Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BH2480

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-02-2009
Datum publicatie
11-02-2009
Zaaknummer
105.006.266/01 / 07/401 (oud)
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2007:AZ6558
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad. Aansprakelijkheid waterschap voor schade door overstroming; overvloedige regenval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 105.006.266/01

Rolnummer (oud) : 07/401

Rolnummer rechtbank : 04-1465

arrest van de eerste civiele kamer d.d. 10 februari 2009

inzake

[Naam],

gevestigd te Rotterdam,

appellante,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens te 's-Gravenhage,

tegen

HET HOOGHEEMRAADSCHAP VAN SCHIELAND EN DE KRIMPENERWAARD (als rechtsopvolger van het Hoogheemraadschap van Schieland),

zetelende te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: het Hoogheemraadschap,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt te 's-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 20 maart 2007 is [appellant] in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 24 mei 2006 en 10 januari 2007, door de rechtbank Rotterdam gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven heeft [appellant] twee grieven tegen de vonnissen aangevoerd, welke door het Hoogheemraadschap bij memorie van antwoord (met producties) zijn bestreden. Partijen hebben hun zaak schriftelijk doen bepleiten. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak om het volgende. [appellant] is een agrarische onderneming. Zij exploiteert een kastuinbouwbedrijf aan de Wildersekade te Rotterdam, gelegen in de polder Bleiswijk. Het Hoogheemraadschap is belast met het oppervlaktewaterbeheer in (onder meer) de genoemde polder. Na zeer natte weken is in de periode van 19 tot en met 21 september 2001 sprake geweest van langdurige en hevige regenval.

2. [appellant] heeft, stellende dat haar bedrijf ten gevolge van bovenbedoelde regenval onder water is gelopen en dat het Hoogheemraadschap tekortgeschoten is in zijn plicht voor een deugdelijk waterbeheerssysteem te zorgen, bij de rechtbank (na wijziging van eis) gevorderd dat deze het Hoogheemraadschap zal veroordelen haar schade, op te maken bij staat, te vergoeden, vermeerderd met rente en kosten. De rechtbank heeft de vordering afgewezen.

3. In haar eerste grief keert [appellant] zich ertegen dat de rechtbank in het vonnis van 24 mei 2006 heeft overwogen dat zij tot op dat moment te weinig heeft onderbouwd waarom het Hoogheemraadschap jegens hen voor de wateroverlast aansprakelijk is. Zij verwijst voor die onderbouwing naar de conclusie van repliek en de nadere akte van 13 september 2006. Zij klaagt er verder over dat de rechtbank haar in dat tussenvonnis op die grond niet tot bewijs heeft toegelaten. Zij acht het bovendien onjuist dat de rechtbank in dat tussenvonnis heeft overwogen dat zij haar schade niet aannemelijk heeft gemaakt. Zij wijst daarbij op het door haar bij conclusie van repliek overgelegde expertiserapport en op haar gedocumenteerde uiteenzetting in de nadere akte van 13 september 2006. De tweede grief is gericht tegen nagenoeg alle overwegingen van de rechtbank in het vonnis van 10 januari 2007. Ter onderbouwing voert [appellant] wederom aan dat zij haar stellingen in eerste aanleg voldoende heeft onderbouwd en dat de rechtbank haar tot bewijs had moeten toelaten. Zij brengt naar voren dat de rechtbank een deskundigenonderzoek had moeten gelasten, ook zonder dat zij een TNO-rapport in het geding had gebracht. Los van de verder niet meer specifiek gemotiveerde bestrijding van het eindvonnis van de rechtbank verwijt zij het Hoogheemraadschap in hoger beroep:

a. dat het (aldus begrijpt het hof het gestelde in het gedeelte van punt 22 van de memorie van grieven dat begint met “Overigens wijst appellante er in het bijzonder nog op” en eindigt met “te bewijzen dat de duiker was verstopt”, in het licht van wat is opgenomen in de punten 2 en 10 van de nadere akte van 13 september 2006) te weinig onderhoud heeft gepleegd aan de duiker onder de Wildersekade naast het bedrijf van [appellant], waardoor deze ten tijde van de wateroverlast verstopt was; zij stelt dat daardoor het bedrijf is ondergelopen;

b. dat het (aldus begrijpt het hof het vervolg van bovengenoemd punt van de memorie van grieven in het licht van de punten 5 en 12 van genoemde nadere akte) onvoldoende heeft gereageerd op meldingen van [appellant] tijdens de genoemde periode van hevige regenval, dat haar bedrijf dreigde onder te lopen.

Zij biedt van een en ander bewijs aan. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4. Ter zake van het verwijt, bedoeld in rechtsoverweging 3, onder a, heeft het Hoogheemraadschap ten verwere aangevoerd dat hem nog steeds niet duidelijk is op welke duiker [appellant] doelt. Het hof verwerpt dat verweer. In het bij de dagvaarding in eerste aanleg gevoegde expertiserapport is sprake van een duiker onder de Wildersekade. In bijlage 1 bij dat rapport is de plaats van die duiker ten opzichte van het perceel van [appellant] aangeduid en in bijlage 4 bij dat rapport zijn foto’s opgenomen van de plaats van die duiker. Aan de hand daarvan moest het het Hoogheemraadschap duidelijk zijn op welke duiker werd gedoeld. In het begin heeft [appellant] gesteld dat die duiker na de litigieuze regenperiode is vervangen, maar nadat het Hoogheemraadschap dat had betwist, heeft [appellant] bij conclusie van repliek (punt 20, tweede stip) de stelling ingenomen dat het Hoogheemraadschap die duiker onvoldoende heeft onderhouden. In het schriftelijk pleidooi in eerste aanleg heeft [appellant] dat gebrekkig onderhoud gespecificeerd in die zin dat na de litigieuze regenperiode het Hoogheemraadschap de betreffende duiker heeft schoongemaakt en dat toen uit die duiker ontzettend veel afval kwam dat de duiker blijkbaar voor die tijd verstopte. Nu nergens uit blijkt dat [appellant] bij zijn wisselende stellingen in eerste aanleg ter zake van die duiker ooit een andere duiker heeft aangeduid, moest het Hoogheemraadschap ervan uitgaan dat de eerder genoemde duiker is bedoeld.

5. Op het Hoogheemraadschap rust de verplichting om voldoende onderhoud te plegen aan die duikers waarvan de onderhoudsplicht op hem rust, dan wel voldoende toezicht te houden op het plegen van onderhoud indien de onderhoudsplicht bij een ander berust. Aangezien [appellant] in hoger beroep staande houdt dat bovenbedoelde duiker verstopt was omdat zij door het Hoogheemraadschap onvoldoende is onderhouden en daarvan bewijs heeft aangeboden, zal het hof [appellant] toelaten te bewijzen dat deze duiker op 19 september 2001 verstopt was omdat het Hoogheemraadschap niet het noodzakelijke onderhoud heeft gepleegd. Mocht [appellant] erin slagen dat bewijs te leveren, dan zal het hof haar tevens toelaten te bewijzen dat door deze verstopping de overstroming van haar bedrijfsterrein is veroorzaakt.

6. Met betrekking tot het in rechtsoverweging 3, onder b, bedoelde verwijt overweegt het hof als volgt. Dat het Hoogheemraadschap in de periode van 19 tot en met 21 september 2001 niet direct actie heeft ondernomen op meldingen van de zijde van [appellant] betreffende de onderhavige polder (aannemende dat deze hebben plaats gevonden; het Hoogheemraadschap heeft reeds bij conclusie van antwoord aangevoerd dat het in de betreffende periode van [appellant] geen klachten over wateroverlast heeft ontvangen en [appellant] heeft ook in hoger beroep niet gespecificeerd wanneer, door wie en bij wie zij telefonisch heeft doen klagen en wat zij daarbij naar voren heeft doen brengen), acht het hof niet onrechtmatig, gelet op het feit dat in deze calamiteuze situatie het Hoogheemraadschap een zeer groot aantal klachten uit vele hoeken heeft ontvangen (blijkens productie 4 bij de conclusie van antwoord heeft het daartoe extra ondersteuning ingezet). Onder deze omstandigheid diende het Hoogheemraadschap prioriteit te stellen ter zake van de inzet van medewerkers en materiaal zoals noodpompen. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die maken dat aan meldingen van Vogel prioriteit moest worden gegeven. Aangezien het hof bij zijn oordeel ervan is uitgegaan dat van de zijde van [appellant] in de periode van 19 tot en met 21 september 2001 inderdaad meermalen meldingen bij het Hoogheemraadschap zijn gedaan, is het bewijs daarvan niet van belang voor enige door het hof te nemen beslissing en passeert het hof het bewijsaanbod van [appellant] ter zake.

7. In eerste aanleg heeft [appellant] aan het Hoogheemraadschap ook verweten dat het Hoogheemraadschap niet over voldoende bemalingscapaciteit beschikt, zowel structureel als noodbemaling, dat het Hoogheemraadschap beschikt over onvoldoende berging dan wel onvoldoende doorstroming in de watergangen naar de gemalen, er niet voldoende is voorbemalen en dat het Hoogheemraadschap onvoldoende geanticipeerd heeft op de wijziging van de waterhuishouding door de aanleg van de HSL. Voor zover zij met haar grieven beoogt ook deze verwijten in hoger beroep te handhaven, overweegt het hof als volgt. Het Hoogheemraadschap heeft de stellingen van [appellant] van meet af aan gemotiveerd en met producties onderbouwd betwist. In het licht daarvan had het op de weg van [appellant] gelegen voldoende concrete feiten en omstandigheden aan te dragen ter staving van de door haar ingenomen stellingen, bij gebreke waarvan zij niet tot bewijs zal worden toegelaten. Bij schriftelijk pleidooi in eerste aanleg heeft zij, naast herhaling van haar stellingen, niet meer gedaan dan het innemen van enige nieuwe ongespecificeerde stellingen (bijvoorbeeld: er zou iemand damwanden hebben geslagen waardoor watergangen afgesloten waren. Daarbij ontbreekt een aanduiding door wie en waar die damwanden geslagen zijn en welke watergangen daardoor waren afgesloten). Daarnaast heeft zij een TNO-rapport aangeboden. De rechtbank heeft [appellant] vervolgens alsnog in de gelegenheid gesteld haar stellingen te onderbouwen, met de uitdrukkelijke aanwijzing dat per verwijt te doen. Op bovengenoemde punten heeft [appellant] vervolgens niet méér ingebracht dan dat damwanden waren geslagen door de HSL-organisatie. Daarbij heeft zij in het midden gelaten waar en wanneer dat zou zijn gebeurd, welke watergangen daardoor zouden zijn afgesloten en wat het oorzakelijk verband is tussen die afsluiting en het onderlopen van haar bedrijfsterrein. Het TNO-rapport heeft zij niet overgelegd. Gelet hierop heeft de rechtbank [appellant] terecht niet meer toegelaten tot bewijs op deze punten. Voor zover de grieven op deze verwijten in eerste aanleg betrekking hebben, falen ze. Ook in hoger beroep heeft [appellant] op deze punten niets aan haar onderbouwing toegevoegd, zodat het hof daarop niet verder zal ingaan. Hetgeen hiervoor in deze rechtsoverweging is overwogen, is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de overige stellingen in de conclusie van repliek, waarover het Hoogheemraadschap in de conclusie van dupliek heeft opgemerkt dat die woordelijk overeenstemmen met passages uit conclusies in andere zaken, doch dat de in die zaken aan de orde zijnde percelen in andere polders zijn gelegen.

8. Elke verdere beslissing zal worden aangehouden.

Beslissing

Het hof:

- laat [appellant] toe te bewijzen:

a. dat de naast haar perceel gelegen duiker onder de Wildersekade op 19 september 2001 verstopt was wegens niet plegen van noodzakelijk onderhoud door het Hoogheemraadschap;

b. dat deze verstopping de overstroming van haar bedrijfsterrein heeft veroorzaakt;

- bepaalt dat, indien [appellant] bewijs wenst te leveren door het doen horen van getuigen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te ’s-Gravenhage ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. A.V. van den Berg, op 17 april 2009 om 9:30 uur;

- bepaalt dat, indien een der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen en de te horen getuigen in de maanden april tot en met juni van 2009 opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;

- houdt elke verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, A.V. van den Berg en G. Dulek-Schermers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2009 in aanwezigheid van de griffier.