Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BH2472

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-02-2009
Datum publicatie
11-02-2009
Zaaknummer
105.006.267/01 / 07/402 (oud)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad. Aansprakelijkheid waterschap voor schade door overstroming; overvloedige regenval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 105.006.267/01

Rolnummer (oud) : 07/402

Rolnummer rechtbank : 05-827

arrest van de eerste civiele kamer d.d. 10 februari 2009

inzake

[Naam],

wonende te Bleiswijk (gemeente Lansingerland),

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens te 's-Gravenhage,

tegen

HET HOOGHEEMRAADSCHAP VAN SCHIELAND EN DE KRIMPENERWAARD (als rechtsopvolger van het Hoogheemraadschap van Schieland),

zetelende te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: het Hoogheemraadschap,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt te 's-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 20 maart 2007 is [appellant] in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 13 juli 2005 en 10 januari 2007, door de rechtbank Rotterdam gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven heeft [appellant] twee grieven aangevoerd, welke door het Hoogheemraadschap bij memorie van antwoord (met producties) zijn bestreden. Partijen hebben hun zaak schriftelijk doen bepleiten. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Tegen het vonnis van de rechtbank van 13 juli 2005 heeft [appellant] geen grief gericht, zodat hij in zijn hoger beroep daartegen niet kan worden ontvangen.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende. [appellant] is agrarisch ondernemer. Hij exploiteert een akkerbouwbedrijf onder meer op twee percelen, gelegen in de Tweemanspolder. Het Hoogheemraadschap is belast met het oppervlaktewaterbeheer in (onder meer) de genoemde polder. Na zeer natte weken is in de periode van 19 tot en met 21 september 2001 sprake geweest van langdurige en hevige regenval. De percelen van [appellant] zijn in die periode onder water komen te staan.

3. [appellant] heeft bij de rechtbank oorspronkelijk gevorderd dat deze het Hoogheemraadschap zal veroordelen zijn schade, op te maken bij staat, te vergoeden, vermeerderd met rente en kosten, alsmede tot het treffen van voorzieningen zodat een normale afvloeiing in de polder kan plaatsvinden, op straffen van een dwangsom. Tijdens de comparitie van partijen heeft [appellant] zijn vordering tot het treffen van voorzieningen ingetrokken. Bij conclusie van repliek heeft hij vervolgens zijn volledige vordering alsnog gehandhaafd. De rechtbank, er blijkens rechtoverweging 2 van het vonnis van 10 januari 2007 van uitgaande dat de vordering tot het treffen van maatregelen tijdens de comparitie was ingetrokken, heeft daarop in dat vonnis niet meer beslist. Aangezien [appellant] tegen rechtsoverweging 2 van dat vonnis geen grief heeft gericht, gaat het hof ervan uit dat [appellant] zijn vordering tot het treffen van maatregelen in hoger beroep niet handhaaft. De rechtbank heeft de vordering voor het overige afgewezen.

4. In zijn eerste grief keert [appellant] zich tegen een groot aantal overwegingen van de rechtbank in het vonnis van 10 januari 2007. Ter onderbouwing voert [appellant] aan dat hij zijn stellingen in eerste aanleg voldoende heeft onderbouwd en dat de rechtbank hem tot bewijs had moeten toelaten of een deskundige had moeten raadplegen. Hij verwijst daarbij naar de conclusie van repliek. Hij brengt naar voren dat sprake is van falen van het watersysteem als gevolg van het falen van het Hoogheemraadschap. Hij geeft ook aan dat hij het Hoogheemraadschap niet alleen op en na 19 september 2001 heeft benaderd, maar dat hij het Hoogheemraadschap ook al medio september 2001 heeft gewaarschuwd, en biedt daarvan bewijs aan. Hij brengt verder naar voren dat het Hoogheemraadschap tijdens de regenval eerder had moeten reageren dan het heeft gedaan en dat de regenval in de betreffende periode, vergeleken met eerdere situaties, niet exceptioneel was. Hij handhaaft zijn stelling dat de bemalingscapaciteit toen niet voldoende was en dat het Hoogheemraadschap bij het realiseren van voldoende bemalingscapaciteit is tekortgeschoten. Hij brengt naar voren dat na de hier bedoelde periode de bemalingscapaciteit is vergroot en dat nadien nooit meer wateroverlast is ondervonden. Hij voert tevens aan dat het Hoogheemraadschap toezicht had moeten houden op de uitvoering van de onderhoudswerkzaamheden door het recreatieschap en dat, aangezien het Hoogheemraadschap het krooswerk kennelijk tot zijn taak rekent, het daarop ook mag worden aangesproken. Hij biedt aan te bewijzen dat de duiker onder de Molenweg verstopt was en houdt het Hoogheemraadschap daarvoor verantwoordelijk. Ook handhaaft hij het verwijt dat het Hoogheemraadschap onvoldoende heeft voorbemalen. Hij biedt wederom van een en ander bewijs aan, ook van het bestaan en de omvang van zijn schade en het causaal verband tussen schade en optreden van het Hoogheemraadschap. De tweede grief strekt ertoe het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof te onderwerpen. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5. Het hof stelt voorop dat het antwoord op de vraag hoever de verplichtingen van het Hoogheemraadschap die voortvloeien uit zijn waterbeheerstaak, zich uitstrekken, mede afhangt van de financiële en andere middelen die het Hoogheemraadschap ter beschikking staan, en dat aan het Hoogheemraadschap dienaangaande een zekere beleidsvrijheid niet kan worden ontzegd. Ter zake van het verwijt dat het Hoogheemraadschap jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld door niet, voorafgaand aan de hevige regenval van 19 tot en met 21 september 2001, voldoende bemalingscapaciteit te verwezenlijken, geldt dat dat door het Hoogheemraadschap wordt betwist. Uit de door het Hoogheemraadschap overgelegde processtukken en producties blijkt het volgende.

5.1 Op 26 november 1997 heeft de Verenigde Vergadering van het Hoogheemraadschap, onder intrekking van de nota Beleidsuitgangspunten Waterkwantiteitsbeheer 1988, de nota Waterkwantiteitsbeheer Schieland vastgesteld (verder: de nota), onder meer teneinde de voor het waterkwantiteitsbeheer vastgelegde uitgangspunten aan te passen aan de op dat moment geldende inzichten. De nota bevat onder meer voor elk van de gebiedstypen (waaronder akkerbouwgebieden) richtlijnen voor de drooglegging, een normering ten aanzien van het gedrag van het watersysteem aan de hand van kritische waterpeilen en de frequentie van overschrijding daarvan (de faalkans) en richtlijnen voor de benodigde waterberging en bemalingscapaciteit.

5.2 Voorts heeft het Hoogheemraadschap naar aanleiding van wateroverlast ten gevolge van uitzonderlijk harde regenval die in het najaar van 1998 elders in Nederland is opgetreden, een onderzoek gestart naar de waterhuishouding in zijn gebied onder extreme neerslagsituaties. In dat kader is in september 1999 een aantal knelpunten aan de orde gesteld en is op basis van de beschikbare kennis en informatie besloten tot maatregelen. Deze waren op 19 september 2001 deels voltooid en deels nog in uitvoering. Tot de volgende fasen van het onderzoek en de besluitvorming behoorden het opstellen van een normering voor polders en boezems onder extreme omstandigheden, alsmede het toetsen van het systeemgedrag en het ontwikkelen van maatregelen voor achtereenvolgens de boezems en de polders. De hierbij te onderzoeken maatregelen zijn bij de besluitvorming in september 1999 aangeduid.

5.3 Ten slotte heeft het Hoogheemraadschap vóór 19 september diverse maatregelen genomen tot verbetering van de waterberging en de bemalingscapaciteit in zijn gebied.

6. Op aldus door het Hoogheemraadschap onderbouwde verweren terzake heeft [appellant] slechts gereageerd in algemene termen en door herhaling van zijn stelling dat de bemalingscapaciteit onvoldoende was. De enkele omstandigheid dat naderhand de bemalingscapaciteit is vergroot en dat vervolgens geen overlast meer is ondervonden, betekent niet dat de bemalingscapaciteit in de Tweemanspolder ten tijde van de onderhavige regenperiode niet aan de toen geldende eisen voldeed. Een andere onderbouwing van zijn stelling dat de bemalingscapaciteit onvoldoende was, geeft [appellant] niet. Gelet hierop is het hof, mede in het licht van hetgeen het in de rechtsoverwegingen 5.1 tot en met 5.3 heeft overwogen, van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het Hoogheemraadschap nalatig is geweest om in de Tweemanspolder vóór 19 september 2001 voldoende bemalingscapaciteit te realiseren, dan wel anderszins bij zijn beleidsvorming en uitvoering en het nemen van structurele maatregelen onvoldoende heeft ingespeeld op de zwaardere belasting van de waterhuishouding door diverse ontwikkelingen. Dat die maatregelen op 19 september 2001 nog niet waren voltooid, acht het hof niet onrechtmatig, waarbij bedacht moet worden dat het gaat om omvangrijke programma’s van maatregelen, waarvan een aantal een grote investering vergt, dat ingrepen in het waterhuishoudkundig systeem in onderlinge samenhang dienen te worden genomen en dat ook bij de inzet van ambtelijke capaciteit prioriteit moet worden gesteld.

7. Het hof zal in het midden laten of in de periode van 19 tot en met 21 september 2001 sprake was van uitzonderlijke omstandigheden. Het Hoogheemraadschap heeft ten verwere aangevoerd dat op 20 en 21 september volgens het meetpunt hij het langs de Tweemanspolder gelegen gemaal De Kooi in totaal 104 mm regen is gevallen. [appellant] heeft daar wel lagere neerslaggegevens tegenover gezet, doch deze hebben betrekking op de hele regio Rotterdam en hij heeft niet aangegeven waar deze zijn gemeten. Het hof zal daarom van de neerslaggegevens van het Hoogheemraadschap uitgaan. Aangezien de bemalingscapaciteit (waarover in rechtsoverweging 6 is overwogen dat het Hoogheemraadschap terzake niet onrechtmatig nalatig is geweest) bijna 18 mm per dag was, kon wateroverlast door het Hoogheemraadschap in de betreffende periode niet voorkomen worden. Dat is op zichzelf jegens [appellant] niet onrechtmatig.

8. [appellant] heeft naar voren gebracht dat overstroming behalve door onvoldoende bemalingscapaciteit mede is veroorzaakt doordat het Hoogheemraadschap niet heeft voorbemalen. Het Hoogheemraadschap heeft daar tegenover gesteld dat het, hoewel het daartoe niet gehouden is, wel degelijk heeft voorbemalen. Uit de door het Hoogheemraadschap overgelegde productie Maatregelen wateroverlast Schieland 2001, dat betrekking heeft op de litigieuze periode van wateroverlast, blijkt dat in de dagen, voorafgaande aan de regenval van 19-21 september 2001, in grote delen van Schieland is voorbemalen. [appellant] heeft dat ook niet betwist, maar aangevoerd dat daarmee niet is bewezen dat in de Tweemanspolder is voorbemalen. Tussen partijen staat daarmee vast dat voorbemaling als peilbeheersingsinstrument in de betreffende periode door het Hoogheemraadschap werd toegepast. Het hof is van oordeel dat, gelet op de afweging van belangen die bij de vaststelling van het waterpeil en bij de maatregelen tot peilbeheersing dient te geschieden, aan het Hoogheemraadschap beleidsvrijheid toekomt om te bepalen wanneer, waar en tot welk niveau voorbemaling dient plaats te vinden. Zelfs als zou komen vast te staan dat in de Tweemanspolder niet is voorbemalen, dan leidt dat op zichzelf niet tot de conclusie dat daarmee het Hoogheemraadschap tegenover [appellant] onrechtmatig nalatig is geweest. Het bewijsaanbod van [appellant] wordt daarom gepasseerd, voor zover het daarop betrekking heeft. [appellant] stelt niet dat hij voorafgaand aan de regenval van 19-21 september 2001 het Hoogheemraadschap uitdrukkelijk om voorbemaling heeft gevraagd, zodat er geen reden is om aan te nemen dat het Hoogheemraadschap gehouden was op dat verzoek te beslissen. Evenmin heeft [appellant] feiten of omstandigheden naar voren gebracht die aannemelijk maken dat in de onderhavige periode nu juist in de Tweemanspolder had moeten worden voorbemalen. Dat leidt het hof tot de slotsom dat [appellant] zijn stelling dat het Hoogheemraadschap onrechtmatig jegens hem nalatig is geweest door niet of onvoldoende voor te bemalen, onvoldoende heeft onderbouwd om terzake nog tot bewijs te worden toegelaten.

9. Ter zake van het verwijt van [appellant] dat het Hoogheemraadschap tijdens de betreffende regenperiode onvoldoende voortvarend is opgetreden en niet op zijn klachten heeft gereageerd, heeft het Hoogheemraadschap ten verwere met stukken onderbouwd aangevoerd dat het adequaat op de ontstane noodsituatie heeft gereageerd en de beschikbare middelen heeft benut om wateroverlast te voorkomen en te bestrijden, alsmede dat van [appellant] gedurende september 2001 geen klacht of waarschuwing geregistreerd is. Ter zake heeft [appellant] in de brief ten behoeve van de comparitie van partijen in eerste aanleg naar voren doen brengen dat hij en andere agrariërs tussen 19 en 21 september 2001 diverse malen het Hoogheemraadschap telefonisch hebben benaderd over de situatie in de Tweemanspolder, hebben gewaarschuwd en met het Hoogheemraadschap overleg hebben gevoerd. Bij conclusie van repliek heeft hij nog te berde gebracht dat hij en andere agrariërs het Hoogheemraadschap medio september en ook op 21 september (2001) hebben gewaarschuwd voor de problematiek die zou gaan ontstaan en dat het mis zou gaan. Het Hoogheemraadschap heeft zijn betwisting gehandhaafd. In hoger beroep heeft [appellant] onder verwijzing naar de conclusie van repliek zijn stellingen herhaald en bewijs daarvan aangeboden.

10. Met betrekking tot het optreden van het Hoogheemraadschap tijdens de hevige regenval van 19 tot en met 21 september 2001 en het reageren op klachten en meldingen van [appellant] in die periode overweegt het hof als volgt. Het Hoogheemraadschap heeft onder verwijzing naar een als productie 5 bij de conclusie van antwoord overgelegd rapport onder meer aangevoerd dat zij in die periode meerdere noodpompen heeft ingezet op verschillende locaties. De vraag waar, wanneer en hoe noodpompen moeten worden ingezet in een noodsituatie als de onderhavige behoort tot de beleidsvrijheid van de rampenorganisatie van het Hoogheemraadschap; bij de toetsing daarvan past het hof terughoudendheid. Het hof is van oordeel dat [appellant] onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht om de conclusie te wettigen dat het Hoogheemraadschap op die dagen bij het reageren op de regenval zodanig verkeerde keuzes heeft gemaakt dat onrechtmatig jegens [appellant] is gehandeld. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat niet is gesteld of gebleken dat bij [appellant] sprake was van gevaar voor de gezondheid of het leven van personen of van het risico voor het onderlopen van woonwijken.

11. Dat het Hoogheemraadschap in de periode van 19 tot en met 21 september 2001 niet direct actie heeft ondernomen op meldingen van [appellant] en anderen (aannemende dat deze hebben plaats gevonden; het Hoogheemraadschap heeft dat wat [appellant] zelf betreft betwist) acht het hof evenmin onrechtmatig, gelet op het feit dat in deze calamiteuze situatie het Hoogheemraadschap een zeer groot aantal klachten uit vele hoeken heeft ontvangen (blijkens productie 5 bij de conclusie van antwoord heeft het daartoe extra ondersteuning ingezet). Onder deze omstandigheid diende het Hoogheemraadschap prioriteit te stellen ter zake van de inzet van medewerkers. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die maken dat aan meldingen van [appellant] prioriteit moest worden gegeven. Aangezien het hof bij zijn oordeel ervan is uitgegaan dat door [appellant] en/of anderen in de periode van 19 tot en met 21 september 2001 inderdaad meermalen meldingen bij het Hoogheemraadschap zijn gedaan, is het bewijs daarvan niet van belang voor enige door het hof te nemen beslissing en passeert het hof het bewijsaanbod van [appellant] ter zake.

12. Ter zake van de beweerde meldingen van [appellant] en anderen vóór 19 september 2001 overweegt het hof als volgt. Deze zijn eveneens door het Hoogheemraadschap gemotiveerd betwist; de rechtbank heeft geoordeeld dat ze door [appellant] onvoldoende zijn gespecificeerd. In het licht hiervan had het op de weg van [appellant] gelegen zijn betoog op dit punt in hoger beroep verder te onderbouwen, in het bijzonder ter zake van de vragen wanneer, door wie, hoe en bij welke persoon deze meldingen zijn gedaan en wat de inhoud van die meldingen zou zijn geweest. [appellant] heeft in hoger beroep niet méér gedaan dan verwijzen naar zijn stukken in eerste aanleg. Dat acht het hof in dit stadium van het debat tussen partijen een onvoldoende onderbouwing, waarbij het opmerkt dat de herhaling van stellingen niet bijdraagt aan de onderbouwing ervan. Het hof zal daarom [appellant] ook op dit punt niet tot bewijs toelaten.

13. Met betrekking tot de verwijten die [appellant] het Hoogheemraadschap ter zake van het onderhoud heeft gemaakt, overweegt het hof als volgt. In concreto stelt [appellant] dat in de Boventocht teveel slootvuil aanwezig was, waardoor het water niet doorliep, en dat de duiker onder de Molenweg verstopt was. Het Hoogheemraadschap heeft onbetwist gesteld dat de onderhoudsplicht van de Boventocht slechts wat betreft het baggeren bij hem lag en voor het overige bij een recreatieschap, dat de onderhoudsplicht van de duiker eveneens bij het recreatieschap berust en dat het zelf de Boventocht laatstelijk in 1998 heeft gebaggerd. [appellant] heeft vervolgens aangevoerd dat het Hoogheemraadschap nalatig is geweest in zijn toezicht op de onderhoudsplichtige. Daartegenover heeft het Hoogheemraadschap gesteld dat het structureel jaarlijks in november en december toezicht houdt door een schouw en dat het daarbuiten toezicht houdt door klachten van ingelanden te registreren en uit te zetten bij medewerkers die vervolgens onderzoek doen. Het heeft aangegeven dat het voorafgaand aan de onderhavige regenperiode van [appellant] geen meldingen heeft ontvangen. De rechtbank heeft in haar eindvonnis overwogen dat het Hoogheemraadschap er niet op was gewezen dat de relevante werkzaamheden in de Boventocht nog niet waren verricht en dat niet is gesteld of gebleken dat het Hoogheemraadschap er vóór 19 september 2001 op is gewezen dat er problemen met betrekking tot de duiker waren. Op deze gronden heeft de rechtbank overwogen dat het Hoogheemraadschap niet onzorgvuldig jegens [appellant] heeft gehandeld.

14. In hoger beroep heeft [appellant] niet gesteld dat het baggeren in 1998 of de schouw in 2000 achterwege is gebleven. Zoals reeds uit rechtsoverweging 12 volgt, heeft [appellant] evenmin voldoende onderbouwd dat hij of anderen vóór 19 september 2001 het Hoogheemraadschap hebben gewaarschuwd omtrent het slootvuil en de duiker. Hij heeft slechts gesteld dat het Hoogheemraadschap krooswerk heeft verricht toen het te laat was en dat het daarop mag worden aangesproken, alsmede dat aangenomen moet worden dat het Hoogheemraadschap bekend was met de verstopping van de duiker, althans dat het Hoogheemraadschap verondersteld dient te worden daarmee bekend te zijn geweest. Feiten of omstandigheden waarop deze aanname of veronderstelling berust, heeft [appellant] niet aangedragen, terwijl dat in het licht van de gemotiveerde stellingname van het Hoogheemraadschap op zijn weg had gelegen. [appellant] heeft zijn stelling dat het Hoogheemraadschap onrechtmatig nalatig is geweest ter zake van de duiker daarom naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd en zal daarom niet tot bewijs daarvan worden toegelaten. Bewijs dat de duiker werkelijk verstopt was, kan daaraan niets veranderen, zodat het hof het bewijsaanbod van [appellant] op dit punt passeert. De enkele omstandigheid dat het Hoogheemraadschap in de onderhavige regenperiode eenmaal krooswerk verricht, leidt er niet toe dat het verantwoordelijk kan worden gehouden voor eventuele eerdere gebreken aan het krooswerk waarvan het niet op de hoogte is. Indien [appellant] de stelling wil betrekken dat het Hoogheemraadschap ook eerder het krooswerk heeft verricht, dan geldt hiervoor eveneens dat [appellant] deze stelling niet heeft onderbouwd en daarom voor bewijs geen plaats is, nog daargelaten dat het gestelde niet met zich brengt dat het Hoogheemraadschap ook (kort) voor 19 september 2001 wederom krooswerk moest verrichten. Het bovenstaande brengt het hof tot de slotsom dat niet aannemelijk is geworden (laat staan dat is komen vast te staan) dat het Hoogheemraadschap jegens [appellant] onrechtmatig nalatig is geweest met betrekking tot zijn onderhouds- en toezichtverplichtingen.

15. In de pleitnotities schriftelijk pleidooi voor het hof in onder meer de onderhavige zaak heeft het hof onder “[appellant]” nog de stelling aangetroffen dat het Hoogheemraadschap heeft nagelaten maatregelen te nemen nadat de waterhuishoudkundige situatie door de aanleg van de HSL is gewijzigd. Deze stelling, die door het Hoogheemraadschap gemotiveerd is betwist, ontbeert zowel in de bedoelde pleitnotities als elders in het dossier elke onderbouwing, in het bijzonder met betrekking tot de vragen waaruit die maatregelen hadden moeten bestaan en waarom het achterwege daarvan in oorzakelijk verband staat met de schade van [appellant]. Het hof kan dus niet anders dan deze stelling verwerpen.

16. De slotsom is, dat niet is komen vast te staan dat het Hoogheemraadschap jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld of nagelaten. Aangezien van een onrechtmatige daad van het Hoogheemraadschap geen sprake is, komt het hof niet toe aan de omvang van de door [appellant] geleden schade. Het passeert daarom het bewijsaanbod op dit punt van [appellant].

17. Het bovenoverwogene leidt ertoe dat de grieven falen en dat het vonnis van de rechtbank in deze zaak van 10 januari 2007 dient te worden bekrachtigd. Daarbij past een kostenveroordeling van [appellant]. Tot de gevorderde kosten behoren de nakosten. Het hof zal de nakosten, anders dan het Hoogheemraadschap vraagt, thans niet vaststellen, omdat de vaststelling van de kosten ingevolge artikel 237, derde lid, Rv beperkt blijft tot de vóór de uitspraak gemaakte kosten.

Beslissing

Het hof:

- verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 juli 2005;

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 januari 2007;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van het Hoogheemraadschap tot op heden vastgesteld op € 300,- aan verschotten en € 1.788,- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, A.V. van den Berg en G. Dulek-Schermers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2009 in aanwezigheid van de griffier.