Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BH2475

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-02-2009
Datum publicatie
11-02-2009
Zaaknummer
105.006.269/01 / 07/404 (oud)
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2007:AZ6553, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BN9464, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BN9464
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad. Aansprakelijkheid waterschap voor schade door overstroming; overvloedige regenval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 105.006.269/01

Rolnummer (oud) : 07/404

Rolnummer rechtbank : 04-1463

arrest van de eerste civiele kamer d.d. 10 februari 2009

inzake

[Naam],

wonende te Zevenhuizen (gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle),

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens te 's-Gravenhage,

tegen

HET HOOGHEEMRAADSCHAP VAN SCHIELAND EN DE KRIMPENERWAARD (als rechtsopvolger van het Hoogheemraadschap van Schieland),

zetelende te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: het Hoogheemraadschap,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt te 's-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 20 maart 2007 is [appellant] in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 24 mei 2006 en 10 januari 2007, door de rechtbank Rotterdam gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven heeft [appellant] twee grieven tegen de vonnissen aangevoerd, welke door het Hoogheemraadschap bij memorie van antwoord (met producties) zijn bestreden. Partijen hebben hun zaak schriftelijk doen bepleiten. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak om het volgende. [appellant] is agrarische ondernemer. Hij exploiteert een akkerbouwbedrijf op percelen, gelegen in de Tweemanspolder, de Zuidplaspolder en de Eendragtspolder. Het Hoogheemraadschap is belast met het oppervlaktewaterbeheer in (onder meer) de genoemde polders. Na zeer natte weken is in de periode van 19 tot en met 21 september 2001 sprake geweest van langdurige en hevige regenval.

2. [appellant] heeft, stellende dat percelen van zijn bedrijf in die periode onder water zijn komen te staan en dat het Hoogheemraadschap verwijtbaar heeft nagelaten noodzakelijke maatregelen te treffen ter voorkoming van zijn schade en jegens hem in zijn zorgplicht is tekortgeschoten, bij de rechtbank (na wijziging van eis) gevorderd dat deze het Hoogheemraadschap zal veroordelen zijn schade, op te maken bij staat, te vergoeden, vermeerderd met rente en kosten. De rechtbank heeft de vordering afgewezen.

3. In zijn eerste grief keert [appellant] zich ertegen dat de rechtbank in het vonnis van 24 mei 2006 heeft overwogen dat hij tot op dat moment te weinig heeft onderbouwd waarom het Hoogheemraadschap voor de wateroverlast jegens hem aansprakelijk is. Hij verwijst voor die onderbouwing naar de inleidende dagvaarding, de conclusie van repliek, het schriftelijk pleidooi en de akte (hof: het akteverzoek) van 13 september 2006. Hij klaagt er verder over dat de rechtbank hem in dat tussenvonnis op die grond niet tot bewijs heeft toegelaten. Hij acht het bovendien onjuist dat de rechtbank in dat tussenvonnis heeft overwogen dat hij zijn schade niet aannemelijk heeft gemaakt. Hij wijst daarbij op het door hem overgelegde expertiserapport. De tweede grief is gericht tegen nagenoeg alle overwegingen van de rechtbank in het vonnis van 10 januari 2007. Ter onderbouwing voert [appellant] wederom aan dat hij zijn stellingen en zijn schade in eerste aanleg voldoende heeft onderbouwd en dat de rechtbank hem tot bewijs had moeten toelaten. Hij brengt naar voren dat de rechtbank een deskundigenonderzoek had moeten gelasten, ook zonder dat hij een TNO-rapport in het geding had gebracht. De concrete bezwaren die [appellant] tegen de overwegingen van de rechtbank over het handelen van het Hoogheemraadschap naar voren brengt, bestaan voornamelijk uit herhaling van zijn stellingen en verwijzing naar conclusies en aktes in eerste aanleg. Nieuwe feiten of omstandigheden brengt [appellant] niet naar voren. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4. De rechtbank heeft de vordering afgewezen omdat (kort samengevat) [appellant] nog steeds de exacte ligging van de percelen waar schade is opgetreden, niet heeft aangegeven en dat hij ook heeft nagelaten de watergangen rond die percelen aan te geven, alsmede waar het gebrek aan onderhoud aanwezig was. Een en ander is volgens [appellant] ten onrechte; hij verwijst daarbij naar de punten 20 en 21 van zijn conclusie van repliek.

5. Het door [appellant] aan de rechtbank gemaakte verwijt ter zake van de ligging van de percelen is niet terecht. In de dagvaarding in eerste aanleg heeft [appellant] zijn percelen niet gespecificeerd. Het Hoogheemraadschap heeft vervolgens ten verwere aangevoerd dat hem onduidelijk was op welke percelen [appellant] schade zou hebben geleden. Daarop heeft [appellant] bij conclusie van repliek tevens wijziging van eis uitsluitend gereageerd met een herhaling van zijn stelling dat zijn percelen in vier aangewezen polders zijn gelegen (ter zake waarvan hij ten slotte bij akteverzoek na het tussenvonnis heeft erkend dat één polder niet tot het beheersgebied van het Hoogheemraadschap behoort) en met een verwijzing naar het door hem daarbij overgelegde expertiserapport. De herhaling van zijn stelling voegt aan de onderbouwing daarvan niets toe. Het expertiserapport geeft ook niet meer aan dan dat de percelen zijn gelegen in de eerder genoemde polders. De rechtbank heeft in dat licht in het tussenvonnis terecht overwogen dat [appellant] niet duidelijk heeft gemaakt op welke percelen de gestelde wateroverlast is opgetreden en waar die percelen precies zijn gelegen. De rechtbank heeft [appellant] in het tussenvonnis vervolgens opgedragen daaromtrent allereerst helderheid te verschaffen. [appellant] is daarna desalniettemin stelselmatig in gebreke gebleven de ligging van zijn percelen ook maar op enige wijze te preciseren. Bij voornoemd akteverzoek heeft hij nog wel aangekondigd een duidelijke tekening over te zullen leggen waarop de exacte ligging van de percelen in de betreffende polder wordt aangegeven, doch die heeft de rechtbank niet mogen aantreffen en zij bevindt zich niet bij de processtukken.

6. In hoger beroep heeft [appellant] geen enkele verdere duidelijkheid verschaft ter zake van de ligging van de percelen waarop hij schade heeft geleden, terwijl het voor hem toch een kleine moeite moet worden geacht om van die percelen de kadastrale nummers te vermelden of op een plattegrond de ligging van de percelen aan te geven. Nu hij kennelijk niet in staat of bereid is om aan te geven waar de door hem beweerdelijk geleden schade is opgetreden, komt het hof tot de slotsom dat niet is komen vast te staan dat hij binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap ook maar enige schade heeft geleden door handelen of nalaten van het Hoogheemraadschap ten aanzien van een waterwerk of -systeem dat op percelen van [appellant] van invloed kan zijn. Daarop stuit zijn vordering reeds af. De grieven falen en het hof zal derhalve de vonnissen waarvan beroep bekrachtigen.

7. Ten overvloede overweegt het hof verder als volgt.

7.1 De verdere concrete klachten van [appellant] over het vonnis van de rechtbank inzake aan het Hoogheemraadschap gemaakte verwijten betreffen blijkens rechtsoverweging 2.11 van het eindvonnis van de rechtbank overwegingen van de rechtbank ten overvloede. Reeds om die reden kunnen zij, ook als zij gegrond zouden zijn, niet tot vernietiging van de beslissing van de rechtbank leiden. Bij behandeling daarvan heeft [appellant] daarom geen belang.

7.2 Nu niet is komen vast te staan dat [appellant] in verband met het waterbeheer door het Hoogheemraadschap voor en tijdens de regenval in de periode van 19 tot en met 21 september 2001 schade heeft geleden, heeft het hof geen behoefte aan het benoemen van een deskundige. Indien [appellant] zelf iets door een deskundigenrapport had willen aantonen, heeft hij daartoe vanaf het najaar van 2001 de gelegenheid gehad.

8. Bij bekrachtiging van de bestreden vonnissen past een kostenveroordeling van [appellant]. Tot de gevorderde kosten behoren de nakosten. Het hof zal de nakosten, anders dan het Hoogheemraadschap vraagt, thans niet vaststellen, omdat de vaststelling van de kosten ingevolge artikel 237, derde lid, Rv beperkt blijft tot de vóór de uitspraak gemaakte kosten.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 24 mei 2006 en 10 januari 2007;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van het Hoogheemraadschap tot op heden vastgesteld op € 300,- aan verschotten en € 1.788,- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, A.V. van den Berg en G. Dulek-Schermers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2009 in aanwezigheid van de griffier.