Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BH2048

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-02-2009
Datum publicatie
05-02-2009
Zaaknummer
22-001353-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

de verdachte heeft zonder noodzaak ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, dat - blijkens een zich aan het voegingsformulier van de benadeelde partij gehechte nota - als gevolg van het gebeurde een tandartsbehandeling heeft moeten ondergaan, waarbij onder meer drie kronen zijn geplaatst. Het door de raadsman - in zeer algemene bewoordingen - gevoerde verweer dat de bekennende politieverklaring d.d. 11 januari 2006 van de verdachte gelet op ECRM 11 december 2008 (Panovits tegen Cyprus) niet voor het bewijs mag worden gebruikt, wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001353-08

Parketnummer: 09-665448-06

Datum uitspraak: 3 februari 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

Meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van

5 maart 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko)

op [geboortedatum] 1982,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

20 januari 2009.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van EUR 500,--, subsidiair tien dagen hechtenis, met niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in zijn vordering.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Door het hof op basis van de wettige bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden

- [Slachtoffer] staat op 27 oktober 2005 buiten nabij het Hoflandplein te 's-Gravenhage. Hij wordt aangesproken door [verdachte], die hij verder [roepnaam verdachte] zal noemen. [Roepnaam verdachte] zegt: 'ik krijg nog wat van jou'. Gelijk hierop slaat [roepnaam verdachte] [slachtoffer] opzettelijk en met veel kracht in zijn gezicht. [roepnaam verdachte] slaat met zijn linker- en zijn rechtervuist op het hoofd van [slachtoffer], met stekende pijn aan diens gezicht als gevolg. [Roepnaam verdachte] blijft achter elkaar doorslaan op de mond van [slachtoffer]. [Roepnaam verdachte] wil maar niet ophouden met slaan. [Roepnaam verdachte] slaat vervolgens weer voluit in het gezicht en op het hoofd van [slachtoffer]. [Slachtoffer] voelt dat een aantal tanden van zijn bovengebit is afgebroken.1

- De verdachte bevestigt dat de vechtpartij tussen [slachtoffer] en hem heeft plaatsgevonden. De verdachte heeft zijn handen gebruikt en op het hoofd van [slachtoffer] gemikt.2

- [Getuige] verklaart dat [verdachte] en [slachtoffer] behoorlijk hard met elkaar vochten.3

- [Slachtoffer] loopt als gevolg van het gebeurde letsel op. Een huisarts neemt op 28 oktober 2005 waar dat sprake is van fors bloedverlies, een grote zwelling op zijn rechterbovenlip (hematoom), meerdere bulten op zijn hoofd, een verdwenen voortand, een andere tand die is afgebroken en nog weer een andere tand die los zit.4

Bewijsoverwegingen

1. Het door de verdachte toegepaste, grove geweld is naar 's hofs oordeel geschikt om letsel als bedoeld in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht of letsel dat naar gewoon spraakgebruik is te beschouwen als zwaar lichamelijk letsel, teweeg te brengen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een van de meest kwetsbare delen van het menselijk lichaam is. De verdachte heeft zich, door meermalen met kracht tegen het hoofd en/of het gezicht en/of de mond van het slachtoffer te slaan/stompen, willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer in geval van voltooiing van het voorgenomen misdrijf zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

2. Het door de raadsman - in zeer algemene bewoordingen - gevoerde verweer dat de bekennende politieverklaring d.d. 11 januari 2006 van de verdachte gelet op ECRM 11 december 2008 (Panovits tegen Cyprus) niet voor het bewijs mag worden gebruikt nu deze is afgelegd in afwezigheid van een raadsman, wordt verworpen. Genoemde uitspraak biedt naar 's hofs oordeel niet zo'n algemeen geldend recht op de aanwezigheid van een raadsman bij het eerste politieverhoor. Ten overvloede overweegt het hof dat de verdachte blijkens het dossier op 11 januari 2006 na zijn inverzekeringstelling conform de piketregeling is bijgestaan door een raadsman, dat hij zijn bekentenis later niet heeft ingetrokken en dat deze steun vindt in ander bewijsmateriaal, waaronder de hierboven vermelde getuigenverklaring.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van genoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 27 oktober 2005 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon (te weten [slachtoffer]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meerdere malen tegen het hoofd en/of gezicht en/of mond van die [slachtoffer] heeft geslagen/gestompt, waardoor die [slachtoffer] pijn en letsel heeft bekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van de verdachte / het bewezen verklaarde

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer/noodweerexces, nu - kort gezegd - de vechtpartij door het slachtoffer werd begonnen en de verdachte zich slechts heeft verdedigd tegen diens geweldshandelingen.

Hoewel op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep aannemelijk is dat het slachtoffer zich ook op agressieve wijze jegens de verdachte heeft gedragen, is niet aannemelijk geworden dat de verdachte zich niet heeft kunnen onttrekken aan het agressieve gedrag van het slachtoffer, noch dat verdachtes handelen was geboden ter noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Uit de verklaringen van de verdachte volgt dat hij er voor heeft gekozen niet weg te lopen, maar om met het slachtoffer te vechten. Immers heeft de verdachte bij de politie verklaard: 'Het is wel vaker voorgekomen dat wij met elkaar wilden vechten, maar het was er nooit van gekomen, omdat ik dan wegliep. Ik dacht dat hij dan dacht dat ik bang voor hem was en dat wilde ik niet meer die dag. Wij hebben toen dus gevochten.'5 Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bovendien verklaard: 'Ik ben geen mietje. Als [slachtoffer] wil knokken, gaan we knokken'. Het beroep op noodweer wordt gelet op het voorgaande verworpen. Voor een beroep op noodweerexces is geen plaats meer, nu daarvoor is vereist dat verdediging noodzakelijk was.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. Hij is dus strafbaar.

Het bewezen verklaarde levert op:

Poging tot zware mishandeling.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren en een werkstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat de verdachte door te handelen als hiervoor is overwogen zonder noodzaak ernstig inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, dat - blijkens een zich aan het voegingsformulier van de benadeelde partij gehechte nota - als gevolg van het gebeurde een tandartsbehandeling heeft moeten ondergaan, waarbij onder meer drie kronen zijn geplaatst.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 januari 2009 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder mishandeling.

Het hof is van oordeel dat een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden is. Daarbij laat het hof meewegen dat het feit inmiddels geruime tijd geleden heeft plaatsgevonden en dat - blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep - ook het slachtoffer zich daarbij bepaald niet onbetuigd heeft gelaten.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte, die ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij een uitkering ontvangt.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich middels zijn gemachtigde mr. J.D. Boetje als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van EUR 1.793,30.

In hoger beroep is deze vordering gehandhaafd tot EUR 1.775,50 en tot dat bedrag aan de orde.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, groot EUR 500,--, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof is de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezen verklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een geldboete van

EUR 500,00 (vijfhonderd euro),

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 (tien) dagen.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij de vordering dan ook slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit arrest is gewezen door mr. R.C.A. Duindam,

mr. J.A.C. Bartels en mr. R.H.J. de Vries, in bijzijn van de griffier mr. W.R. van Hattum.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 februari 2009.

1 Proces-verbaal van aangifte d.d. 28 oktober 2005, blz. 21-22

van dossier met nr. 1513/2005/62866-21.

2 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 11 januari 2006, blz.

31-34 van dossier met nr. 1513/2005/62866-21.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 8 maart 2006, blz. 29

van dossier met nr. 1513/2005/62866-21.

4 Aanvraagformulier medische informatie d.d. 19 november 2005,

blz. 26 van dossier met nr. 1513/2005/62866-21.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 11 januari 2006, blz.

32 van dossier met nr. 1513/2005/62866-21.