Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BH3200

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-02-2009
Datum publicatie
18-02-2009
Zaaknummer
22-003183-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvaring op de Westerschelde. Vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003183-07

Parketnummer: 12-600084-05

Datum uitspraak: 18 februari 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Middelburg van 30 mei 2007 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 4 februari 2009.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Verzoeken van de raadsman

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof verzoeken gedaan tot het horen van getuigen. In zijn pleidooi persisteert de raadsman bij deze verzoeken.

Om proces-economische redenen zal het hof, gelet op de hierna te nemen beslissing, voorbij gaan aan deze verzoeken.

Vrijspraak

De advocaat-generaal acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte als loods aan boord van de het zeeschip Pelican 1 in het Nauw van Bath in de Westerschelde met een te hoge snelheid en op een te korte afstand boei 75 en de daarbij liggende ondiepte is gepasseerd met als gevolg dat het schip tengevolge van het zogenaamde squat- en bank-effect onbestuurbaar is geworden, naar bakboord is getrokken en in aanvaring is gekomen met het tegemoet varende zeeschip Maersk Bahrein.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Uit de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de getuige/deskundige M.C. Schrijver leidt het hof af dat het squat-effect op een zeeschip onder meer afhankelijk is van de vaarsnelheid, de vorm van het schip en de diepte van het water. Derhalve zijn voor het bewijs van het tenlastegelegde de exacte vaarsnelheid en exacte positie/vaarroute van het schip doorslaggevend. De afbeeldingen, gemaakt aan de hand van radarbeelden, geven -ook volgens de verbalisanten- geen nauwkeurig beeld van de exacte afstand waarop de Pelican 1 boei 75 is voorbijgevaren zodat reeds daarom niet valt vast te stellen of in dit geval het squat-effect zich heeft voorgedaan.

Het hof wijst erop dat de kort voor de aanvaring gevoelde vibratie weliswaar het gevolg kan zijn van het squat-effect, maar evengoed van het uitzetten van de motor, zoals door verdachte en de bij de rechter-commissaris gehoorde getuige/deskundige R. van der Bos is gesteld.

Bovendien neemt het hof in aanmerking dat beide genoemde getuigen/deskundigen hebben verklaard dat er verschillende formules ter berekening van het squat-effect worden gehanteerd, waarvan de uitkomsten aanmerkelijk van elkaar afwijken. M.C. Schrijver heeft verklaard dat de berekeningen geen formule hebben opgeleverd die toepasbaar is op de specifieke omstandigheden van de Westerschelde.

Bij deze stand van zaken is het enkele feit dat een aanvaring heeft plaatsgevonden onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat de onbestuurbaarheid van de Pelican 1 het gevolg is geweest van het squat-effect en evenmin -gelet op de bewoordingen van de tenlastelegging- van een combinatie van het squat- en bank-effect. Overigens is ook niet komen vast te staan dat enkel het bank-effect de onbestuurbaarheid van de Pelican 1 heeft veroorzaakt.

Daarbij komt nog het volgende. De advocaat-generaal sluit een technisch mankement aan de stuurinrichting uit. Het hof overweegt hierover dat daarnaar na de aanvaring geen adequaat technisch onderzoek is gedaan zodat naar het oordeel van het hof een al dan niet tijdelijk technisch defect mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen een reƫle oorzaak van de stuurloosheid van het schip kan zijn geweest.

Ten slotte heeft verdachte er in eerste aanleg op gewezen dat de kapitein buiten hem om de motor heeft afgezet hetgeen de bestuurbaarheid van het schip heeft bemoeilijkt, zoals ook door R. van der Bos is bevestigd. Het hof acht dit aannemelijk.

Gelet op al deze feiten en omstandigheden is niet buiten redelijke twijfel vast te stellen dat verdachte in of nabij ondiep water te snel heeft gevaren waarbij het schip onbestuurbaar is geworden tengevolge van het squat- en bank-effect met de aanvaring als gevolg. Bovendien ontbreekt bij het hof gelet op het voorgaande en het feit dat verdachte een zeer ervaren loods is de overtuiging dat hij zich aan het tenlastegelgde feit heeft schuldig gemaakt.

Derhalve kan naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend worden bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door mr. J. Borgesius,

mr. A.L.J. van Strien en mr. D.J.C. van den Broek,

in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 februari 2009.