Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BH2847

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-02-2009
Datum publicatie
13-02-2009
Zaaknummer
22-006690-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Delftse Pinkzaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-006690-07

Parketnummer: 09-757041-07

Datum uitspraak: 13 februari 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 23 november 2007 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

adres: [adres] te [woonplaats].

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 28 oktober 2008, 20 januari 2009, 27 januari 2009 en 30 januari 2009.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

5. Weergave van de feiten en omstandigheden op grond van wettige bewijsmiddelen

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep gaat het hof uit van het navolgende.

De telefonische contacten op 12 maart en 7 april 20061

- De verdachte heeft van [internetnaam medeverdachte 1] de naam van [aangever 1] ontvangen als de persoon die in Den Haag het verlengstuk zou zijn van [naam bedrijf voor sportsupplementen], via welke voedingsupplementen tegen een lage prijs te koop werden aangeboden2. [internetnaam medeverdachte 1] vroeg hem of hij naar die [aangever 1] toe zou kunnen gaan om hem bang te maken of klappen te geven. [internetnaam medeverdachte 1] heeft aan de verdachte een foto, een telefoonnummer en adresgegevens van die [aangever 1] gestuurd.

De verdachte heeft aan [getuige 1] gevraagd [aangever 1] te bedreigen.

- [getuige 1] verklaart dat hij op 12 maart 2006 en op 7 april 2006 telefonisch contact heeft opgenomen met de familie [aangever 1]3.

De gebeurtenissen op 29 mei 2006

- Op 29 mei 2006, omstreeks 21.45 uur, zijn aangevers [aangever 1] en [aangever 2] in hun (nieuwe) woning aan de [huidig adres aangever 1 en 2], in aanwezigheid van hun vriend [slachtoffer 1], overvallen door drie of vier mannen4. Op genoemd tijdstip werd aan de voordeur van de woning aangebeld. Nadat [aangever 1] de deur opende werd hij door twee blanke mannen met kracht vastgepakt, de woning ingeduwd en tegen de muur geduwd. Eén van de mannen had een pistool. Deze man gaf [aangever 1] met dit pistool een klap op het jukbeen van zijn rechteroog. Ze gingen de woonkamer in.

De man met het vuurwapen zei met een Vlaams accent: "Waar is de cash, jij moet stoppen met die site, waar zijn de spullen". Nadat [aangever 1] ontkende hier iets van te weten, kreeg hij wederom een klap met het vuurwapen in zijn gezicht. De slachtoffers werden gesommeerd op stoelen te gaan zitten.

Vervolgens werden de slachtoffers met ducktape aan de stoelen vastgezet. Ook de monden van de slachtoffers werden afgeplakt. Opnieuw werd gevraagd: "Waar is de ferol, waar is de cash" en "Ik ga heel het huis doorzoeken en als ik iets vind dan vermoord ik jullie" en "Ja [aangever 1], als je niets vertelt dan zoeken wij jou wel een keertje op bij de pizza of bij de HHS, want daar zit je toch op school. En de [oud adres aangever 1], want daar woont je moeder toch. Als je niets vertelt dan vermoorden we haar" en tegen [slachtoffer 1] "Ben jij [getuige 3]?"

Vervolgens ging de man met het vuurwapen achter [aangever 2] staan en sneed hij met een mes een stuk van haar haren af. Het afgeknipte haar werd in een sealbag gedaan. De man met het vuurwapen zei tegen [aangever 1]: "Je moet die site platgooien en dat lab voor die anabolen".

De man met het vuurwapen kreeg van een andere man een snoeischaar met gele handvatten plus een sealbag. Hierna ging de man met de tuinschaar op zijn knieën naast de linkerzijde van [aangever 1] zitten. Hij zei: "Weet je het echt niet, ik geef je nog één kans. Ik tel tot vijf". Nadat [aangever 1] nogmaals ontkende van iets te weten, telde de man tot vijf en bij vijf knipte hij de pink van de linkerhand van [aangever 1] af.

De afgeknipte pink werd in de sealbag gedaan en werd meegenomen door de daders. Daarbij werd door de man met het vuurwapen gezegd: "Dit was een waarschuwing. De volgende keer vermoorden wij jou". Daarop zijn de daders vertrokken in een auto.

- Uit medische informatie en een röntgenfoto blijkt dat de pink van [aangever 1] vrijwel in zijn geheel is afgeknipt5.

- [medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 27 januari 20096 als getuige gehoord verklaard dat het klopt dat hij één van de drie mannen is, die de woning in [woonplaats] zijn binnengegaan. Een van de mededaders had gezegd dat hij moest zoeken naar anabolen. Hij zou geld en anabolen krijgen.

- De telefoon van [medeverdachte 2] heeft op 29 mei 2006 tussen 23.31 uur en 23.38 uur sms-berichten ontvangen en verzonden, waarbij zendmasten zijn aangestraald in de onmiddellijke omgeving van de rijksweg N-279, onder mastbereik te Berlicum, Heeswijk/Dinther en Veghel in de provincie Noord-Brabant te Nederland7. De verdachte woont in [woonplaats].

6. De inhoud van de bekennende verklaringen van [medeverdachte 1] van 20 januari 20078 – zakelijk weergegeven-:

Ten aanzien van 29 mei 2006

[medeverdachte 1] zegt dat hij heeft begrepen dat [de verdachte] er iets mee te maken heeft. Hij kende hem niet persoonlijk, maar heeft het vermoeden dat hij [internetnaam verdachte] is, zo heet [R.] op [site voor bodybuilding]. De naam [achternaam verdachte] kende hij niet, alleen de naam [R.] en deze koppelt hij aan [internetnaam verdachte]. [R.] heeft een supplementenlijn genaamd [naam bedrijf]. [medeverdachte 1] komt op [site voor bodybuilding] onder meer onder de naam [internetnaam medeverdachte 1]. Hij heeft wel eens contact gehad met [internetnaam verdachte] via de msn. Het was altijd zakelijk en nooit persoonlijk. [R.] woont in [woonplaats], hij weet dat van toen [R.] iets bij hem bestelde.

[medeverdachte 1] geeft bestellingen door via [e-mail adres medeverdachte 1] en [e-mail adres medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] verklaart dat ze bij [aangever 1] zijn gekomen via hem, omdat hij het adres [huidig adres aangever 1 en 2] te [woonplaats] heeft gegeven aan [R.] of [internetnaam verdachte], via de e-mail of msn. [R.] kende [medeverdachte 1] als [internetnaam medeverdachte 1].

Ze zochten [naam bedrijf voor sportsupplementen]. [R.] vroeg [medeverdachte 1] of hij [naam bedrijf voor sportsupplementen] kende. [medeverdachte 1] heeft toen gezegd dat [aangever 1] achter [naam bedrijf voor sportsupplementen] zat en heeft het adres van [aangever 1] in [woonplaats aangever 1] aan [R.] gegeven. Hij wist dat de overval zou gaan gebeuren, maar niet wanneer.

[R.] zei dat de personen die het gingen doen dit soort dingen elke week doen en dat [naam bedrijf voor sportsupplementen] zou stoppen. Hij zei dat het geregeld was. Ergens in mei 2006 heeft hij het adres gegeven.

[medeverdachte 1] hoorde een dag na de overval via msn van [R.] dat [aangever 1]’s pink was afgeknipt. [R.] vertelde dat eerst de haren werden afgeknipt en dat vervolgens de pink werd afgeknipt. Hij ontving de pink en de haren van de mannen die de overval gepleegd hebben.

[R.] zei dat hij de pink en de haren meteen heeft weggegooid. De mannen hebben dat bij hem gebracht. [medeverdachte 1] verklaart dat [R.] boos was op [naam bedrijf voor sportsupplementen]. Hij zegt dat hij lang moet zitten, omdat hij een naam heeft doorgegeven. [R.] zou ervoor zorgen dat [naam bedrijf voor sportsupplementen] niet meer gemaakt zou worden.

Op de opmerking van verhoorder dat het belangrijk is dat hij zijn rol in het geheel goed afbakent, antwoordt [medeverdachte 1] dat hij dat al heeft gedaan. Hij geeft ook aan dat hij het al goed heeft verklaard en dat hij het daarbij houdt. [medeverdachte 1] herhaalt dat hij het adres van [aangever 1] aan [R.] heeft gegeven via de msn en dat [R.] het geloofde. [R.] zei dat zij ervoor zouden zorgen dat ze zouden stoppen. Hij kende wel iemand. [R.] heeft verteld dat hij 3 mannen erop af heeft gestuurd en dat het toen was opgelost (cursief hof). [naam bedrijf voor sportsupplementen] maakte niks meer. Op 30 mei 2006 heeft [R.] via msn gezegd dat ze het hadden gedaan en dat hij een tasje met haar en een pink had weggegooid.

Een paar dagen voor de overval wist [medeverdachte 1] wat er zou gaan gebeuren. [R.] geloofde hem omdat hij een naam en een adres had gekregen.

7. De verklaringen van [getuige 1], inhoudende – zakelijk weergegeven -:

[getuige 1] verklaart op 22 februari 2007 tegenover de politie9 dat hij twee telefoongesprekken heeft gevoerd in opdracht van een anabolenboer uit [woonplaats] en dat hij betaald heeft gekregen in anabolen.

Hij raakte in gesprek met de overbuurman van [getuige 4] (de anabolenboer) en hij vertelde dat hij problemen had met mensen die, net als hij, op het internet in anabolen dan wel sportartikelen handelden.

Deze mensen werkten onder de prijzen en hij vroeg [getuige 1] of hij niet die mensen op wilde bellen om te zeggen dat ze hun prijzen aan moesten passen. Eigenlijk wilde hij dat [getuige 1] die mensen zou opzoeken. Als betaling zou hij een anabolenkuurtje krijgen.

Hij heeft betaald gekregen in anabolen. Hij moest van die anabolenboer met die persoon bellen en zeggen dat hij “onder de prijzen zat met zijn sportartikelen”, maar eigenlijk ging het volgens [getuige 1] over het feit dat die persoon onder de normale anabolenprijzen zat. Het kan wel dat hij de naam [fictieve naam] heeft genoemd.

Die jongen die hij moest bellen was werkzaam in een pizzeria, genaamd New York.

Hij heeft gezegd dat hij gebeld heeft en naar dat adres was toegegaan. Toen hij die anabolenkuur ging halen, zei de overbuurman tegen hem dat alles geregeld was of dat alles opgelost was of dergelijke woorden (cursief hof). Voor [getuige 1] was duidelijk dat de problemen die de overbuurman kennelijk met die persoon had, waren opgelost.

[getuige 1] herinnert zich nog dat de overbuurman, voordat hij ging bellen, wilde dat hij die persoon ging opzoeken en hem een beetje bang moest maken of een paar klappen geven. Hij heeft alle gegevens op papier van de overbuurman gekregen. De naam van de jongen, het werkadres van de pizzeria, zijn foto, zijn woonadres en huis telefoonnummer.

[getuige 1] heeft op 14 januari 2009 bij de raadsheer-commissaris verklaard10 dat hij naar aanleiding van de telefoontjes die hij op verzoek met de persoon in [woonplaats aangever 1] heeft gepleegd, 2 flessen anabolen heeft gekregen. Hij verklaart dat hij tweemaal heeft gebeld.

8. De verklaring van de verdachte:

- Ter terechtzitting in hoger beroep van 20 januari 2009 verklaart de verdachte –zakelijk weergegeven-:

Ik heb een internetshop met sportsupplementen, zoals eiwitten en kreatine. Ik heb wel eens anabolen aangekocht en verkocht. Ik vond het niet echt leuk dat ik een ontsteking had gekregen na gebruik van een produkt van [naam bedrijf voor sportsupplementen] en heb daar melding van gemaakt op dat zelfde forum. Ik ben vervolgens benaderd door [internetnaam medeverdachte 1]. Ik kende hem al voordat hij zich tot mij richtte met betrekking tot [naam bedrijf voor sportsupplementen]. Wij hadden contact via msn of e-mail. [internetnaam medeverdachte 1] was ook ontevreden over [naam bedrijf voor sportsupplementen].

In maart/april 2006 zijn er dreigtelefoontjes van [getuige 1] in de richting van [aangever 1] gegaan. [internetnaam medeverdachte 1] stuurde mij het adres, een foto en een telefoonnummer van [aangever 1]. Het A4-tje met gegevens van [aangever 1] dat ik van [internetnaam medeverdachte 1] heb gekregen, heb ik doorgegeven aan [getuige 1].

Op een gegeven moment kwam ik in gesprek met [getuige 1]. Hij had het over incasso’s. Op dat moment heb ik hem over [naam bedrijf voor sportsupplementen] verteld. Hij stelde voor om een keer bij [naam bedrijf voor sportsupplementen] langs te gaan of op te bellen.

Strekking van de boodschap die [getuige 1] meekreeg, was dat [aangever 1] die spullen verkocht

en dat hij daarmee moest stoppen. [getuige 1] heeft – naar ik van hem heb begrepen - gebeld met [aangever 1]. Vervolgens heb ik [getuige 1] weer gesproken en heeft hij nogmaals gebeld naar [aangever 1].

Laat op een avond – ik neem aan dat het rond 29 mei 2006 is geweest, omdat uit het onderzoek is gebleken dat mannen op die datum bij mij zijn geweest - kwamen er twee mannen aan de deur.

Ze zeiden: “we hebben het geflikt”. Ze zeiden dat ze een pink en haren hadden geknipt. Toen ik met [internetnaam medeverdachte 1] via msn contact had, vroeg hij mij steeds wat er was gebeurd en hij vroeg door over de vinger die geknipt zou zijn.

9. Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde en terzake van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal de gevangenneming van de verdachte gevorderd.

10. Door de verdediging gevoerde verweren

Bij pleidooi in hoger beroep heeft de raadsman – kort gezegd - betoogd dat de belastende verklaringen van [medeverdachte 1] onbetrouwbaar zijn en de verklaringen van de verdachte geloofwaardig.

A. Het standpunt van het openbaar ministerie.

De advocaat-generaal concludeert in haar requisitoir dat de door [medeverdachte 1] op 20 januari 2007 afgelegde verklaringen betrouwbaar zijn.

Het oordeel van het hof.

Het hof acht op grond van het onderzoek ter zitting in hoger beroep van 20 januari 2009 en 27 januari 2009 de door [medeverdachte 1] op 20 januari 2007 afgelegde verklaringen11 ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde gebeurtenissen betrouwbaar.

Uit de uitgewerkte verklaring van [medeverdachte 1] van 20 januari 2007 en uit het studioverhoor van die datum, waarvan het hof ter terechtzitting in hoger beroep van 20 januari 2009 grote delen van de bandopname heeft bekeken, is naar voren gekomen dat [medeverdachte 1] uit eigener beweging met zijn bekennende verklaring is gekomen. Voorts herhaalt hij tijdens het studioverhoor zijn bekentenissen van de ochtend van 20 januari 2007 met betrekking tot het doorgeven van de naam [aangever 1] aan de verdachte en blijft hij de verdachte belasten.

B. De verklaringen van de verdachte

Standpunt openbaar ministerie.

De advocaat-generaal is van oordeel dat de verklaring van de verdachte met betrekking tot de mannen die bij hem langs zijn geweest, onlogisch en ongeloofwaardig is.

Standpunt hof.

De verdachte heeft op 17 en 18 januari 200712 verklaard dat de mannen die avond dat zij langskwamen onder bedreiging geld hebben meegekregen.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 20 januari 200913 heeft de verdachte verklaard dat de mannen die bij hem langs zijn geweest met haren en een pink en die EUR 1.500,-- à 2.000,-- hebben meegenomen onder bedreiging van een pistool, dit hebben gedaan in opdracht van [internetnaam medeverdachte 1]. Dit was, denkt hij, begin juni 2006.

De verdachte had naar zijn zeggen nog een schuld aan [internetnaam medeverdachte 1]. Een gedeelte daarvan moest de verdachte aan hem betalen, het andere deel zou worden opgehaald. De verdachte heeft verklaard dat [internetnaam medeverdachte 1] hem niet meermalen had benaderd om te betalen.

[medeverdachte 1] verklaart als getuige ter terechtzitting in hoger beroep van 27 januari 200914 dat de verdachte geen geld aan hem verschuldigd was en voorts dat de verdachte zijn spullen helemaal niet bij [medeverdachte 1] bestelde.

Het hof overweegt dat de verdachte uit eigen wetenschap heeft verklaard met betrekking tot de mannen die bij

hem zijn langs geweest, nu dit feit op dat moment nog niet bekend was. Dit gedeelte van de verklaring van de verdachte acht het hof geloofwaardig. Het hof hecht geen waarde aan de verklaring van de verdachte met betrekking tot de beweerde bedreiging op 29 mei of begin juni 2006. Op geen enkele wijze is van ondersteuning voor deze verklaring gebleken.

Voorts is onbegrijpelijk dat de mannen – als de verdachte, zoals hij stelt, niets met de overval te maken had – onmiddellijk na het plegen daarvan naar hem toe zijn gekomen om de afgeknipte pink en het afgesneden

haar aan hem te laten zien. Ook is onaannemelijk dat zij hem toen zouden hebben bedreigd of die pink en dat haar dreigend zouden hebben getoond wanneer hij zijnerzijds bereid was aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen.

11. Vrijspraak

Overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal is naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 2 primair en 3 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

12. Bewezenverklaring

Het hof acht, op grond van de feiten en omstandigheden als vervat in de bovenvermelde gebezigde bewijsmiddelen

5, 6, 7 en 8 in onderlinge samenhang beschouwd, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder

1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

13. Bewijsoverweging

Het hof is van oordeel dat de telefonische contacten uit maart/april 2006 als voormeld de bewezenverklaring van

de uitlokking van de gebeurtenissen van 29 mei 2006 ondersteunen. Zowel [getuige 1] als [medeverdachte 1] verklaren voorts dat de verdachte na 29 mei 2006 heeft gezegd dat het was "opgelost" of dergelijke woorden.

[getuige 1] heeft verklaard dat dit is geweest nadat hij vrij kwam (hof: 2 juni 200615).

Het hof leidt uit de verklaring van de slachtoffers in samenhang met de verklaring van [medeverdachte 2] af dat het verstrekken van inlichtingen door de verdachte vergezeld is gegaan van de belofte van een beloning in geld en/of anabolen.

14. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde:

Door beloften en het verschaffen van inlichtingen opzettelijk uitlokken van gijzeling.

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde:

Door beloften en het verschaffen van inlichtingen opzettelijk uitlokken van zware mishandeling.

Ten aanzien van het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde:

Door beloften en het verschaffen van inlichtingen opzettelijk uitlokken van een poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

15. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte

is dus strafbaar.

16. Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft – om concurrentie van zijn handel in anabolen en sportsupplementen tegen te gaan – de bewezenverklaarde feiten uitgelokt en heeft, hoewel hij niet heeft deelgenomen aan de uitvoeringshandelingen,

op deze wijze bij het plegen van de feiten een grote rol gespeeld.

De verdachte heeft zich zo schuldig gemaakt aan uitlokking van een gewelddadige overval in een woning

in [woonplaats] op 29 mei 2006, waarbij de twee bewoners – [aangever 1] en [aangever 2] – en een op dat moment aanwezige vriend, geruime tijd zijn gegijzeld.

Uit de aangiften blijkt dat de slachtoffers tijdens die overval hebben gevreesd voor hun leven. Zo werd door

één van de overvallers, die een vuurwapen had, gedreigd [aangever 1] te zullen vermoorden indien hij niet zou zeggen waar de anabolen en het geld zich bevonden.

Uit onderzoek is gebleken dat de slachtoffers niets met de anabolenhandel te maken hadden.

Aangezien de daders in de woning geen anabolen en/of geld aantroffen, heeft één van hen – om de dreigementen kracht bij te zetten – allereerst met een mes het gedeelte van het lange haar van slachtoffer [aangever 2] afgesneden.

Daarna is die dader op zijn knieën naast slachtoffer [aangever 1] gaan zitten, heeft hij de pink van diens linkerhand beet gepakt en heeft hij vervolgens – na te hebben afgeteld - met een snoeischaar die pink afgeknipt.

Als gevolg van de zeer gewelddadige overval, waarbij [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, is de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers zeer ernstig geschonden. Tevens is een ernstige inbreuk gemaakt op het gevoel van veiligheid van [aangever 1] en [aangever 2], omdat zij zich juist in de beslotenheid van hun eigen woning veilig en beschermd hadden moeten voelen. Dergelijke geweldsdelicten dragen een voor de rechtsorde schokkend karakter en brengen daarnaast bij de burgers angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Uit de slachtofferverklaringen komt naar voren dat de slachtoffers [aangever 1] en [aangever 2] met name de gebeurtenissen van 29 mei 2006 als zeer traumatisch hebben ervaren en dat het een zeer grote impact op hun verdere leven en op dat van hun naasten heeft (gehad).

Zo zijn [aangever 1], diens ouders en zusje en vriendin [aangever 2] na de overval geruime tijd ondergedoken, omdat niet duidelijk was of het gevaar voor hen was geweken.

De verdachte is blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 6 januari 2009 niet eerder veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Op feiten zoals de onderhavige moet naar het oordeel van het hof worden gereageerd met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Het hof zal, nu de verdachte geen recidive heeft, niet de gevangenneming zoals door de advocaat-generaal verzocht, bevelen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 47, 57, 282a, 302, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest

is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht,

voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af de vordering tot gevangenneming van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. B.A. Stoker-Klein,

mr. G.J.W. van Oven en mr. T.E. van der Spoel, in bijzijn van de griffier mr. C.E. Koppelaars.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 februari 2009.

Bewijsmiddelen

1 Aangifte zie proces-verbaal nummer PL 1508/2006/13568, ZD/BLAUW/A,

pagina 11 e.v.

2 Proces-verbaal nummer PL 1508/2006/13568, V/ZEL R72/ pagina 101-107.

3 Proces-verbaal nummer PL 1508/2006/13568, V/GIES P80, pagina 16-21,

alsmede verklaring als getuige bij raadsheer-commissaris op 14 januari

2009.

4 Proces-verbaal nummer PL 1508/2006/13568, ZD/BLAUW/A, pagina 1-3 en 5-8.

5 Proces-verbaal nummer PL 1508/2006/13568, ZD/BLAUW/GD/2-3.

6 Zie proces-verbaal van verhoor van deze getuige d.d. 27 januari 2009.

7 Proces-verbaal nummer PL 1508/2006/13568, ZD/BLAUW/AH, pagina 347-349.

8 Proces-verbaal nummer PL 1508/2006/13568, V/BALAN85, pagina 59 tot en

met 69 en V/BALAN85/ pagina 87-151.

9 Proces-verbaal nummer PL 1508/2006/13568, V/GIES P80, pagina 16 e.v.

10 Zie proces-verbaal van dit verhoor d.d. 14 januari 2009.

11 Zie noot 8.

12 Proces-verbaal nummer PL 1508/2006/13568, V/ZEL R72, pagina 30-40 en

pagina 42-55.

13 Zie proces-verbaal van dit verhoor d.d. 20 januari 2009.

14 Zie proces-verbaal van dit verhoor d.d. 27 januari 2009.

15 Zie proces-verbaal van verhoor [getuige 4], ZD/BLAUW/V, pagina 308 en requisitoir advocaat-

generaal ter zitting in hoger beroep van 30 januari 2009.