Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BH2751

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
13-02-2009
Zaaknummer
105.012.398.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buiten Nederland gesloten huwelijk; Wet conflictenrecht huwelijk, artikel 5 eerste en vierde lid; boedelverdeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 28 januari 2009

Zaaknummer : 105.012.398.01

Rekestnummer : 1834-M-07

Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-80

[de man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. P.C. Schroeijers,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.W.A. Verhaard.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 24 december 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Middelburg van 26 september 2007.

De vrouw heeft op 31 maart 2008 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 2 december 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Op 19 december 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. J. Wouters in plaats van mr. P.C. Schroeijers, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. In die beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de verdeling van de gemeenschap van goederen, voor zover die tussen partijen is ontstaan, bevolen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de echtscheiding en de verdeling van de gemeenschap van goederen naar Nederlands recht.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en te verklaren dat geen echtscheiding tussen partijen aan de orde kan zijn, nu partijen niet zijn gehuwd, subsidiair te bepalen dat de verdeling van de gemeenschap van goederen, voorzover die tussen partijen is ontstaan, zal plaatsvinden naar islamitisch recht.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep.

Echtscheiding

4. De man stelt in zijn eerste tot en met zijn vijfde grief – kort samengevat – dat er geen sprake is van een in Nederland rechtsgeldig huwelijk met de vrouw en dat van een echtscheiding tussen partijen derhalve geen sprake kan zijn.

5. De vrouw heeft hier gemotiveerd verweer tegen gevoerd.

6. Het hof overweegt als volgt. Een buiten Nederland gesloten huwelijk dat ingevolge het recht van de Staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of rechtsgeldig is geworden, wordt op voet van artikel 5, eerste lid, van de Wet Conflictenrecht Huwelijk (hierna: WCH) als zodanig erkend. Op grond van artikel 5, vierde lid, van de WCH wordt een in het buitenland gesloten huwelijk vermoed rechtsgeldig te zijn indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit. Als verklaring die aan deze bepaling tegemoet komt, heeft de vrouw een kopie overgelegd van een akte genaamd: “Duplikat Kutipan Akta Nikah” en gesteld dat in deze akte de zakelijke inhoud is neergelegd van de ceremonie waaraan partijen op [in 1988] te [woonplaats], [land], hebben deelgenomen. De man erkent aan deze ceremonie te hebben deelgenomen en betwist de inhoud van genoemde akte slechts voor zover daaruit wordt afgeleid dat tussen partijen een huwelijk tot stand is gekomen. Het hof is echter van oordeel dat de overgelegde akte naar het uiterlijk heeft te gelden als een huwelijksverklaring in de zin van artikel 5, vierde lid, WCH zodat daaraan het vermoeden dient te worden ontleend dat tussen partijen een huwelijk tot stand is gekomen. In dit verband overweegt het hof met name het volgende. De vrouw stelt dat er sprake is geweest van een huwelijksbelofte. De man betwist dit met het argument dat de term huwelijksbelofte in casu inhoudt goed zorgen voor de vrouw die je tot je neemt. De man stelt dat het tot je nemen van een vrouw in het Islamitische recht ook mogelijk is buiten het verband van het huwelijk. Deze voorshands ongeloofwaardige stelling heeft de man echter niet nader onderbouwd zodat het hof daaraan voorbij gaat. Gelet op het voorgaande dient de tussen partijen tot stand gekomen betrekking als huwelijk te worden erkend en falen de eerste tot en met de vijfde grief van de man.

Boedelverdeling

7. De man betoogt in zijn zesde grief dat het islamitische recht van toepassing is op de boedelscheiding. Mocht het hof ervan uitgaan dat partijen zijn gehuwd in het dorp van de vrouw in [land] dan leidt dit volgens de man tot de conclusie dat hij de vrouw heeft gekocht en een bruidschat heeft betaald. De man is van mening dat indien op basis van het islamitisch inheemse recht dergelijke financiële arrangementen worden getroffen, ook het islamitische recht het gemeenschappelijke nationale recht is.

8. De vrouw stelt dat partijen geen rechtskeuze hebben gemaakt. Het eerste huwelijksdomicilie van partijen is Nederland, zodat Nederlands huwelijksvermogensrecht van toepassing is.

9. Het hof overweegt als volgt. Onweersproken is komen vast te staan dat partijen geen rechtskeuze hebben gedaan vóór of na de huwelijksdatum. Voorts is gebleken dat partijen ten tijde van de huwelijkssluiting of kort daarna niet dezelfde nationaliteit hadden. Immers, de man had de Nederlandse nationaliteit en de vrouw verkreeg deze – zo heeft zij ter terechtzitting onweersproken verklaard – ongeveer drie jaar na de huwelijksvoltrekking. Verder is komen vast te staan dat partijen zich binnen zes maanden na het huwelijk in Nederland hebben gevestigd, zodat het eerste huwelijksdomicilie van partijen Nederland was en gelet hierop het Nederlandse recht het huwelijksgoederenregime beheerst en dit derhalve van toepassing is op het verzoek tot boedelverdeling. Hetgeen de man stelt omtrent het kopen van de vrouw doet aan dit oordeel niet af. De zesde grief van de man faalt derhalve.

Proceskostenveroordeling

10. Het hof ziet geen aanleiding om de man te veroordelen in de proceskosten en zal, nu partijen echtelieden zijn, de kosten compenseren. Het verzoek van de vrouw tot veroordeling van de man in de proceskosten (het hof begrijpt: in hoger beroep)

wordt derhalve afgewezen.

11. Mitsdien, en nu alle door de man aangevoerde grieven falen, zal het hof als volgt beslissen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep aldus, dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Bouritius, van Nievelt en Bos, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2009.