Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BH2185

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-02-2009
Datum publicatie
06-02-2009
Zaaknummer
22-004262-08
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BP0295, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BP0295
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een overval op een wedkantoor. De verdachte is vermomd het wedkantoor binnengegaan en heeft met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp de daar aanwezigen bedreigd. Bij de overval werd een geldbedrag buitgemaakt.

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004262-08

Parketnummer: 09-925106-08

Datum uitspraak: 5 februari 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 juli 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Noord Holland Noord, Unit 'Westlinge' te Heerhugowaard.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 22 januari 2009.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 29 oktober 2007 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen 12.127 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan wedkantoor [naam wedkantoor], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [medewerker wedkantoor] en/of anderen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn

mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

richten van een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op (het hoofd, althans het lichaam van) die [medewerker wedkantoor] en/of het (met kracht) (meermalen) schoppen tegen de knie van die [medewerker wedkantoor] en/of (vervolgens) het richten van het (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op het in het

wedkantoor aanwezige publiek en/of (daarbij) (dreigend) tegen dat publiek roepen: "liggen", althans woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking

en/of

hij op of omstreeks 29 oktober 2007 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een)

ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [medewerker wedkantoor] en/of anderen heeft gedwongen tot de afgifte van 12.127 euro, althans een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan wedkantoor [naam wedkantoor], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het richten van een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op (het hoofd, althans het lichaam van) die [medewerker wedkantoor] en/of het (met kracht) (meermalen) schoppen tegen de knie van die [medewerker wedkantoor] en/of (vervolgens) het richten van het (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op het in het wedkantoor aanwezige publiek en/of (daarbij) (dreigend) tegen dat publiek roepen: "liggen", althans woorden van gelijke

(dreigende) aard of strekking;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit (beide cumulatieven) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is ten aanzien van het inbeslaggenomen goed een beslissing genomen als nader in het vonnis waarvan beroep omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Op grond van het procesdossier, het onderzoek ter terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het navolgende gebleken1.

Op maandag 29 oktober 2007, omstreeks 21.45 uur, werden surveillanten, via de Centrale Meldkamer van de politie Haaglanden, gestuurd naar het Wedkantoor genaamd [naam wedkantoor] gevestigd in de [adres] te Den Haag, alwaar een gewapende overval zou hebben plaatsgevonden.2 Ter plaatse gekomen bleek uit verklaringen van getuigen het volgende: De overval was gepleegd door twee mannen, te weten een man met een donkere, negroïde huidskleur en een man die als vermomming een griezelmasker droeg; de man met het griezelmasker was in het bezit van een vuurwapen; ten tijde van de overval was er een personeelslid van het wedkantoor werkzaam achter de balie en was er verder een aantal klanten in het pand aanwezig;3 de medewerker moest onder bedreiging van een vuurwapen het geld uit de kluis van het bedrijf afstaan, terwijl de andere dader het geld uit de kassalade wegnam.4

Op maandagavond 29 oktober 2007 heeft [medewerker wedkantoor], in zijn hoedanigheid van wedkantoorhouder aangifte gedaan van diefstal met geweld.5 Op 8 november 2007 heeft de manager van wedkantoren [naam wedkantoor] eveneens aangifte gedaan van diefstal. Hij heeft tegenover de politie verklaard dat er een geldbedrag van € 12.127,- is weggenomen.6

Van de overval werden beelden opgenomen door het gesloten camerabeveiligingssysteem, aanwezig in het wedkantoor.7 Op 18 december 2007 werd in een landelijke uitzending van AVRO's Opsporing Verzocht een opsporingsitem uitgezonden met betrekking tot de overval op het wedkantoor. Op dinsdag 8 januari 2008 werd dit item kort herhaald. Na deze laatste uitzending kwam er bij de politie een melding binnen van een medewerker van een begeleid-wonen-project, dat zij een bewoner had herkend als één van de daders. Deze bewoner is genaamd: [medeverdachte 2].8

[Medeverdachte 2] is op 11 januari 2008 aangehouden.9 [Medeverdachte 2] wordt door verbalisanten herkend als één van de daders op de camerabeelden.10 Op 6 februari 2008 legt [medeverdachte 2] een bekennende verklaring af waarin hij onder meer verklaart dat hij op de avond van 29 oktober 2007 samen met de verdachte en [medeverdachte 1] en diens broer naar Den Haag is gereden en samen met de verdachte de overval heeft gepleegd op het wedkantoor aan de [adres] te Den Haag.11

Aanvankelijk ontkennen de verdachte en [medeverdachte 1] dat zij bij de overval op het wedkantoor aan de [adres] te Den Haag betrokken zijn geweest. Tijdens de verhoren bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg beroepen zij zich op hun zwijgrecht.

Bij brief van 26 november 2008, nadat de verdachte en zijn [medeverdachte 1] in eerste aanleg inmiddels zijn veroordeeld en hoger beroep hebben ingesteld, delen hun raadslieden mede dat hun cliënten nader over de feiten wensen te verklaren.

Op 24 december 2008 legt [medeverdachte 1] tegenover de politie een verklaring af waarin hij zijn betrokkenheid bij de overval erkent.12 De verdachte legt op 13 januari 2009 tegenover de politie een verklaring af.13 De verdachte verklaart bij die gelegenheid over de gebeurtenissen voorafgaand en volgend op de overval van het wedkantoor op 29 oktober 2007. Op vragen met betrekking tot hetgeen zich in het wedkantoor heeft afgespeeld weigert de verdachte te antwoorden en beroept hij zich op zijn zwijgrecht.14 Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte ook ten aanzien van die gebeurtenissen een verklaring afgelegd.

De verdachte verklaart evenals zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 2] en hij in de avond van 29 oktober 2007 het wedkantoor aan de [adres] te Den Haag zijn binnengegaan. Verdachte droeg daarbij een masker en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Met [medeverdachte 2] heeft hij tegen de aanwezigen geroepen dat zij moesten gaan liggen. Voorts hebben zij geld uit de kluis en de kassa gepakt en meegenomen.15 Het buitgemaakte geld is daarop in de woning van [medeverdachte 2] verdeeld tussen de verdachte, medeverdachten [medeverdachte 1] en

[medeverdachte 2] en een vierde persoon.

De verdachte en zijn medeverdachten hebben verklaard dat de overval eigenlijk een "nepoverval" was omdat deze werd uitgevoerd op verzoek van en in overleg met medewerkers van het wedkantoor. Ten tijde van de overval in het wedkantoor zouden slechts mensen aanwezig zijn geweest die van deze geënsceneerde overval op de hoogte waren. Zij verklaren voorts dat [medewerker wedkantoor], de wedkantoorhouder, de initiatiefnemer was en over de geplande overval verschillende keren contact had met [medeverdachte 1]. [Medewerker wedkantoor] bepaalde wanneer de overval plaats zou moeten vinden, namelijk op een moment dat er voldoende geld in de kluis zou zijn.

Uit onderzoek naar de historische verkeersgegevens van de mobiele telefoons van de verdachten is gebleken dat in de mobiele telefoon van [medeverdachte 1] het telefoonnummer van [medewerker wedkantoor] was opgeslagen.

Voorts is er daags na de overval telefonisch contact geweest tussen de mobiele telefoon van de verdachte en de telefoons van [medewerker wedkantoor] en diens broer.16 [De medewerker van het wedkantoor en diens broer] zijn naar aanleiding van de uitkomst van dit onderzoek door de politie als verdachte gehoord, maar niet voor betrokkenheid bij de overval veroordeeld.17

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat de verdachte van het aan hem tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat er -gelet op de betrokkenheid van [medewerker wedkantoor] bij de overval en het feit dat de overige aanwezigen hiervan op de hoogte waren - geen sprake was van diefstal en afpersing maar van het medeplegen van verduistering in dienstbetrekking. Nu dat feit niet is tenlastegelegd, dient de verdachte te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt het volgende.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte en [medeverdachte 2] op 29 oktober 2007 samen met [medeverdachte 1] en een vierde persoon met de auto naar Den Haag zijn gereden. De verdachte en [medeverdachte 2] hebben die avond een overval gepleegd op het wedkantoor aan de [adres] te Den Haag en hebben daarbij een geldbedrag buitgemaakt. De verdachte heeft een op een vuurwapen gelijkend voorwerp gericht op de aanwezigen in het wedkantoor en tegen de aanwezigen geroepen dat zij moesten gaan liggen.

Het hof is met de verdediging van oordeel dat er aanwijzingen zijn dat er sprake was van een vooropgezet plan waarbij een of meer medewerkers van het wedkantoor betrokken waren.

Naar het oordeel van het hof bevat het dossier evenwel onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling van de verdediging dat alle personen die op 29 oktober 2007 in het wedkantoor aanwezig waren, tevoren op de hoogte waren van de geplande overval. Het hof wijst in dit verband naar de verklaring van [getuige]18 en de verklaring van de verdachte zelf inhoudende dat [medeverdachte 2] niet alléén in het wedkantoor naar binnen durfde te gaan omdat daar veel meer mensen aanwezig bleken te zijn dan tevoren was afgesproken19. Door geen van de (mede)verdachten is gesteld dat zij wisten wie er naast [medewerker wedkantoor] in het wedkantoor aanwezig waren.

De verklaring van de verdachte, dat hij alleen een masker op had en een (nep) vuurwapen bij zich had gestoken om de overval "echt" te laten lijken in verband met de aanwezigheid van veiligheidscamera's verhoudt zich voorts niet tot de uit verklaringen van de verdachte (ter terechtzitting in hoger beroep) en van [medeverdachte 1] volgende vooronderstelling dat de camera's door de betrokken medewerker van het wedkantoor zouden zijn weggedraaid20 en de verklaring van [medeverdachte 2], dat de camera's uit zouden worden gedaan.21

Een en ander brengt mee dat er van moet worden uitgegaan dat het handelen van de verdachte en zijn [medeverdachte 2] voor aanwezigen in het wedkantoor zodanig bedreigend is geweest - met name door het (nep)vuurwapen (en het richten daarvan op één of meer van de aanwezigen) in combinatie met het bevel te gaan liggen - dat het de verdachte en zijn medeverdachte mede daardoor mogelijk en gemakkelijk is gemaakt ongehinderd het geld weg te nemen.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat het feit dat medewerkers van het wedkantoor mogelijk betrokken waren bij de overval op het wedkantoor niet dient te leiden tot een vrijspraak van de tenlastegelegde gekwalificeerde diefstal nu de aangifte en de verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachten wettig en overtuigend bewijs leveren dat de verdachte en zijn medeverdachten zich schuldig hebben gemaakt aan - naar alle uiterlijke kenmerken - een gewapende overval.

Vrijspraak

Het hof ziet in de mogelijke betrokkenheid bij de overval van [medewerker wedkantoor] wel aanleiding om de verdachte vrij te spreken van de aan hem tenlastegelegde afpersing van [medewerker wedkantoor] en het jegens [medewerker wedkantoor] gepleegde geweld nu niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat [medewerker wedkantoor] daadwerkelijk gewelddadig door de verdachte of zijn mededader is aangepakt, noch dat hij door het handelen van de verdachte en of diens medeverdachte gedwongen werd tot afgifte van een geldbedrag.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 29 oktober 2007 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag, toebehorende aan wedkantoor [naam wedkantoor], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [medewerker wedkantoor] en/of anderen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welke bedreiging met geweld bestond uit het

richten van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [medewerker wedkantoor] en/of het richten van het op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het in het wedkantoor aanwezige publiek en daarbij dreigend tegen dat publiek roepen: "liggen"

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in bovengenoemde bewijsoverwegingen zijn vervat, op grond van de daarbij in de voetnoten als bewijsmiddelen vermelde processen-verbaal.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met uitzondering van de op te leggen straf en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren .

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een overval op een wedkantoor.

De verdachte is vermomd het wedkantoor binnengegaan en heeft met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp de daar aanwezigen bedreigd. Bij de overval werd een geldbedrag buitgemaakt.

Dit is een zeer ernstig feit waarbij de verdachte en zijn mededaders zich uitsluitend hebben laten leiden door hun zucht naar geldelijk gewin.

De rechthebbenden op het buitgemaakte geld zijn ernstig benadeeld en de toevallig aanwezige slachtoffers zullen, naar de ervaring leert, nog lang nadelige psychische gevolgen ondervinden van wat hun is aangedaan. Daarnaast veroorzaken dergelijke misdrijven grote onrust in de samenleving en worden gevoelens van onveiligheid versterkt.

De gedragingen van de verdachte, die nog steeds geen volledige openheid van zaken heeft gegeven en er ter terechtzitting in hoger beroep geen blijk van heeft gegeven in voldoende mate het laakbare van zijn handelen in te zien, rekent het hof de verdachte zwaar aan.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt. Het hof acht termen aanwezig om een deel van deze gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen teneinde de verdachte er in de toekomst van te weerhouden zich wederom schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Beslag

Ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp zoals dit vermeld is op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen zal het hof de teruggave gelasten aan verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tweede alternatief/cumulatief tenlastegelegde (afpersing) heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het eerste alternatief/cumulatief tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt, dat een op 6 (zes) maanden bepaald gedeelte van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave van een paar schoenen van het merk le Cocq Sportif aan de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. S.K. Welbedacht,

mr. S. van Dissel en mr. C.M. le Clercq-Meijer,

in bijzijn van de griffier mr. M.C. Zuidweg.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 5 februari 2009.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde pagina's betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, opgenomen in dossier nr. PL1514/2007/59244, van politie Haaglanden.

2 Proces-verbaal van 13 januari 2008, nr: PL1514/2007/59244-29, dossier blz. 5 en proces-verbaal van 30 oktober 2007, nr. PL1514/2007/59244-4, dossier blz. 34

3 Zie noot 2

4 Zie noot 2.

5 Proces-verbaal van aangifte d.d. 30 oktober 2007, nr. PL1514/2007/59244-4, dossier blz. 34-38

6 Proces-verbaal van aangifte d.d. 8 november 2007, nr. PL1514/2007/59244-12, dossier blz. 39 en 40

7 Zie noot 2.

8 Zie noot 2, blz. 7

9 Proces-verbaal van aanhouding, d.d. 11 januari 2008, nr. PL1514/2007/59244-15, dossier blz. 20

10 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 13 januari 2008, nr. PL1514/2007/59244-35, dossier blz. 45

11 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2], d.d. 6 februari 2008, nr. PL1514/2007/59244-82, dossier blz. 223-232

12 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1], d.d. 24 december 2008, nr. PL1514/2007/59244-191, dossier blz. 542-551

13 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 13 januari 2009, nr. PL1514/2007/59244-193, dossier blz. 552-559

14 Zie noot 12, blz. 555

15 Verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 22 januari 2009

16 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 mei 2008, nr. PL1514/2007/59244-174, dossier blz. 447-449

17 Processen-verbaal van verhoor van verdachte [broer medewerker wedkantoor] d.d. 22 maart 2008 (nr. PL1514/2007/59244-143 en PL1514/2007/59244-146) en 23 maart 2008 (nr. PL1514/2007/59244-147), dossier blz. 450-471Processen verbaal van verhoor van verdachte [medewerker wedkantoor] d.d. 28 maart 2008 (nr. PL1514/2007/59244-156 en PL1514/2007/59244-158) en 29 maart 2008 (nr. PL1514/2007/59244-159), dossier blz. 472-491

18 Proces-verbaal van verhoor [getuige], d.d. 30 oktober 2007, nr. PL1514/2007/59244-3, dossier blz. 47-50

19 Verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 22 januari 2009

20 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1], d.d. 24 december 2008, nr PL1514/2007/59244-191, dossier blz. 542-551

21 Zie noot 11