Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BH2213

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-01-2009
Datum publicatie
09-02-2009
Zaaknummer
200.015.782.01, 200.015.792.01, 200.015.823.01 en 200.015.827.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling partner- kinderalimentatie: behoefte vrouw en behoefte kinderen. Zie ook LJNummers BH2212 en BH2216. Geen draagkracht ten gevolge van kredietcrisis. Omgangsregeling/ouderschapsonderzoek.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Burgerlijk Wetboek Boek 1 392
Burgerlijk Wetboek Boek 1 404
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2009/48
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 4 februari 2009

Zaaknummers : 200.015.782.01 en 200.015.792.01

200.015.823.01 en 200.015.827.01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-3827

In de zaken met de zaaknummers: 200.015.782.01 en 200.015.792.01

[appellant]

wonende te [woonplaats]]

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E.M. Kostense,

tegen

[geïntimeerde]

wonende te [woonplaats]]

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. F.M.J.A. Lohuis.

In de zaken met de zaaknummers: 200.015.823.01 en 200.015.827.01

[appellant]

wonende te [woonplaats]]

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. F.M.J.A. Lohuis,

tegen

[geïntimeerde]

wonende te [woonplaats]]

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E.M. Kostense.

HET VERDERE PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

1. De man is op 12 september 2008 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank te `s-Gravenhage d.d. 12 juni 2008, tevens heeft hij daarbij een verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraadverklaring van de beschikking van de rechtbank gedaan.

2. Bij beschikking van dit hof van 13 januari 2009 is:

1) de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar primaire en subsidiaire verzoeken terzake de door de rechtbank uitgesproken echtscheiding; en

2) is het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de beschikking van 12 juni 2008 terzake de kinder- en partneralimentatie toegewezen, totdat over de kinder- en partneralimentatie onherroepelijk zal zijn beslist.

3. Van de zijde van de man is bij het hof een brief van 16 december 2008 met bijlage ingekomen.

4. Van de zijde van de man is op 24 december 2008 nog een brief ingekomen over de wijze van behandeling op 13 januari 2009.

5. De vrouw is 12 september 2008 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank te `s-Gravenhage van 12 juni 2008 en zij heeft op 16 december 2008 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

6. De man heeft op 18 december 2008 een verweerschrift tevens incidenteel beroep ingediend .

7. Op 13 januari 2009 zijn de zaken gezamenlijk mondeling behandeld. De man werd bijgestaan door zijn advocaten mrs. E.M. Kostense en L.E. Leunissen. Voorts was ter zitting aanwezig de financieel [adviseur]]

8. De vrouw werd bijgestaan door haar advocaat mr. F.M.J.A. Lohuis. Voorts was aanwezig de financieel adviseur van de vrouw [adviseur]

9. Beide partijen hebben aan de hand van een pleitnota een toelichting gegeven op het onderhavige geschil.

10. Tevens heeft de heer O. Ente namens de raad voor de kinderbescherming ter terechtzitting zijn standpunt toegelicht inzake de omgangsregeling en de informatieverplichting.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

13. Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

14. Bij die beschikking is de echtscheiding uitgesproken en is onder meer - uitvoerbaar bij voorraad - bepaald dat:

de minderjarigen bij de man zullen zijn: gedurende één weekend per veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 17.30 uur, waarbij de minderjarigen door de man bij de vrouw worden opgehaald en door de man naar de vrouw worden teruggebracht, alsmede één woensdagmiddag per veertien dagen direct na schooltijd tot 17.00 uur, waarbij de minderjarigen door de man uit school worden gehaald en door de man bij de vrouw worden teruggebracht, alsmede gedurende de helft van de vakantie- en feestdagen, welke vakantie- en feestdagen voor het schooljaar 2008/2009 als volgt worden ingevuld:

in de zomervakantie 2008: gedurende twee weken, ingaande 28 juni 2008 om 12.00 uur en gedurende één week, ingaande 28 juli 2008 om 12.00 uur; gedurende de kerstvakantie 2008: de eerste week: gedurende de voorjaarsvakantie 2009: de tweede week; gedurende de meivakantie 2009: de tweede week.

In het schooljaar 2009/2010 zullen de weken van de herfstvakantie en de meivakantie worden omgekeerd;

voorts is bepaald dat de vrouw met ingang van de dag van het wijzen van deze beschikking de man terstond mondeling of schriftelijk informatie dient te verschaffen en dient te consulteren over (medische) noodsituaties aangaande de minderjarigen, alsmede dat de vrouw de man eenmaal per drie maanden schriftelijk dient te informeren over de medische situatie van de minderjarigen, alsmede zo vaak als nodig is met het oog op een verantwoorde medicijn toediening door de man aan de minderjarigen;

tevens dat de man, met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen aan de vrouw, die de minderjarigen verzorgt en opvoedt, zal betalen een bedrag van € 1.000, - per maand per kind, telkens hij vooruitbetaling te voldoen;

tenslotte dat de man met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tegen kwijting aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 2.766, - per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, te vermeerderen met de navolgende emolumenten:

de man dient aan de vrouw te voldoen 60% van een eventuele door de man te ontvangen cashbonus; de man dient aan de vrouw te voldoen 60% van het door de man na 29 juni 2007 genoten en te genieten dividend op de geveste aandelen per jaar, althans voor zover deze aandelen niet vallen onder de tussen partijen op 23 mei 2007 gesloten vaststellingsovereenkomst, indien en voorzover het dividend in liquide middelen wordt uitgekeerd; de man dient aan de vrouw over te dragen 60% van de na 29 juni 2007 vestende aandelen, inclusief de aandelen [bedrijfsnaam] 2007 doch exclusief de aandelen welke reeds in de vaststellingsovereenkomst zijn benoemd, waarbij voor de waardebepaling wordt uitgegaan van de waarde van de aandelen ten tijde van de toekenning in onvoorwaardelijke aandelen; en is bepaald dat de door de man te betalen bijdrage tot levensonderhoud van de vrouw inclusief de genoemde emolumenten wordt gemaximeerd op een bedrag van in totaal € 11.900,- bruto per maand.

15. Voorzover tegen de feiten geen grief is gericht gaat het hof uit van de door de rechtbank vastgesteld feiten.

DE VERDERE BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN INCIDENTELE BEROEP

Algemeen

16. De man verzoekt het hof, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van de rechtbank te `s-Gravenhage van 12 juni 2008 tussen partijen gewezen onder kenmerk 290412 FA RK 07-3827 te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

1) een omgangsregeling tijdens de vakanties vast te stellen in die zin, dat de man de beide minderjarige kinderen van partijen bij zich mag hebben gedurende de helft van de vakantie- en feestdagen, als volgt:

zomervakantie: de eerste drie weken in de oneven jaren en de tweede drie weken in de even jaren;

herfstvakantie: in de oneven jaren (zodat de kinderen in de even jaren bij de vrouw zijn);

kerstvakantie: in de eerste week in de even jaren, inclusief de kerstdagen, en in de tweede week in de oneven jaren, inclusief oud- en nieuw;

voorjaarsvakantie: in de oneven jaren (zodat de kinderen in de even jaren bij de vrouw zijn);

tweede paasdag en het weekend daaraan voorafgaand: in de even jaren (zodat de kinderen in de oneven jaren bij de vrouw zijn);

meivakantie: in de tweede week in de oneven jaren, en in de eerste week in de even jaren;

Hemelvaart, de vrijdag er na en het daaropvolgende weekend: in de oneven jaren (zodat de kinderen in de even jaren bij de vrouw zijn);

tweede Pinksterdag en het weekend daaraan voorafgaand: in de even jaren (zodat de kinderen in de oneven jaren bij de vrouw zijn);

althans een deskundige, bij voorkeur een forensisch mediator, te benoemen om rapport uit te brengen aan het hof over de definitieve invulling van de omgangsregeling, dan wel de raad voor de kinderbescherming te verzoeken te bemiddelen en advies uit te brengen zoals in het appelschrift sub 11 tot en met 15 is vermeld;

2) te bepalen dat de vrouw de man direct informeert over alle bezoeken en consultaties van en aan artsen en/of paramedici met betrekking tot de kinderen, zowel inhoudelijk als wat betreft het tijdstip, de namen en contactgegevens van de behandelend artsen, paramedici alsmede dat de vrouw gehouden is de man minimaal één keer per maand schriftelijk te informeren over de medische situatie van de minderjarigen en over medicijntoediening, voor zover aan de orde, alsmede te bepalen dat de vrouw de man direct dient te consulteren en te informeren over zaken betreffende school en opleiding van de kinderen, zoals schoolkeuzes, huiswerkbegeleiding en andere zaken met betrekking tot de opleiding/school, hobby`s en sporten, bij voorkeur per e-mail en in spoedeisende gevallen per telefoon of per sms; althans een deskundige, bij voorkeur een forensische mediator, te benoemen, die het hof adviseert over de definitieve consultatie- en informatieregeling dan wel de raad voor de kinderbescherming te verzoeken te bemiddelen en te adviseren zoals in het appelschrift sub 16 en 17 is vermeld;

3) de verzochte bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van der partijen kinderen af te wijzen;

4) de verzochte bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw af te wijzen;

5) uitdrukkelijk te bepalen dat de vrouw hetgeen zij ter zake kinder- en partneralimentatie te veel zal hebben ontvangen, dient terug te betalen aan de man binnen veertien dagen na betekening van de te dezen te wijzen beschikking, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van de onderscheiden data van voldoening door de man;

6) ter zake de afwikkeling huwelijksvoorwaarden vast te stellen dat er geen sprake is van overgespaard inkomen anders dan in de vaststellingsovereenkomst d.d. 23 mei 2007 is overeengekomen;

7) de verdeling van de gezamenlijk inboedel per 29 juni 2007 met gesloten beurzen vast te stellen, in de zin dat partijen om de beurt een keuze maken uit de gezamenlijke inboedel, waarbij het hof bepaalt wie van partijen als eerste mag kiezen, althans een zodanige verdeling van de inboedel vast te stellen als uw hof in goede justitie zal vermenen te behoren;

8) te schorsen de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de beschikking van 12 juni 2008 terzake de kinder- en partneralimentatie onherroepelijk zal zijn beslist.

17. In incidenteel appel verzoekt de vrouw, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

9) een beperkte omgangsregeling vast te stellen met dien verstande dat de omgang beperkt is tot een tweewekelijkse weekendomgang van zaterdagochtend na sportactiviteiten tot zondagavond en daarnaast gedurende twee weken in de zomervakantie, meer subsidiair de raad voor de kinderbescherming te verzoeken te bemiddelen c.q. een advies uit te brengen;

10) te verklaren voor recht dat de vrouw behoefte heeft aan partneralimentatie ad

€ 25.000,00 bruto per maand en een kinderalimentatie ad € 2.000,00 per maand per kind;

11) de door de vrouw in eerste aanleg verzochte partneralimentatie, subsidiair een door het hof in goede justitie te bepalen partneralimentatie, toe te wijzen;

13) de door de vrouw in eerste aanleg verzochte kinderalimentatie, subsidiair een door het hof in goede justitie te bepalen kinderalimentatie, toe te wijzen;

14) te bepalen dat de door de vrouw te maken executiekosten vanwege niet/niet tijdig betalen van de partner- en kinderalimentatie voor rekening van de man zijn;

15) te bepalen dat de bij de notaris in depot staande beëindigingsvergoeding dient tot betaling van de vordering alimentatieachterstand, waaronder huurachterstand, welke de vrouw heeft op de man;

16) te vernietigen de beslissing van de rechtbank inzake het huurrecht van de echtelijke woning;

17) terzake de afwikkeling huwelijksvoorwaarden de man te verplichten aan de vrouw alle relevante financiële bescheiden betreffende de periode vanaf 1 januari 2007 tot 29 juni 2007 ter hand te stellen, naast de informatie met betrekking tot de waarde/verkoopopbrengst van beide bij de man vanaf juni 2007 in gebruik zijnde BMW`s, alsmede de betaling van de door de man aangeschafte nieuwe inrichting;

18) de inboedel uit de voormalige echtelijke woning van partijen met gesloten beurzen te verdelen, aldus dat ieder van partijen houdt hetgeen hij/zij thans onder zich heeft zonder verdere verrekening.

18. De vrouw verzoekt in haar principaal appel:

1) primair de beschikking van de rechtbank Den Haag d.d. 12 juni 2008 in hoger beroep te vernietigen, voorzover daarin de echtscheiding wordt uitgesproken en opnieuw rechtdoende de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn echtscheidingsverzoek;

2) subsidiair, voorzover het hof de echtscheidingsbeschikking bekrachtigt, de band tussen de echtscheiding en nevenvoorzieningen in stand te laten;

3) meer subsidiair, opnieuw rechtdoende in hoger beroep, alsnog toe te wijzen de door de vrouw in eerste aanleg verzochte partner- en kinderalimentatie;

4) althans onder verbetering van rechtsgronden te oordelen dat de vrouw en kinderen tenminste behoefte heeft aan de door de vrouw in eerste aanleg verzochte partneralimentatie en kinderalimentatie, met veroordeling van de man om aan de vrouw die partner- en kinderalimentatie te voldoen, waartoe hij volgens het hof in goede justitie te bepalen de draagkracht heeft;

5) te bepalen dat door de vrouw te maken executiekosten vanwege niet/niet tijdig betalen van de partner- en kinderalimentatie voor rekening van de man zijn;

6) te bepalen dat de door de weekse omgangsmiddag (een woensdag per veertien dagen na school tot 17.00 uur) niet in het belang van beide minderjarigen is en de reguliere omgangsregeling tussen de man en kinderen te beperken tot tweewekelijkse weekendomgang van vrijdag- zondagavond en de helft van alle vakanties en feestdagen, in overleg te bepalen.

7) Meer subsidiair trekt de vrouw in hoger beroep tenslotte haar verzoek om de vrouw het huurrecht van de echtelijke woning toe te wijzen in en verzoekt zij het hof de beslissing tot toekenning van het huurrecht te vernietigen;

19. In het incidenteel appel verzoekt de man, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

8) de duur van de verplichting tot het betalen van een partnerbijdrage te limiteren tot 13 september 2020, dan wel tot een zodanige periode minder dan twaalf jaar als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren; met veroordeling van de vrouw in de kosten van het incidenteel appel.

Behoefte aan partneralimentatie

20. Ondanks dat de situatie van de man in feitelijke zin valt te bestempelen als een faillissement – waartoe het hof verwijst naar hetgeen hierna onder 38 tot en met 44 wordt overwogen - hechten beide partijen er veel belang aan dat het hof een beslissing geeft over de behoefte van de vrouw aan partneralimentatie en de behoefte van de kinderen aan kinderalimentatie. Het hof zal thans eerst ingaan op de door de vrouw gestelde behoefte van € 25.000,00 per maand.

21. De vrouw is van mening dat de rechtbank haar behoefte op een te laag bedrag heeft vastgesteld. Zij is van mening dat haar behoefte van € 25.000,00 alleszins redelijk is.

22. Door de vrouw is ondermeer het navolgende aangevoerd:

1) De genormaliseerde uitgaven stroken niet met de werkelijke uitgaven van partijen.

2) Door uit te gaan van een behoefte van de vrouw van slechts 31 % van de werkelijke door [adviseur] geverifieerde gezinsuitgaven kunnen de vrouw en kinderen niet doorleven op het niveau van welstand van tijdens het huwelijk.

3) Er is geen reden tot een subjectieve normalisering van de werkelijke uitgaven.

4) De behoeftebepaling dient plaats te vinden op basis van de werkelijke inkomsten en uitgaven.

5) De kosten van investeringen en reserveringen verlagen niet de huwelijksgerelateerde behoefte, omdat één en ander immers vermogensvorming betreft die deel uitmaakt van de huwelijkse welstand. Dit vermogen dient mede om oudedagsvoorzieningen te financieren.

6) Zij heeft niet haar uitgavenpatroon in het zicht van de scheiding opgeschroefd.

7) Het gezin had tijdens het huwelijk de beschikking over een BMW 7, BMW 6 en een Saab Cabrio.

8) De woonkosten bedroegen € 6.355,00 per maand.

9) Uit haar behoefteberekeningen volgt dat er een netto uitgavenpatroon was van ca. € 225.000,00 per jaar.

23. De man is van mening dat de rechtbank de netto behoefte van de vrouw te hoog heeft vastgesteld. De man is van mening dat de genormaliseerde netto behoefte van de vrouw kan worden vastgesteld op € 73.926,00 per jaar netto of wel € 132.308,00 bruto per jaar.

24. Door de man is onder meer het navolgende aangevoerd:

1) Het is redelijk dat de uitgaven van partijen worden genormaliseerd aangezien een deel van de uitgaven betrekking heeft gehad op een vermogenswinst die de man dacht te maken op de aandelen [bedrijfsnaam]. Partijen hebben op te grote voet geleefd.

2) De heer [deskundige] heeft in zijn rapportage ook niet gesteld dat de vrouw behoefte zou hebben aan een partnerbijdrage van € 300.000,00 doch concludeert slechts dat in 2006 het gezin heeft uitgegeven een bedrag van € 373.087,00 netto, welk bedrag volgens de man niet representatief is en ook onjuist.

3) Het overzicht van [deskundige] betreft in feite een kasboek, waarop geen nuanceringen zijn aangebracht.

4) De verdiencapaciteit van de man is circa € 180.000,00 bruto per jaar, op dit ogenblik kan de man slechts aanspraak maken op een WW-uitkering.

5) Het overgespaarde inkomen, dat partijen hadden overgehouden uit hun jaren in Engeland, is voor een deel verdampt en voor een deel geconsumeerd.

6) Voorts is het redelijk de uitgaven te normaliseren aangezien het uitgavenpatroon in de laatste jaren van het huwelijk betrekking had op investeringen die verband hielden met de verhuizing van [woonplaats] naar [woonplaats]. Een investering in een geheel nieuw interieur kan niet aan één jaar worden toegerekend.

7) In productie 55 bij het appelschrift heeft de man een overzicht gegeven van de behoefte van de vrouw op basis van reële gebruikelijke uitgaven.

25. Het hof overweegt als volgt. Bij de bepaling van de behoefte van de alimentatiegerechtigde zal de rechter in aanmerking moeten nemen welke de inkomsten in de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest. Daarnaast zal hij een globaal inzicht moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit af te kunnen leiden in welke welstand partijen hebben geleefd. Voorts dient zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud de behoefte door de rechter te worden bepaald.

26. Uit een brief van mr. [adviseur] (belastingadviseur) van 23 januari 2008, gericht aan de man, volgt dat de man in de periode van 2002 tot 2007 een daadwerkelijk inkomen heeft genoten van € 310.000,00.

De financieel adviseurs van de man [adviseur] en [adviseur] hebben de gemiddelde jaarlijkse gezinsuitgaven begroot op € 148.000,00 per jaar, zie de brief van voormelde adviseurs van 31 maart 2008, gericht aan de man. De door de vrouw ingeschakelde accountant [adviseur] heeft in zijn rapportage alleen een opsomming gegeven van de uitgaven. De uitgaven van partijen in de laatste jaren van hun huwelijk waren zeer aanzienlijk. Een deel van de uitgaven zijn in redelijkheid toe te rekenen aan de verhuizing van partijen van [woonplaats] naar [woonplaats]; immers, niet ieder jaar wordt een inrichting gekocht van € 150.000,00. Ook acht het hof aannemelijk dat een deel van de uitgaven in de laatste jaren van hun huwelijk is terug te voeren op de gedachte van de man dat [bedrijfsnaam], de bank waar de man tot voor kort werkzaam was, zou worden verkocht met als mogelijk gevolg dat hij zijn aandelen in [bedrijfsnaam] met een miljoenenwinst zou kunnen verkopen. Door de kredietcrisis is de verwachting niet uitgekomen en is het vermogen van de man in rook opgegaan.

27. Door op te grote voet te leven wordt er wel een behoefte gecreëerd, maar de vraag dient in alle redelijkheid te worden beantwoord, of die virtuele behoefte maatgevend is voor de behoefte van de onderhoudsgerechtigde in het onderhavige geval. Partijen hadden hun uitgavenpatroon eveneens moeten bijstellen indien het huwelijk niet zou zijn ontbonden. De man is technisch failliet en geniet een WW-uitkering van € 2.791,00 bruto per maand. Het hof is zich ervan bewust dat er een verschil is tussen de behoefte en draagkracht. In het kader van de bepaling van de behoefte in dit specifieke geval acht het hof het redelijk en billijk om bij de bepaling van de behoefte uit te gaan van het inkomen van de man in de laatste jaren van het huwelijk – zoals hiervoor vermeld – en het door de man opgestelde genormaliseerde behoefteoverzicht, zij het met uitzondering van de post vervoer.

28. De man heeft een allesomvattende beschrijving gemaakt van de concrete behoefte van de vrouw. De door de man in productie 55 opgenomen concrete bedragen - met uitzondering van de post vervoer - acht het hof alleszins redelijk. Voor € 3.000,00 per maand kan door de vrouw passende woning worden gehuurd. Ondanks het feit dat de vrouw niet werkt heeft de man een post huishoudelijk hulp voor de vrouw opgenomen van € 3.600,00 per jaar.

29. De stelling van de vrouw dat zij recht heeft op een gelijkwaardige woning deelt het hof niet. Beoordeeld dient te worden wat een redelijke woning is rekening houdend met hetgeen partijen tijdens hun huwelijk gewend waren. Het vorenstaande geldt eveneens voor de overige posten. Het opnemen van een post sparen van € 47.000,00 per jaar in de behoefte van vrouw acht het hof niet realistisch, gezien de concrete situatie waarin partijen verkeren noch heeft de vrouw aannemelijk gemaakt dat jaarlijks uit het inkomen van de man een bedrag van € 94.000,00 werd gespaard. De investering in aandelen [bedrijfsnaam] heeft mede plaatsgevonden met een lening van € 550.000,00 en is dus niet louter en alleen gefinancierd uit overgespaard inkomen. Uitgaande van een Saab begroot het hof de kosten van vervoer op € 1.000,00 per maand. Op grond van hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen is het hof van oordeel dat de netto behoefte van de vrouw in redelijkheid kan worden begroot op € 80.000,00 netto (afgerond) per jaar.

Behoeftigheid en werk

30. De man stelt dat de vrouw een imposant curriculum vitae heeft. De vrouw heeft een ruim arbeidsverleden en is op korte termijn inzetbaar op de arbeidsmarkt. De vrouw is op de arbeidsmarkt gemakkelijker bemiddelbaar dan de man. De man is van mening dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de vrouw niet arbeidsongeschikt is.

De moeder van de vrouw heeft dezelfde oogaandoening als de vrouw en heeft tot haar zestigste gewerkt. Tijdens het huwelijk van partijen heeft de vrouw ook nimmer een beroep gedaan op arbeidsongeschiktheid.

31. De vrouw is van mening dat zij niet op korte termijn inzetbaar is. De vrouw is van mening dat zij arbeidsongeschikt is als gevolg van een oogziekte. Voorts is zij fysiek en emotioneel niet in staat om te werken. Zij wordt volledig in beslag genomen door de fysieke en psychische opvang en ondersteuning van de kinderen. Door de vrouw is een aantal medische verklaringen in het geding gebracht.

32. Het hof overweegt als volgt. Gezien haar universitaire opleidingsniveau in binnen- en buitenland en haar relevante arbeidservaring, is de vrouw in beginsel inzetbaar voor de arbeidsmarkt. Gezien de slechte financiële positie waarin de man verkeert heeft de vrouw ook een eigen belang om haar capaciteiten aan te wenden wanneer zij daartoe medisch in staat is. Het vorenstaande kan ook van haar in redelijkheid worden verlangd.

33. Door de vrouw zijn een aantal verklaringen in het geding gebracht over haar medische situatie. Een verklaring is van [naam], psychiater. De psychiater verklaart:

”naar mijn mening is het thans niet realistisch te verwachten dat ze geschikt is voor een werkkring naast de zorg voor haar kinderen”.

34. De door de vrouw in het geding gebrachte medische verklaringen worden door de man betwist. De man twijfelt aan de objectiviteit van de verklaringen. Gezien de verklaring van voormelde psychiater, alsmede de eigen waarneming van het hof ter zitting, acht het hof de vrouw op dit moment niet in staat om deels in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Het hof acht het niet opportuun om reeds thans te beoordelen of de vrouw over een jaar deels in haar eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien.

Behoeftigheid en inkomsten uit vermogen

35. De man is eveneens van mening dat op de behoefte van de vrouw in mindering moet worden gebracht het inkomen dat zij geniet uit haar vermogen.

36. De vrouw stelt dat haar vermogen een fractie is van het vermogen van de man. De vrouw stelt op haar vermogen aanzienlijk te hebben ingeteerd aangezien zij de kosten van levensonderhoud uit haar eigen vermogen heeft betaald.

37. Het hof overweegt als volgt. In beginsel dient bij de vaststelling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde eveneens rekening te worden gehouden met de inkomsten die de alimentatiegerechtigde verwerft uit haar vermogen. Uit de informatie die de vrouw aan het hof heeft verstrekt kan het hof niet vaststellen wat haar vermogen is. Op dit moment acht het hof dit verder ook niet van belang aangezien de man geen draagkracht heeft om ook maar enige bijdrage te kunnen leveren in de kosten levensonderhoud van de vrouw en partijen kinderen, gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen.

Draagkracht man

38. De man is van mening dat de rechtbank bij de vaststelling van zijn draagkracht van verkeerde inkomensgegevens is uit gegaan.

39. De man heeft onder meer het navolgende naar voren gebracht.

1) De jaaropgaven van de man geven een vertekend beeld van de inkomsten van de man, dit wordt veroorzaakt door de deferred compensation. Als door de werkgever van de man ([bedrijfsnaam]) aan de man voorwaardelijk aandelen worden toegekend, vindt er een belastingheffing in box 1 plaats, waarbij de belasting voor rekening komt van [bedrijfsnaam]. Ondanks het feit dat de man in fiscale zin inkomen geniet kan hij niet over deze inkomsten beschikken aangezien hij de aandelen niet kan verkopen.

2) De cashbonus 2006 van € 79.100,00 (netto) is in maart 2007 uitgekeerd. Partijen woonden toen samen. Hetgeen van deze bonus resteert, behoort tot het te verrekenen vermogen. De cashbonus mag derhalve niet bij de draagkracht van de man worden betrokken.

3) Over 2007 heeft de man geen cashbonus gekregen aangezien hij niet heeft kunnen voldoen aan de door [bedrijfsnaam] gestelde doelen. De man heeft zijn doelen niet kunnen bereiken aangezien [bedrijfsnaam] al in de zomer van 2007 als gevolg van de kredietcrisis in de problemen is gekomen.

4) Over de maanden oktober, november en december 2007 bedroeg het inkomen van de man € 13.821,00 bruto per maand.

5) Over de eerste drie maanden van 2008 heeft de man slechts een inkomen genoten van € 6.910,00 bruto per maand.

6) Vanaf april 2008 tot 1 oktober 2008 bedroeg het bruto inkomen € 14.221,00.

7) De man is per 1 oktober 2008 ontslagen bij [bedrijfsnaam]. Zijn ontslag houdt direct verband met de kredietcrisis.

8) De man heeft een ontslagvergoeding gekregen van € 75.000,00 bruto. Op deze uitkering heeft de vrouw beslag[bank]d.

9) [bank] heeft geëist dat de man de bruto uitkering van € 75.000,00 aanwendt ter aflossing van de in punt 15 vermelde schuld.

10) Bij brief van 4 december 2008 van het UWV is aan de man meegedeeld dat hij

31 december 2008 geen aanspraak kan maken op een WW-uitkering.

11) De man ontvangt per 1 januari 2009 een WW uitkering van € 2.791,00 bruto per maand.

12) Zijn vermogen is inmiddels volledig verdampt, hetgeen tot gevolg heeft dat zijn schuld, waarmee de beleggingen zijn gefinancierd, hoger is geworden dan zijn vermogen.

13) De man zit gevangen in zijn nog resterende vermogen omdat hij ook de door hem gehouden beursgenoteerde aandelen, zoals [biermerk], op grond van de beperkingen, die zijn ex-werkgever heeft gesteld, niet mag verkopen.

14) Van hem werd als managing director bij de bank verwacht, dat hij aandelen in de bank [bedrijfsnaam] inkocht. Zijn collega's hebben hetzelfde gedaan.

15) Hij heeft eind 2005 € 250.000,- uit het gezamenlijke vermogen van partijen besteed voor het kopen van aandelen [bedrijfsnaam] en later heeft hij nog voor een bedrag van € 800.000,- bijgekocht. Deze laatste aankoop in 2006 heeft hij gefinancierd door het aangaan van een lening van € 500.000,- die in 2007 is verhoogd tot € 550.000,- omdat de aandelen aanzienlijk in waarde leken te stijgen in verband met de verwachte verkoop van [bedrijfsnaam] aan [bank]. De restsom bedraagt € 450.000,-. De aflossingsverplichting is € 110.000, - per jaar en de rente bedraagt jaarlijks € 32.000,-.

16) De verkoop van [bedrijfsnaam] aan [bank] is op het laatste moment niet doorgegaan, waarna de koers van de aandelen [bedrijfsnaam] is gekelderd.

17) Na de daling van de waarde van de aandelen [bedrijfsnaam] heeft de bank [bank] de man eraan herinnerd dat hij niet meer aan zijn verplichtingen voldeed aangezien het vermogen van de man vier maal zo groot moest zijn als de lening die [bank] aan de man heeft verstrekt.

18) De beslissingen tot aankoop van de aandelen en het aangaan van de lening bij [bank] zijn tijdens het huwelijk genomen.

40. Volgens de vrouw bedroeg het fiscale inkomen van de man in de jaren 2004 tot 2006

€ 559.000,00 per jaar. Per 1 oktober 2008 is sprake van een wijziging van omstandigheden, in die zin dat de man niet langer werkzaam is voor [bedrijfsnaam]. De formele beëindigingsprocedure kan onder de gegeven omstandigheden niet als bewijs dienen van onvrijwillig baanverlies. De man heeft een verdiencapaciteit van € 560.000,00 op jaarbasis. De man heeft geen enkel bewijs geleverd dat hij zich tot het uiterste inspant om zo spoedig mogelijk elders aan het werk te gaan. De man heeft geen enkel bewijs geleverd dat hij inmiddels een WW-uitkering heeft aangevraagd.

41. Het hof overweegt als volgt. Op basis van de gewisselde stukken en het verhandelde ter zitting acht het hof het aannemelijk dat de man vanaf 1 januari 2009 slechts over een WW- uitkering beschikt van plus minus € 2.791,00 bruto per maand. Het hof acht het eveneens aannemelijk dat het vermogen van de man is verdampt als gevolg van de kredietcrisis. Op basis van de door de man in het geding gebrachte gegevens - zie de brief van [bank] van

6 oktober 2006 gericht aan de man - acht het hof het aannemelijk dat de man jegens [bank] een aflossingsverplichting heeft van € 110.000,00 per jaar naast de rente over de openstaande hoofdsom. Op grond van vorenstaande inkomensgegevens en de verplichtingen van de man is hij niet in staat enige bijdrage te voldoen in de kosten van levensonderhoud ten behoeve van de vrouw.

Het hof heeft reeds bij beschikking van 13 januari 2009 de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de echtscheiding en heeft beslist dat de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de beschikking van de rechtbank terzake de verplichting van de man, een uitkering tot levensonderhoud en een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen aan de vrouw te voldoen, is geschorst. Om die reden heeft de man geen belang meer bij zijn verzoek, te bepalen dat hetgeen de vrouw teveel zal hebben ontvangen aan partneralimentatie, door haar dient te worden terugbetaald.

Verwijtbaarheid ontslag?

42. Het is een feit van algemene bekendheid dat de [bedrijfsnaam]-bank de eerste bank in Nederland is geweest die in ernstige problemen is gekomen. Het hof acht het aannemelijk dat de algehele malaise in de financiële sector de directe aanleiding is geweest voor het ontslag van de man.

43. Ter zitting heeft de man verteld dat hij in het kader van de verkoop van [bedrijfsnaam] aan [bank], binnen [bank] een functie zou krijgen. Zijn functie binnen [bedrijfsnaam] was al vergeven aan een ander.

44. Gezien de massaontslagen in de financiële wereld acht het hof de stelling van de man, dat het niet eenvoudig zal zijn om op korte termijn een passende werkkring te vinden, aannemelijk. Het ontslag van de man acht het hof niet verwijtbaar.

Behoefte aan kinderalimentatie

45. De man is van mening dat de rechtbank ten onrechte de behoefte van de kinderen heeft bepaald op € 24.000,00 per jaar voor beide minderjarigen kinderen gezamenlijk, derhalve op € 1.000,00 per kind per maand.

De man is van mening dat de behoefte van de kinderen dient te worden gesteld op € 600,00 per maand per kind. In productie 54 heeft de man een begroting gemaakt van de kosten van de kinderen.

46. De vrouw is van mening dat de rechtbank de behoefte van de kinderen op een te laag bedrag heeft vastgesteld. De vrouw verwijst naar het behoefteoverzicht partner- en kinderalimentatie van 19 november 2007, opgesteld door de vrouw in het kader van de voorlopige voorzieningen.

47. Het hof overweegt als volgt. Indien het netto gezinsinkomen hoger is dan € 5.000,00 per maand en de vrouw van mening is dat de behoefte van de kinderen aanmerkelijk hoger is dan voorvloeit uit de tabel Kosten voor Kinderen, dient de vrouw de kosten van de kinderen concreet te onderbouwen.

48. De man heeft tegen een aantal posten bezwaar gemaakt:

1) lidmaatschappen van de kinderen;

2) brillen en glazen van de kinderen;

3) uit eten gaan;

4) vakantie.

49. Gezien de leefwijze van partijen en de kinderen, het inkomen van de man in het verleden, acht het hof de door de rechtbank begrote bedragen redelijk en billijk.

50. Terzake de behoefte van de kinderen verwijst de vrouw uitsluitend naar hetgeen zij in eerste aanleg heeft gesteld. De vrouw komt niet met een nadere onderbouwing van de door haar gewenste kinderalimentatie.

51. Het hof kan zich vinden in de wijze waarop de rechtbank de behoefte aan kinderalimentatie heeft begroot en maakt de beslissing van de rechtbank tot de zijne.

52. Gezien hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen ten aanzien van de draagkracht van de man, is de man niet in staat enige bijdrage in de kosten en opvoeding van de kinderen te voldoen. Ten aanzien van het verzoek van de man tot terugbetaling door de vrouw van het teveel ontvangene, komt het hof niet toe, gelijk is overwogen onder punt 41.

Omgangsregeling/ouderschapsonderzoek

53. Beide partijen kunnen zich niet vinden in de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling. Voorts kan de man zich niet verenigen met de wijze waarop de rechtbank de informatieverplichting heeft vastgelegd.

54. Uit de huwelijkse relatie zijn twee thans nog minder jarige kinderen geboren te weten;

1) [kind 1] geboren [in 1999] te [woonplaats], en

2) [kind 2], geboren [in 2002] te [woonplaats].

55. Ter zitting heeft het hof de raad voor de kinderbescherming gehoord. De raad maakt zich ernstig zorgen over de situatie waarin de kinderen zich thans bevinden. Door de raad is inmiddels een onderzoek gestart naar de situatie van de kinderen.

De raad is in beginsel van mening dat het in het belang van de kinderen is dat de ouders weer als ouders met elkaar leren omgaan.

56. Het hof heeft uit de stukken, maar ook ter zitting, waargenomen dat er tussen de ouders een ernstig conflict is, waarbij beide ouders elkaar diskwalificeren als ouder. Het hof heeft zelf kunnen constateren dat er op dit moment geen normale communicatie tussen de ouders mogelijk is als gevolg van hun conflict.

57. Het is in het belang van de beide ouders en de kinderen dat de verhoudingen tussen de ouders normaliseren en dat de kinderen ook met de ouder die niet de dagelijkse zorg heeft een band kunnen opbouwen.

58. Gezien de ernst van het conflict tussen de ouders en het feit dat de kinderen mogelijk klem en verloren geraken tussen de beide ouders acht het hof het noodzakelijk dat er een onderzoek komt naar het ouderschap van beide ouders.

59. Het hof is van oordeel dat de minderjarigen er het meest bij gebaat zijn, dat de ouders komen tot een heroriëntatie op het ouderschap na scheiding en acht aannemelijk dat deze heroriëntatie door middel van ouderschapsonderzoek bewerkstelligd kan worden. Het hof acht het noodzakelijk dat een deskundige een ouderschapsonderzoek zal instellen.

60. Het hof zal als deskundige benoemen: mr. drs. C.M.A.A. Potters, Verlengde Slotlaan 10 3707 CG Zeist. Telefoon: 030-2539261. E-mail: c.m.a.a.potters@uu.nl

Onderzoek onder leiding van een raadsheer-commissaris

61. Gezien de heftigheid van het conflict zal de deskundige zijn onderzoek verrichten onder leiding van een raadsheer-commissaris.

62. Partijen dienen de aanwijzingen van de raadsheer-commissaris op te volgen voorzover dit in het belang is van het deskundigenonderzoek.

Communicatie

63. De griffier zal een afschrift van deze beschikking verstrekken aan de deskundige. Partijen dienen de deskundige binnen 14 dagen nadat deze beschikking is gewezen te voorzien van afschriften van de processtukken.

64. Als de deskundige of de advocaten vragen hebben over de procesmatige kant van het onderzoek kunnen zij zich wenden tot mevr J.H. Muller-Rietveld, telefoon 070-3811967, werkzaam in de familiesector van het hof.

Wijze van onderzoek

65. De deskundige krijgt de opdracht onderzoek te verrichten en daarbinnen, zo mogelijk met toepassing van mediationtechnieken, met beide ouders tezamen gesprekken te voeren, met het doel enerzijds het ouderschap na scheiding zodanig vorm te doen geven dat de minderjarigen – gegeven de omstandigheden – zo goed als mogelijk zullen kunnen profiteren van beide ouders en anderzijds het vertrouwen over en weer tussen de ouders in zodanige mate te doen herstellen dat deze zelfstandig tot afspraken kunnen komen omtrent hetgeen hen verdeeld houdt. Het staat de deskundige eveneens vrij in haar onderzoek om met de ouders afzonderlijk te spreken.

Het hof acht het wenselijk dat de deskundige de minderjarigen in het onderzoek betrekt. De deskundige heeft zich bereid verklaard dit onderzoek op zich te nemen.

66. Het hof wenst dat de deskundige bij het uit te voeren onderzoek de volgende vragen betrekt:

a. Hoe is de relatie van de ouders met elkaar, in het bijzonder: is er een patroon in de wijze waarop zij met elkaar omgaan herkenbaar en is deze omgang voor verbetering vatbaar ?

b. Hoe is de relatie van de minderjarigen met enerzijds de vrouw respectievelijk de man individueel en anderzijds met beide ouders tezamen (het oudersysteem, met speciale aandacht voor hechting en loyaliteit)?

c. Zijn er bijzonderheden in de opvoedingssituatie van de minderjarigen waaraan aandacht moet worden besteed ?

d. In hoeverre is ieder van de ouders in staat om bij de uitvoering van een omgangsregeling rekening te houden met de behoefte van de minderjarigen ?

e. In hoeverre zijn de ouders in staat elkaar ruimte te bieden voor omgang met de minderjarigen ?

f. Wat betekent dit voor de omgang van de minderjarigen met de ouder die de kinderen niet dagelijks verzorgt ?

g. Komen er in het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van de minderjarigen ?

67. De deskundige dient het hof te rapporteren over het verloop en de resultaten van het onderzoek. Tevens dient de deskundige – bij gebreke van overeenstemming tussen de man en de vrouw – de gestelde vragen te beantwoorden en het hof te adviseren omtrent de omgang tussen de vader en partijen kinderen en de wijze waarop partijen in het belang van de kinderen invulling dienen te geven aan hun ouderschap. Het hof zal de beslissing hiertoe dan ook pro forma aanhouden.

Kosten van het ouderschapsonderzoek

68. Bij toepassing van de artikelen 195 en 199 Rv komen de kosten van een deskundigenbericht in dagvaardingsprocedures ten laste van partijen. In procedures die worden ingeleid met een verzoekschrift zijn die bepalingen in artikel 284 lid 1 Rv van overeenkomstige toepassing verklaard, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet.

69. Indien het in het belang van het kind nodig is dat een ouderschapsonderzoek plaatsvindt, biedt deze bepaling het hof de ruimte een deskundige aan te wijzen zonder partijen hiervoor een voorschot te vragen en de kosten in debet te stellen. Het hof is van oordeel dat de onderhavige zaak aan dit criterium voldoet en zal derhalve bepalen dat de kosten, tot een maximumbedrag van € 4.500,- inclusief verschotten en BTW, ten laste van het rijk zullen komen. De deskundige dient te declareren aan de hand van een tijdsverantwoording en op basis van een uurtarief (of een gedeelte daarvan) van € 107,50 per uur exclusief BTW.

Informatie– en consultatieplicht

70. De man heeft in appel eveneens de informatie– en consultatieplicht van de vrouw aan de orde gesteld.

71. Het hof houdt een beslissing op dit onderdeel aan in afwachting van het hiervoor vermelde ouderschapsonderzoek.

Huurrecht voormalig echtelijke woning

72. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand huurster zal zijn van de woonruimte aan [adres] [woonplaats].

73. In appel heeft de vrouw gevorderd de beslissing dat het huurrecht aan de vrouw toekomt, te vernietigen .

74. De man heeft gesteld dat dit misbruik van procesrecht is aangezien hij de schade niet heeft kunnen beperken daar de vrouw in het huis is blijven wonen.

75. Het hof overweegt als volgt. Een procespartij kan ook in appel zijn vordering verminderen. Het enkele feit dat de vrouw niet het huurrecht wenst te verwerven brengt niet met zich mede dat dit misbruik van procesrecht oplevert.

76. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de vrouw de woning te [woonplaats] heeft verlaten en dat de huurovereenkomst – in elk geval per einde 2008 - is beëindigd.

77. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw geen belang meer bij haar grief aangezien de toewijzing van het huurrecht slechts ziet op de periode na de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. In het onderhavige geval is de echtscheiding nog niet ingeschreven, althans was deze niet ingeschreven op de datum dat de huurovereenkomst is geëindigd. De vraag wie van partijen draagplichtig is voor de huurpenningen ligt niet aan het hof voor. De vrouw zal dan ook in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep.

Beperking in duur van de uitkering tot levensonderhoud ten behoeve van de vrouw

78. De man is van mening dat de vrouw onnodig hoger beroep heeft ingesteld tegen de echtscheiding, om zodoende de duur van de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw te verlengen.

79. Tijdens de zitting heeft de vrouw haar echtscheidingsgrieven gehandhaafd. De vrouw wenst dat de band met de nevenvoorzieningen in stand blijft.

80. Het hof overweegt als volgt. Bij beschikking van dit hof van 13 januari 2009 is de vrouw in haar verzoek tot appel tegen de echtscheiding niet-ontvankelijk verklaard. De vrouw had geen te rechtvaardigen belang bij dit appel tegen de echtscheiding. De vrouw heeft de inschrijving van de echtscheiding onnodig vertraagd. Het hof acht het derhalve redelijk en billijk dat de alimentatieverplichting van de man wordt gelimiteerd tot 13 september 2020.

Beëindigingsvergoeding

81. Gezien hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen kan de vrouw geen aanspraak maken op de beëindigingsvergoeding aangezien de man deze dient aan te wenden ter aflossing van de restantschuld aan de bank [bank].

Verdeling en verrekening

82. Het hof houdt de beslissing inzake de verdeling en de verrekening in elk geval aan tot het moment dat het hof van partijen een beschrijving heeft gekregen van het te verrekenen vermogen en een beschrijving heeft gekregen van de te verdelen vermogensbestanddelen. Daar de beide deskundigen ter terechtzitting te kennen hebben gegeven, met instemming van partijen, zich nader met elkaar te willen verstaan teneinde te bezien of tussen partijen overeenstemming kan worden bereikt over dit onderdeel, zal het hof de zaak hiertoe pro forma aanhouden.

Proceskosten

83. Het hof houdt de beslissing inzake de door de man jegens de vrouw gevorderde proceskosten aan tot op alle verzoeken zal zijn beslist.

BESLISSING OP HET PRINCIPAAL EN HET INCIDENTEEL HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan de man een bijdrage is opgelegd in de kosten en verzorging en opvoeding van partijen kinderen, alsmede voorzover aan de vrouw ten laste van de man een uitkering tot levensonderhoud is toegekend;

verklaart voor recht dat de behoefte van de vrouw € 80.000,00 netto per jaar bedraagt;

verklaart voor recht dat de behoefte van de kinderen € 1.000,00 per maand per kind bedraagt;

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar beroep inzake het huurecht van de woning te [woonplaats] aan [adres];

benoemt tot deskundige in het ouderschapsonderzoek mr. drs. C.M.A.A. Potters, voornoemd;

bepaalt dat de kosten van de deskundige door de griffier ten laste van `s Rijks kas zullen komen, een en ander met in achtneming van het hiervoor in rechtsoverweging 69 bepaalde;

benoemt tot raadsheer-commissaris, onder wiens leiding het onderzoek zal plaatsvinden: mr. Mink, raadsheer in dit hof en bij diens afwezigheid: mr. Labohm;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal zenden;

bepaalt dat de deskundige vier maanden nadat deze beschikking is gewezen aan het hof zal rapporteren over het verloop van het ouderschapsonderzoek;

bepaalt dat uit het deskundigenbericht moet blijken dat de ouders door de deskundige in de gelegenheid zijn gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen, met vermelding van de inhoud van de eventuele opmerkingen en verzoeken;

houdt de beslissing inzake de omgangsregeling, informatie- en consultatieplicht, verdeling, verrekening en proceskosten pro forma aan tot 30 juni 2009;

wijst af hetgeen anders of meer is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs Labohm, Mink en Van der Zanden, bijgestaan door mr. Van Drunick als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2009.