoon van medeverdachte 1] hem in de zomer van 2006 heeft gezegd dat 'men' iets met hem te bepraten had. Er werd een ontmoeting afgesproken in café [naam café] te Rotterdam. Bij deze eerste ontmoeting was naast [medeverdachte 1] en [schoonzoon van medeverdachte 1] alleen [verdachte] aanwezig (Hof: de verdachte; De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij [roepnaam verdachte] genoemd wordt).

Later zijn [voornaam medeverdachte 2] (hof: [achternaam medeverdachte 2]) en [voornaam medeverdachte 3] (hof: [achternaam medeverdachte 3]) erbij gekomen. In café [naam café] hebben diverse ontmoetingen en besprekingen plaatsgevonden. [Verdachte] gaf aan dat hij wist dat [medeverdachte 1] met bananen bezig was en zei dat er andere mensen waren die dit ook wilden gaan doen. [Medeverdachte 1] heeft hieromtrent gezegd: "Ik heb een hekel aan het woord cocaïne, maar daar ging het uiteindelijk wel om." [Verdachte] werd gevraagd om hulp om 'die andere mensen' in de gelegenheid te stellen cocaïne te smokkelen, hetgeen moest plaatsvinden met een zending bananen uit Colombia. Het werd [medeverdachte 1] hierbij al snel duidelijk dat [verdachte] met andere mensen [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [schoonzoon van medeverdachte 1] bedoelde.

[Verdachte] vertelde [medeverdachte 1] dat in Colombia een bananenleverancier genaamd [naam bananenleverancier] was gevonden die cocaïne in een zending bananen zou meesturen. Er zou eerst een aantal zendingen bananen uit Colombia komen waar niets 'mis' mee was, daarna zou er een zending cocaïne meekomen. [Medeverdachte 1] zou precies horen wanneer dat het geval zou zijn, omdat hij dan de mensen van [verdachte] in de gelegenheid moest stellen om de cocaïne uit de zending te verwijderen. De bananen werden op naam van het bedrijf van [medeverdachte 1], [bedrijfsnaam onderneming van medeverdachte 1], bij [naam bananenleverancier] gekocht en vervolgens ook op die naam naar Nederland geëxporteerd. Alle papieren moesten op naam van de B.V. van [medeverdachte 1] worden opgemaakt. Na aankomst in Nederland moest [medeverdachte 1] de bananen inklaren en mocht hij zelf een koper zoeken. De koper haalde de bananen zelf op bij de douane-expediteur. Pas wanneer er cocaïne met de bananen mee zou komen moest hij iets anders regelen voor de wegvoering van de bananen uit Rotterdam. De opbrengst van de verkoop van de bananen mocht hij in eigen zak steken. Alle kosten die verband hielden met de aankoop, zeevracht, inklaring, handling en dergelijke zou [verdachte] voor zijn rekening nemen. Wel verwachtte [verdachte] dat [medeverdachte 1] EUR 25.000,-- als voorschot inbracht om het gebeuren te kunnen opstarten. Dit bedrag zou hij na de eerste zending bananen terugkrijgen. Nadat [verdachte] en [medeverdachte 1] aldus tot overeenstemming waren gekomen, zei [verdachte] dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] de zaak verder met hem zouden regelen en uitvoeren.6 [Verdachte] is bij latere ontmoetingen waarbij over het gebeurde werd gesproken wel steeds aanwezig geweest.7 Tijdens zijn tweede verhoor bij de politie heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij deze mannen kent als [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. [Medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben hem ervan op de hoogte gesteld dat er met de zending van 22 december 2006 'handel' mee zou komen. [Medeverdachte 1] verklaart dat met het begrip handel cocaïne bedoeld zou zijn en dat hij weet dat uit Colombia grote massa's cocaïne onder andere ook naar Nederland worden gesmokkeld; als [medeverdachte 1] wordt verteld dat met bananen handel wordt gesmokkeld kan het in zijn beleving om niets anders gaan dan om cocaïne. [Medeverdachte 2] vertelde [medeverdachte 1] dat deze zending na inklaring niet direct door mocht naar de koper van de bananen en gaf hem het adres van een loods. [Medeverdachte 1] heeft vervolgens het vervoer van deze zending geregeld vanaf Seabrex Rotterdam B.V. naar deze loods.8 [Medeverdachte 1] heeft hieromtrent verklaard dat hij, omdat hij voor deze zending afwijkend transport moest regelen, wist dat er met deze zending cocaïne mee zou komen.9

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [medeverdachte 1] desgevraagd verklaard dat hij bij de politie naar waarheid heeft verklaard en dat hij bij deze verklaring blijft.

[Medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard dat naast hemzelf en [medeverdachte 3], ook [medeverdachte 1] zeker bij de cocaïnesmokkel met de bananen betrokken is. [Verdachte] is een paar keer bij besprekingen aanwezig geweest.10 Bij de politie heeft [medeverdachte 2] voorts verklaard dat hij [verdachte] kent uit zijn verleden. Volgens [medeverdachte 2] waren [verdachte] en [medeverdachte 1] altijd heel close met elkaar.11

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [medeverdachte 2] deze verklaring bevestigd. Hij heeft voorts verklaard dat hij niet weet of er in aanwezigheid van [verdachte] over bananen is gesproken, maar dat het over dekladingen ging of over koffie. Het woord cocaïne is niet gevallen, maar voor de goede verstaander zou het duidelijk kunnen zijn geweest waar het om ging: cocaïne.

[Medeverdachte 3] heeft bij de politie verklaard bekend te zijn met het bedrijf [bedrijfsnaam onderneming van medeverdachte 1] en met de eigenaar [medeverdachte 1]. Hij noemt hem [roepnaam medeverdachte 1]. [Verdachte] heeft hij vele jaren geleden leren kennen als de vader van zijn zoons [zoon 1] en [zoon 2]. Hij heeft [verdachte] de laatste tijd weer een paar keer gezien in verband met [medeverdachte 1]. [Medeverdachte 1] heeft hij ruim een half jaar geleden leren kennen. Dit was in een café in Rotterdam. [Medeverdachte 1] werd aan hem voorgesteld door [voornaam medeverdachte 2] (hof: [achternaam medeverdachte 2]). Met [medeverdachte 2] was hij op dat moment bezig om te bezien of zij samen wat handeltjes konden gaan doen om geld te verdienen. Ze zijn toen wat gaan rondhoren en [medeverdachte 2] kwam met [medeverdachte 1] op de proppen. Volgens [medeverdachte 3] heeft [medeverdachte 2] [medeverdachte 3] opgedaan via [verdachte]. De ontmoeting in café [naam café] met [medeverdachte 1] is door [verdachte] gearrangeerd. In het café hebben ongeveer twee ontmoetingen plaatsgevonden. Bij de eerste ontmoeting met [medeverdachte 1] was [verdachte] erbij en bij de tweede ontmoeting niet.12

Tijdens zijn tweede verhoor bij de politie is de verdachte gevraagd naar zijn relatie met [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [schoonzoon van medeverdachte 1]. Met uitzondering van [medeverdachte 3] verklaart hij alle personen te kennen. [Medeverdachte 1] noemt hij [roepnaam medeverdachte 1]. Het is echter geen gabber van hem en hij behoort ook niet tot zijn vriendenkring. De vraag hoe, wanneer en op welke wijze hij [medeverdachte 1] heeft leren kennen wil hij niet beantwoorden. Hij heeft hem een half jaar geleden, in 2006, voor het laatst gezien. Waar dat was zou hij niet meer weten. De onderneming [bedrijfsnaam onderneming van medeverdachte 1] kent hij niet. Dat deze onderneming aan [medeverdachte 1] toebehoort, hoort hij bij het verhoor voor het eerst. Hij weet niet wat [medeverdachte 1] voor de kost doet. [Medeverdachte 2], met wie hij niets van doen heeft, kent hij via diens vriendin [naam vriendin medeverdachte 2]. [Schoonzoon van medeverdachte 1] is zijn neef. De naam [naam medeverdachte 3] zegt hem niets en hij herkent hem ook niet bij een fotoconfrontatie.13

Tijdens zijn derde verhoor verklaart de verdachte, wanneer hij wordt geconfronteerd met de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen, dat hij [medeverdachte 1] nooit heeft gepolst om zijn medewerking te verlenen bij de smokkel van cocaïne in zendingen bananen uit Colombia. Verder verklaart de verdachte dat hij met [medeverdachte 1] nooit besprekingen heeft gevoerd in café [naam café], dat hij het café niet kent en niet zou weten waar het café zich bevindt. Er zouden ook geen besprekingen zijn gevoerd in aanwezigheid van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3].14

Wanneer de verdachte tijdens zijn vierde verhoor wordt geconfronteerd met diverse passages uit de verklaringen van de andere verdachten die haaks staan op datgene wat hij daarover heeft verklaard, beroept hij zich op zijn zwijgrecht.15

7b. Bewijsoverwegingen:

Verdachtes verklaring dat hij [medeverdachte 3] niet kent vindt haar weerlegging in het volgende:

- in de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij via [verdachte] in contact is gekomen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3];

- in de verklaring van [medeverdachte 2], waaruit valt af te leiden dat [verdachte] bij besprekingen aanwezig is geweest waar ook hijzelf en [medeverdachte 3] bij aanwezig waren, en;

- in de verklaring van [medeverdachte 3] zelf, die gedetailleerd heeft verklaard hoe hij [verdachte] heeft leren kennen, alsmede dat hij [verdachte] recent weer een paar keren heeft gezien, onder meer in café [naam café], welke ontmoeting gearrangeerd zou zijn door [verdachte].

De verklaring van de verdachte dat hij [medeverdachte 3] niet kent moet dan ook worden bestempeld als kennelijk leugenachtig en afgelegd met de bedoeling om de waarheid te bemantelen, zodat het hof deze opgave doet meewerken aan het bewijs voor het tenlastegelegde.

De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij aanvankelijk heeft ontkend [medeverdachte 3] te kennen omdat hij zodanig overrompeld was door de tegen hem geuite beschuldigingen, dat hij eerst met zijn raadsman wilde overleggen, acht het hof niet geloofwaardig en gaat daar dan ook aan voorbij.

Ook verdachtes verklaring dat hij met [medeverdachte 1] nooit besprekingen heeft gevoerd in café [naam café], dat hij het café niet kent en niet zou weten waar het zich bevindt, vindt naar het oordeel van het hof haar weerlegging in de verklaringen hieromtrent door de medeverdachten:

- [Medeverdachte 3] heeft immers verklaard dat de ontmoeting in café [naam café] met [medeverdachte 1] door [verdachte] was gearrangeerd, hetgeen overeenstemt met de verklaring van [medeverdachte 1];

- [Medeverdachte 2] heeft eveneens verklaard dat [verdachte] een aantal keren bij besprekingen aanwezig is geweest en dat deze besprekingen plaatsvonden in café [naam café].

De verklaring van de verdachte moet dan ook worden bestempeld als kennelijk leugenachtig en afgelegd met de bedoeling om de waarheid te bemantelen, zodat het hof deze opgave doet meewerken aan het bewijs voor het tenlastegelegde. Hieraan doet niet af de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij café [naam café], café [afwijkende naam café] noemt. De verdachte heeft dit eerst ter terechtzitting in hoger beroep verklaard. Bij de politie heeft hij zich, geconfronteerd met de voornoemde verklaring van [medeverdachte 3], beroepen op zijn zwijgrecht. Het hof acht die ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring daarom onaannemelijk.

7c. Bewijsverweer:

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen onbetrouwbaar zijn, alsmede dat zich ten aanzien van deze verklaringen geen steunbewijs in het dossier bevindt, zodat deze verklaring niet voor het bewijs kan worden gebezigd. Hij heeft geconcludeerd tot vrijspraak van de verdachte.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

[Medeverdachte 1] heeft bij de politie over de verdachte belastende en gedetailleerde verklaringen afgelegd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij bij de politie de waarheid heeft gesproken en bevestigd dat hij bij die verklaring blijft. Het hof heeft zich bij deze gelegenheid zelf een oordeel kunnen vormen omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1]. Het hof heeft er daarbij acht op geslagen dat [medeverdachte 1] zich in zijn verklaringen ook zelf in ernstige mate heeft belast. Voorts heeft het hof vastgesteld dat de verklaringen van [medeverdachte 1] mede worden ondersteund door de inhoud van andere bewijsmiddelen.

Uit het voorgaande volgt naar 's hofs oordeel genoegzaam de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1], zodat het verweer van de raadsman wordt verworpen.

7d. Oordeel van het hof

Het hof is alles afwegende van oordeel dat sprake is van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten dat voldoende en buiten gerede twijfel is komen vast te staan dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met de genoemde medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde. Het hof heeft daarbij voor de overtuiging laten meewegen dat de verdachte zich ter terechtzitting in hoger beroep, waar hij verklaarde er weleens bij te hebben gezeten en enthousiast bezig te zijn geweest met gewone handel, wel erg naïef voordoet ten aanzien van zijn rol bij de besprekingen en het daar gehanteerde verhullend taalgebruik terwijl hij feitelijk blijkens zijn documentatie geen onbekende is te noemen in het wereldje van de drugshandel.

8. Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 22 december 2006 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne met een bruto gewicht van ongeveer 180 kilogram, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, hebbende verdachte en verdachtes mededaders, die cocaïne vanuit Colombia naar Nederland laten transporteren.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

9. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

10. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

11. Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze als medepleger schuldig gemaakt aan de invoer van een grote hoeveelheid cocaïne. Het onderhavige delict draagt bij aan de handel in en het gebruik van cocaïne, waardoor de volksgezondheid ernstig wordt bedreigd en waardoor onder de gebruikers het plegen van vermogensdelicten wordt bevorderd, teneinde de voor het gebruik benodigde gelden te verkrijgen. Dit veroorzaakt veel schade en onrust in de samenleving. Daaraan is de verdachte opzettelijk voorbij gegaan.

Het hof is van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Het hof acht het voorts geboden de - ook afzonderlijk te minuteren - gevangenneming van de verdachte te gelasten. Het hof acht dat bevel gegrond op basis van het feit dat de verdachte in hoger beroep tot een vrijheidsbenemende straf wordt veroordeeld ter zake van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld. Uit genoemde overwegingen blijkt een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid, welke de onverwijlde vrijheidsbeneming vordert: er moet immers ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte een misdrijf zal begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld of waardoor de veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht.

12. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

13. BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

4 (vier) jaren en 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de gevangenneming van de verdachte, welk bevel apart is geminuteerd.

Dit arrest is gewezen door mr. M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, mr. R.C.A. Duindam en mr. M.J. Bax-Luhrman, in bijzijn van de griffier mr. S.N. Keuning.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 januari 2009.

1 Zie het proces-verbaal deel I "Onderzoek: Tarum, dossiernr. 39760" van het HARC-team Rotterdam, FIOD-ECD, Zeehavenpolitie, douane Rotterdam, d.d. 24 april 2007, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, p. 4-5 en het proces-verbaal van telling, weging, overbrengen en overdracht van de Douane Rotterdam, kantoor Rotterdam Oliphantweg, CT 4, Fysiek Toezicht, Team Bijzondere Bijstand, d.d. 23 december 2006, nr. 0612222230.AMB, behorende bij het eerstgenoemde proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, p. 9-10 van deel II van het proces-verbaal.

2 Zie het proces-verbaal deel I "Onderzoek: Tarum, dossiernr. 39760" van het HARC-team Rotterdam, FIOD-ECD, Zeehavenpolitie, douane Rotterdam, d.d. 24 april 2007, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, p. 5 en een geschrift, te weten een deskundigenrapport van het Ministerie van Justitie Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 26 januari 2007, nr. 0701271130.AMB, behorende bij het eerstgenoemde proces-verbaal, p. 31-32 van deel II van het proces-verbaal.

3 Zie het proces-verbaal deel I "Onderzoek: Tarum, dossiernr. 39760" van het HARC-team Rotterdam, FIOD-ECD, Zeehavenpolitie, douane Rotterdam, d.d. 24 april 2007, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, p. 6.

4 Zie het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] van het HARC-team Rotterdam, Zeehavenpolitie, FIOD-ECD, Douane Rotterdam, d.d. 30 januari 2007, nr. 0701301015.V01, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, p. 150 van deel II van het proces-verbaal en een geschrift, te weten een uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel, behorende bij het eerstgenoemde proces-verbaal, p. 38 van deel II van het proces-verbaal.

5 Zie het proces-verbaal van verhoor van getuige van de FIOD-ECD, kantoor Rotterdam, d.d. 3 januari 2007, nr. 0701031030.G.1, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, p. 47 en 49 van deel II van het proces-verbaal.

6 Zie het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] van het HARC-team Rotterdam, Zeehavenpolitie, FIOD-ECD, Douane Rotterdam, d.d. 31 januari 2007, nr. 0701311730.V01, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, p. 167-168 van deel II van het proces-verbaal.

7 Zie het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] van het HARC-team Rotterdam, Zeehavenpolitie, FIOD-ECD, Douane Rotterdam, d.d. 13 maart 2007, nr. 0703131100.V01, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, p. 189 van deel II van het proces-verbaal.

8 Zie het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] van het HARC-team Rotterdam, Zeehavenpolitie, FIOD-ECD, Douane Rotterdam, d.d. 30 januari 2007, nr. 0701301410.V01, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, p. 161-163 van deel II van het proces-verbaal.

9 Zie het in noot 6 genoemde proces-verbaal, p.168.

10 Zie het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] van het HARC-team Rotterdam, Zeehavenpolitie, FIOD-ECD, Douane Rotterdam, d.d. 27 maart 2007, nr. 0703271000.V03, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, p. 263 van deel II van het proces-verbaal.

11 Zie het proces-verbaal van ambsthandeling van de FIOD, kantoor Rotterdam, d.d. 3 april 2007, nr. 0703300930.AMB, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, p. 309 van deel II van het proces-verbaal.

12 Zie het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] van het HARC-team Rotterdam, Zeehavenpolitie, FIOD-ECD, Douane Rotterdam, d.d. 15 maart 2007, nr. 0703151030.V04, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, p. 279-281 van deel II van het proces-verbaal.

13 Zie het proces-verbaal van verhoor verdachte van het HARC-team Rotterdam, Zeehavenpolitie, FIOD-ECD, Douane Rotterdam, d.d. 2 mei 2007, nr. 0705021315.V05, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, p.448-449 van deel II van het proces-verbaal.

14 Zie het proces-verbaal van verhoor verdachte van het HARC-team Rotterdam, Zeehavenpolitie, FIOD-ECD, Douane Rotterdam, d.d. 2 mei 2007, nr. 0705021420.V05, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, p.456-457 van deel II van het proces-verbaal.

15 Zie het proces-verbaal van verhoor verdachte van het HARC-team Rotterdam, Zeehavenpolitie, FIOD-ECD, Douane Rotterdam, d.d. 2 mei 2007, nr. 0705021530.V05, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, p.459 van deel II van het proces-verbaal.