Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BH2063

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-01-2009
Datum publicatie
05-02-2009
Zaaknummer
22-003672-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is aannemelijk geworden dat een medeverdachte de mobiele telefoon van de aangever heeft weggenomen. Nu voorts niet is komen vast te staan dat de verdachte zodanig bewust, nauw en volledig met deze medeverdachte heeft samengewerkt dat kan worden gesproken van medeplegen, is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003672-08

Parketnummers: 09-520002-08 en 09-535500-06 (TUL)

Datum uitspraak: 20 januari 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

Meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van

8 juli 2008 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[Verdachte]

geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortedatum] 1988,

adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 20 januari 2009.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal - strekkende tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot vrijspraak van de verdachte van het ten laste gelegde - en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een werkstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Voorts is beslist omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging, als nader in het vonnis omschreven.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is aannemelijk geworden dat een medeverdachte de mobiele telefoon van de aangever heeft weggenomen. Nu voorts niet is komen vast te staan dat de verdachte zodanig bewust, nauw en volledig met deze medeverdachte heeft samengewerkt dat kan worden gesproken van medeplegen, is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te 's-Gravenhage d.d. 19 februari 2007 (onder parketnummer 09-535500-06) is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen, met bevel dat een gedeelte van die straf, groot 85 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Nu de verdachte van het ten laste gelegde wordt vrijgesproken zal de in eerste aanleg ingediende vordering tot tenuitvoerlegging - conform de vordering van de advocaat-generaal - worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Wijst af de vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot 85 dagen, van de bij vonnis d.d. 19 februari 2007 van de politierechter in de rechtbank te 's-Gravenhage onder parketnummer 09-535500-06 opgelegde gevangenisstraf.

Dit arrest is gewezen door mr. R.C.A. Duindam,

mr. J.A.C. Bartels en mr. R.H.J. de Vries,

in bijzijn van de griffier mr. W.R. van Hattum.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 januari 2009.