Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BH3351

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
18-02-2009
Zaaknummer
200.017.149-01 en 200.021.664-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In acht te nemen formaliteiten bij gesloten plaatsing; verwijzing naar LJN BE9979.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2009, 56
Module Integraal jeugdbeleid 2013/252
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 28 januari 2009

Zaaknummer : 200.017.149.01en 200.021.664/01

Rekestnr. rechtbank : J2 RK 08-1147

In de zaak met zaaknummer 200.017.149/01:

[appellant]

verblijvende [woonplaats]

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de minderjarige,

advocaat mr. K.S. Kort,

en in de zaak met zaaknummer 200.021.664/01:

[appellant 2]

wonende te [woonplaats]

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. R.A. Rhodes,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

kantoorhoudende te Rotterdam,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende]

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat R. Feiner.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De minderjarige is in de zaak met zaaknummer 200.017.149/01 op 31 oktober 2008 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 22 september 2008 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam. De vader is eveneens op 22 december 2008 in hoger beroep gekomen van dezelfde beschikking, onder zaaknummer 200.021.664/01.

Jeugdzorg heeft op 12 december 2008 in de zaak met zaaknummer 200.017.149/01 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van Jeugdzorg zijn bij het hof op 17 december 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 13 januari 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Bij faxbericht van 9 december 2008 heeft mr. A.C. van Seventer, advocaat van Jeugdzorg, het hof medegedeeld dat Jeugdzorg niet bereid is samen met [appellant 2] in de zittingszaal plaats te nemen, wegens gestelde bedreigingen aan de zijde van de vader. De advocaat heeft het hof verzocht het ertoe te leiden dat Jeugdzorg separaat ter zitting zal kunnen verschijnen.

De Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam- Rijnmond, hierna de Raad, heeft het hof bij fax van 12 januari 2009 medegedeeld niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 14 januari 2009 zijn beide zaken mondeling behandeld. Verschenen zijn: de minderjarige, bijgestaan door mr. S.J. Paans, een kantoorgenoot van mr. K.S. Kort, de vader en de moeder, bijgestaan door hun advocaten. Jeugdzorg is afzonderlijk op een eerder tijdstip gehoord en namens Jeugdzorg is verschenen [naam] (teammanager) en mr. A.C. van Seventer. Partijen, Jeugdzorg, de minderjarige en de raadslieden hebben het woord gevoerd. Ter zitting heeft de advocaat van de minderjarige met toestemming van de aanwezigen een competentielijst van de justitiële jeugdinrichting Het Poortje, gedateerd 17 december 2008, overgelegd.

Nadien zijn, volgens afspraak ter zitting, de volgende stukken bij het hof ingekomen: een faxbericht van Jeugdzorg op 14 januari 2009.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen partijen het volgende vast.

Bij beschikking van 31 maart 2008 is de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd tot 17 februari 2009.

Bij beschikking van 26 augustus 2008 is – zonder verhoor van belanghebbende – een voorlopige machtiging verleend om de minderjarige in gesloten jeugdzorg te doen opnemen en te doen verblijven voor de duur van vier weken. De behandeling is voor het overig verzochte aangehouden.

Bij bestreden beschikking is de duur van de machtiging om de minderjarige in gesloten jeugdzorg te doen verblijven verlengd van 23 september 2008 tot 17 februari 2009.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de verlenging van de duur van de machtiging om de minderjarige [minderjarige] geboren [in 1992] te [woonplaats] in gesloten jeugdzorg te doen verblijven tot 17 februari 2009.

2. De minderjarige verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen, en, - naar het hof begrijpt - opnieuw beschikkende, het inleidend verzoek van Jeugdzorg om verlenging van de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige alsnog af te wijzen. Jeugdzorg bestrijdt het beroep.

3. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover daarin de toestemming tot verlenging van de machtiging de minderjarige in een gesloten jeugdzorg te doen verblijven tot 17 februari 2009, en, - naar het hof begrijpt - opnieuw beschikkende, het inleidend verzoek van Jeugdzorg om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige alsnog af te wijzen en Jeugdzorg te veroordelen in de kosten van deze procedure.

4. De minderjarige stelt dat de rechtbank ten onrechte de duur van de machtiging om hem in gesloten jeugdzorg te doen verblijven heeft verlengd tot 17 februari 2009. De rechtbank heeft met name niet tot het oordeel kunnen komen dat de verlenging van het verblijf in gesloten jeugdzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is om te voorkomen dat de minderjarige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of door anderen daaraan zal worden onttrokken. Ter onderbouwing van zijn standpunt stelt de minderjarige dat de gedragswetenschapper voorafgaand aan het uitbrengen van de instemmingsverklaring hem - in het kader van de gegeven voorlopige machtiging - had moeten onderzoeken en in strijd met de wet heeft gehandeld. Door dat niet tijdig te doen stelt de minderjarige dat de verklaring - afgegeven in het kader van de procedure die tot de bestreden beschikking heeft geleid - niet aan de ratio van de regeling van artikel 29b lid 5 Wet op de Jeugdzorg (hierna: WJZ) voldoet nu de gedragswetenschapper niet meer dan de wettelijke criteria opnoemt en concludeert dat hier naar zijn mening aan voldaan wordt, maar dit op geen enkele wijze onderbouwd door eigen waarnemingen en daarop gebaseerde conclusies. Verder stelt de minderjarige dat de rechtbank te snel een machtiging heeft verstrekt. De rechtbank is hiermee voorbij gegaan aan het gegeven dat een machtiging voor gesloten jeugdzorg een ultimum remedium is en slechts aan de orde dient te komen wanneer andere (ambulante) behandelingen niet tot het gewenste resultaat hebben geleid en vaststaat dat opneming en verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de gewenste behandeling niet succesvol zal zijn. De minderjarige erkent dat hij problemen heeft met het controleren van zijn agressie. Hij is van mening dat een behandeling in gesloten setting hem niet heeft geholpen; hij wil vanuit de thuissituatie een (intensieve) behandeling ondergaan. De minderjarige is reeds aangemeld bij het ACT-team en er is begeleiding ingeschakeld van ‘Het Pakhuys’ in Schiedam. Voorts kunnen Het DOK en de Waag een geschikte behandeling voor de minderjarige bieden.

5. De vader heeft in zijn enige grief tegen de bestreden beschikking aangevoerd dat de kinderrechter bij de beslissing tot verlening van de duur van de machtiging om de minderjarige in gesloten jeugdzorg te doen verblijven met ingang van 23 september 2008 onvoldoende heeft gemotiveerd. De vader betoogt dat de kinderrechter onvoldoende onderzoek heeft kunnen doen omdat zowel de vader zelf als Jeugdzorg niet bij de mondelinge behandeling aanwezig zijn geweest.

6. Jeugdzorg stelt dat er sprake is van ernstige opvoedings- en gedragsproblemen, die de ontwikkeling van de minderjarige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Jeugdzorg wijst erop dat de minderjarige zich thuis zeer agressief heeft gedragen naar zowel zijn moeder en zusje als naar huisraad. Jeugdzorg meent dat zij voldoende inspanningen heeft geleverd om een passende ambulante behandeling mogelijk te maken terwijl de problemen van de minderjarige direct voorafgaand aan zijn plaatsing zodanig ernstig waren dat deze een gesloten plaatsing rechtvaardigden. Jeugdzorg wijst erop dat de minderjarige geen concreet hulpverleningsaanbod heeft overgelegd. Jeugdzorg beaamt dat de verklaring van de gedragswetenschapper summier is en in algemene bewoordingen gesteld. Bij de verklaring behoort echter een toelichting die zeer uitgebreid is en Jeugdzorg heeft deze als productie ingebracht in de procedure. Ter zitting heeft Jeugdzorg nader verklaard dat zij verwachten dat de minderjarige gaat leren een zelfstandiger koers te varen en dat zijn agressie aangepakt wordt. Jeugdzorg verklaart dat de minderjarige is aangemeld bij Jeugdformaat/Jutters-Combinatie (JJC), een behandelinstelling waar aan de agressieregulatie van de minderjarige gewerkt kan worden.

7. De moeder heeft zich ter ziting op het standpunt gesteld dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden doordat het gerechtshof Jeugdzorg apart heeft gehoord. De moeder stelt dat juist de vader apart had moeten worden gehoord, mede gelet op de frustratie die bij de vader leeft. Voorts stelt de moeder dat de minderjarige in Het Poortje nog geen persoonlijkheidsonderzoek ondergaan heeft, waardoor de moeder het vertrouwen ook in deze jeugdinstelling heeft verloren.

8. Het hof verwerpt het beroep van de moeder op schending van het beginsel van hoor en wederhoor, nu, zo een dergelijke schending al zou hebben plaatsgevonden, deze wordt geheeld doordat de moeder, de minderjarige en de vader in hoger beroep na door de voorzitter te zijn geïnformeerd over hetgeen door Jeugdzorg ter (separate) zitting naar voren is gebracht, in staat zijn gesteld te reageren op de stellingen en producties van Jeugdzorg.

9. Voorts overweegt het hof op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting als volgt. Ingevolge artikel 29b lid 2 WJZ kan een machtiging slechts worden verleend indien:

a. de jeugdige onder toezicht is gesteld;

b. de voogdij over de jeugdige berust bij een stichting, of;

c. degene die, anders dan bedoeld onder b, het gezag over hem uitoefent, met de opneming en het verblijf instemt.

Ingevolge artikel 29b, derde lid WJZ kan bovendien een machtiging tot opneming van een jeugdige in een accommodatie, ongeacht zijn instemming daarmee (hierna ook: gesloten jeugdzorg), slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. In het kader van de voorlopige machtiging is het voldoende dat het ernstige vermoeden bestaat dat daarvan sprake is (artikel 29c lid 2 WJZ), de betrokken stichting heeft verklaard dat een geval als bedoeld in lid 2 zich voordoet (artikel 29c lid3 WJZ) en met die verklaring is ingestemd door een bij de Regeling aanwijzing gedragswetenschappers gesloten jeugdzorg aangewezen gedragswetenschapper die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht, tenzij onderzoek feitelijk onmogelijk is (artikel 29c lid 4 WJZ).

10. Het hof is van oordeel dat aan alle formele vereisten van artikel 29b WJZ is voldaan. Uit de stukken blijkt dat bij het verzoek van Jeugdzorg zich een verklaring van een gedragsdeskundige bevindt, afgegeven op 28 augustus 2008 in het kader van de af te geven voorlopige machtiging. Het hof acht de stelling van de minderjarige dat de verklaring niet aan de ratio van de regeling van artikel 29b lid 5 WJZ voldoet, nu de gedragswetenschapper niet meer dan de wettelijke criteria opnoemt en concludeert dat hier naar zijn mening aan voldaan wordt, maar dit op geen enkele wijze onderbouwt door eigen waarnemingen en daarop gebaseerde conclusies, niet juist. Anders dan de minderjarige is het hof van oordeel dat er in casu sprake is van een situatie waarin overeenkomstig de wet is gehandeld, nu de verklaring van Jeugdzorg besloten ligt in het verzoekschrift tot gesloten plaatsing en de gedragsdeskundige instemt met hetgeen Jeugdzorg in het verzoekschrift verklaart. Het is het hof gebleken dat het verzoek van Jeugdzorg voldoende gemotiveerd is en inhoudelijk duidelijk wordt dat en waarom de wettelijke situatie zich voordoet. Daarbij aansluitend overweegt het hof dat de gedragsdeskundige kan volstaan met het geven van zijn instemming, zonder dat nog een nadere motivering van de gedragsdeskundige nodig is. Het hof merkt hierbij op dat indien het verzoekschrift van Jeugdzorg niet of onvoldoende gemotiveerd is en een verklaring van Jeugdzorg ontbreekt, een gedegen motivering van de instemming van de gedragsdeskundige de zaak alsnog onder het wettelijke criterium kan brengen, gelijk is overwogen in de beschikking van dit hof van 6 augustus 2008, LJN BE9979.

11. Het hof is met de minderjarige van oordeel dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om de jeugdige voorafgaande aan het verlenen van een voorlopige machtiging te horen. Dit blijkt uit de tekst van artikel 29f lid 1 WJZ en uit de memorie van toelichting daarop. Er kunnen zich echter situaties voordoen, waarin een zodanig onmiddellijk en ernstig gevaar dreigt dat een verhoor van de jeugdige niet kan worden afgewacht. Mede omdat de wetgever in artikel 29d lid 2 WJZ, de eerste afdeling van de zesde titel van boek 3 Rv, waarin artikel 809 Rv is opgenomen, van overeenkomstige toepassing heeft verklaard is het hof van oordeel dat het in de bedoeling van de wetgever heeft gelegen dat als een dergelijke in artikel 809 lid 3 Rv bedoelde situatie zich voordoet, juist in het belang van die minderjarige een beschikking ook zonder voorafgaand verhoor van de jeugdige kan worden gegeven, mits deze dan wel binnen enkele dagen daarna wordt gehoord. Jeugdzorg heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat een dergelijke situatie zich in het onderhavige geval voordeed. Als gevolg van het feit dat de minderjarige op 27 augustus 2008 gesloten geplaatst is, kon hij niet verschijnen op de afspraak voor een onderzoek op 28 augustus 2008. De minderjarige is alsnog op 1 september 2008 gehoord. Nu het horen van de minderjarige niet achterwege is gebleven is de voorlopige machtiging overeenkomstig de vereisten in de wet verleend.

12. Voorts is het hof van oordeel dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep volgt dat de minderjarige zodanige opgroei- en opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, dat opneming en verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk zijn om te voorkomen dat hij zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. De minderjarige vertoont ernstige gedragsproblematiek en accepteert geen, althans moeizaam, gezag van volwassenen. Het hof is van oordeel dat de belangen van de minderjarige thans niet voldoende kunnen worden gewaarborgd indien de minderjarige weer thuis zou wonen. Het hof overweegt hierbij dat de moeder de problematiek van de minderjarige onderschat en niet goed in staat is inhoud te geven aan haar gezag op een wijze die de minderjarige aanspreekt. Toen de minderjarige nog thuis woonde heeft hij zich op een dusdanige manier aan het gezag onttrokken dat de situatie niet meer houdbaar was. Hij is zijn eigen gang gegaan en, al dan niet onder invloed van derden, in een situatie terecht gekomen waarin zijn zedelijke en geestelijke belangen en zijn gezondheid ernstig werden bedreigd. De ernst en complexiteit van deze gedragsproblematiek maken, naar het oordeel van het hof, behandeling dringend noodzakelijk teneinde de bedreiging in zijn ontwikkeling af te wenden zodat hij aan zijn toekomst kan gaan werken. Gelet op het feit dat de minderjarige zich in het verleden structureel aan de hulpverlening heeft onttrokken en behandeling weigerde, acht het hof behandeling binnen de gesloten setting - binnenkort in de JJC - noodzakelijk om te voorkomen dat hij zich wederom aan de hulpverlening zal onttrekken. Bovendien is het hof gebleken dat de moeder en de vader zich ambivalent opstellen jegens de hulpverlening en dat zij het belang van behandeling van de minderjarige niet voldoende inzien. Het hof betwijfelt dan ook of zij zijn veiligheid binnen de thuissituatie voldoende kunnen garanderen. Op grond van het voorgaande acht het hof de voortzetting van de behandeling van de minderjarige in een gesloten accommodatie noodzakelijk teneinde de bedreiging in zijn ontwikkeling af te wenden. Het hof zal de bestreden beschikking derhalve bekrachtigen.

13. Ten aanzien van de door de vader ingebrachte grief oordeelt het hof als volgt. Het hof is van oordeel dat de vader ruimschoots in de gelegenheid is gesteld zijn standpunten uiteen te zetten en nader te onderbouwen. Voorts is de vader in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek van Jeugdzorg, zoals ook blijkt uit het proces-verbaal ter zitting in eerste aanleg. Het betoog van de vader wordt verworpen.

14. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Leuven, Mos-Verstraten en Hulsebosch, bijgestaan door mr. Steenks als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2009.