Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BH0703

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-01-2009
Datum publicatie
23-01-2009
Zaaknummer
200.004.731-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

schorsing executie wegens noodtoestand; toetsing aan art. 3:13 lid 2 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 200.004.731/01 (KG)

Rolnummer rechtbank : KG 08/134

arrest van de eerste civiele kamer d.d. 20 januari 2009

inzake

de publiekrechtelijke rechtspersoon DE GEMEENTE ’S-GRAVENHAGE,

zetelend te 's-Gravenhage,

appellante in het principaal appel,

verweerster in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de Gemeente,

advocaat: mr. A.R. de Jonge ('s-Gravenhage),

tegen

[Geïntimeerde],

wonende te [Woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [geïntimeerde].

advocaat: mr. R.B. van Heijningen ('s-Gravenhage).

Het geding

Bij exploot van dagvaarding van 16 april 2008, met daarin opgenomen vier grieven, (met producties) is de Gemeente in hoger beroep gekomen van het door de voorzieningenrechter in de rechtbank 's-Gravenhage tussen partijen gewezen vonnis van 1 april 2008. [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord (met een productie) de grieven bestreden en van haar kant onder aanvoering van een grief incidenteel geappelleerd. De Gemeente heeft deze grief bestreden bij memorie van antwoord in het incidenteel appel. Onder overlegging van de stukken heeft de Gemeente vervolgens arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het bestreden vonnis van 1 april 2008 onder 1 (1.1 t/m 1.6) vastgestelde feiten zijn niet betwist zodat het hof hier ook van uit zal gaan.

2. Het gaat in dit geding, kort gezegd, om het volgende.

(i) [geïntimeerde], zelf zwak begaafd, heeft een meerderjarige zoon met een verstandelijke handicap die bij haar inwoont.

(ii) Bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak (kantonrechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 28 september 2005, bekrachtigd bij arrest hof 's-Gravenhage van 27 juli 2007, rolnr. 05/1340) is de huurovereenkomst tussen de Gemeente en [geïntimeerde] ontbonden op grond van huurachterstand. [geïntimeerde] is daarbij veroordeeld tot ontruiming van haar woonwagenstandplaats (verder ook: zaak A).

Het hof heeft bij zijn beslissing van 27 juli 2007 rekening gehouden met rapportage van MEE Zuid-Holland van 15 november 2005 (verder: de MEE-rapportage), waarin onder meer is vastgesteld dat indien [geïntimeerde] uit de huidige woongemeenschap zou vertrekken, dit betekent dat zij en haar zoon niet meer de ondersteuning en begeleiding ontvangen die voor hen noodzakelijk zijn om goed te kunnen functioneren.

(iii) De Gemeente heeft te kennen gegeven tot ontruiming te willen overgaan, dit uit kracht van de beslissing in zaak A.

(iv) [geïntimeerde] heeft vervolgens een procedure aanhangig gemaakt tot herroeping van uitspraak A (op grond van art 382c Rv). Deze procedure, die bij dit hof bekend is onder rolnummer 07/1441 (oud), zaaknummer 105.007.306/01, heeft nog niet tot een beslissing geleid. (Het hof zal verder spreken van zaak B).

(v) [geïntimeerde] heeft tevens een bodemprocedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank 's-Gravenhage, bekend onder zaaknummer 299781 HA ZA 07/3723, waarbij zij op grond van onrechtmatige daad heeft gevorderd dat het de Gemeente wordt verboden tot ontruiming (uit kracht van uitspraak A) over te gaan. Ook in deze bodemprocedure is nog geen beslissing gegeven (Verder: zaak C).

(vi) Daarnaast heeft [geïntimeerde] zich gewend tot de voorzieningenrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage, waarbij zij heeft gevorderd de Gemeente te verbieden tot ontruiming over te gaan zolang niet onherroepelijk is beslist in zaak C. [geïntimeerde] heeft zich daarbij met name beroepen op een – aan rechtbank noch hof in zaak A bekend – advies van de GGD te Den Haag van 8 juni 2006, (verder: het GGD-advies). Dit advies houdt onder meer in:

“Er is sprake van een gezin met ernstige beperkingen in een vaste sociale structuur welke nu nog de mogelijkheid biedt zelfstandig te kunnen functioneren.

Een ontruiming is medisch gezien niet verantwoord. Temeer daar dit voor de direct betrokkene (“Jantje”) gegeven zijn medische problematiek als een ernstig traumatiserend incident moet worden gezien. Het is de vraag of hierna het nu nog bestaande evenwicht zal kunnen herstellen, waarbij zeer intensieve begeleiding van “Jantje” in alle gevallen noodzakelijk wordt geacht. Vooraf zal dan duidelijk moeten zijn hoe en op welke wijze woon- cq. opvangsituatie na de ontruiming eruit zal zien, en zal hierop dienen te worden geanticipeerd.”

(vii) De voorzieningenrechter heeft deze vordering bij het thans bestreden vonnis toegewezen, kort gezegd wegens een nieuwe omstandigheid bestaande uit het GGD-advies en de noodtoestand die voor [geïntimeerde] door ontruiming zal ontstaan.

(viii) De Gemeente komt met vier grieven tegen deze beslissing op.

3. Het hof oordeelt als volgt.

Uitgangspunt is de bevoegdheid van de Gemeente tot tenuitvoerlegging van de beslissing in zaak A. De rechter mag slechts staking van de executie bevelen in geval van misbruik van bevoegdheid. Hiervan kan sprake zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, of indien na het vonnis opgekomen feiten klaarblijkelijk een noodtoestand doen ontstaan voor de geëxecuteerde, zodat een onver-wijlde tenuitvoerlegging onaanvaardbaar is (HR 22 april 1983, NJ 1984, 145; Ritzen/ Hoekstra).

Van een juridische of feitelijke misslag is niet gebleken. Over de andere genoemde criteria wordt als volgt geoordeeld.

Een noodtoestand?

4. Aannemelijk is dat de ontruiming voor de (zwakbegaafde) [geïntimeerde] en haar (ernstig psychiatrisch gestoorde) zoon een noodtoestand doet ontstaan. Het hof verwijst in dit verband met name naar het (inhoudelijk niet betwiste) GGD-advies, dat – voor rechter en partijen kenbaar – aan de vordering ten grondslag wordt gelegd. Hierin wordt aangegeven dat een ontruiming medisch gezien niet verantwoord is, temeer nu dit voor zoon “Jantje”, die lijdende is aan een ernstige psychiatrische stoornis, als een ernstig traumatiserend incident moet worden gezien. Verder wordt in dit advies aangegeven dat het de vraag is of het nu nog bestaande evenwicht zal kunnen herstellen. Langdurige plaatsing van “Jantje” in een inrichting valt mogelijk niet te voorkomen.

De stelling van de Gemeente (mvgr 4.25) dat een eventueel dreigende noodtoestand zal worden weggenomen door de voorzorgsmaatregelen die zij voornemens is te treffen als het tot een gedwongen ontruiming komt, miskent dat in het GGD-advies het risico van onomkeerbaarheid met klem onder ogen wordt gezien.

Grief 4, die van een andere opvatting uitgaat, faalt.

5. Dit GGD-advies is beduidend klemmender dan de MEE-rapportage. Laatstbedoelde rapportage heeft als strekking dat bij vertrek van [geïntimeerde] en haar zoon uit het woonwagenkamp zij beiden niet meer de voor hen noodzakelijke begeleiding en ondersteuning vanuit deze woongemeenschap zullen ontvangen. Het MEE-advies geeft niet aan wat de gevolgen hiervan zijn, terwijl bovendien de mogelijkheid wordt opengelaten dat zij begeleiding en ondersteuning op een andere wijze zouden kunnen ontvangen.

In het GGD-advies wordt wél aangegeven wat de vermoedelijke gevolgen zullen zijn. Gesproken wordt van een “ernstig traumatiserend incident” voor “Jantje”, met mogelijk onomkeerbare gevolgen, waaronder een langdurige plaatsing in een inrichting. “(…)Het is de vraag of hierna het nu nog bestaande evenwicht zal kunnen herstellen, (…)”

Grief 3, die van een andere opvatting uitgaat, faalt.

Na het arrest aan het licht gekomen feiten?

6. Vast staat dat het GGD-advies niet bekend was aan het hof toen het hof arrest wees in zaak A. Ook staat vast dat dit advies pas ná de normale conclusiewisseling in het hoger beroep in zaak A (na de memorie van grieven en na de memorie van antwoord) is toegezonden aan de Gemeente en (vervolgens) aan [geïntimeerde]. In dit verband verwerpt het hof de stelling van de Gemeente, kort gezegd inhoudende dat [geïntimeerde] al veel eerder van de inhoud van het GGD-advies op de hoogte is geweest, nu zij zelf betrokken is geweest bij het onderzoek in het voorjaar van 2006 en toen ook al van de resultaten op de hoogte is gesteld (mva in incidenteel appel, 1.8). De Gemeente kan toch niet serieus menen dat de zwakbegaafde [geïntimeerde] en de zwaar psychisch gestoorde “Jantje” in staat zijn geweest aldus verkregen mondelinge informatie deugdelijk te bevatten.

Gelet op het door [geïntimeerde] gevoerde verweer terzake is in het kader van dit kort geding niet met voldoende mate van waarschijnlijkheid vast te stellen of het GGD-advies alsnog had kunnen en dus had moeten worden ingebracht in de procedure bij het hof in zaak A. In de bijzondere omstandigheden van dit geval acht het hof deze kwestie thans ook niet doorslaggevend.

Aanvullende criteria?

7. Weliswaar moet de rechter terughoudend zijn bij een schorsing van executie, maar anders dan de Gemeente stelt (pleitnota eerste aanleg 2.3) is het in het arrest Ritzen/Hoekstra ontwikkelde toetsingskader niet limitatief. De Hoge Raad spreekt immers van “dit zal het geval kunnen zijn”, daarmee aangevend dat er in ieder geval nog enige (theoretische) ruimte is. Het hof acht het huidige feitencomplex dusdanig klemmend dat het zal onderzoeken of deze ruimte thans aanwezig is. Hierbij zal aansluiting worden gezocht bij het door de Hoge Raad ontwikkelde toetsingskader, alsmede bij art. 3:13 BW.

8. Zoals uit het voorgaande voortvloeit is er thans sprake van een noodtoestand voor [geïntimeerde]. Dit is pas echt aan het licht gekomen door het GGD-advies waarvan het hof (in zaak A) geen kennis heeft genomen. Aldus ligt deze feitenconstellatie in ieder geval dicht aan tegen het door de HR ontwikkelde criterium “nieuwe feiten”.

Op grond van artikel 3:13 lid 2 BW zal worden onderzocht of de Gemeente naar redelijkheid niet tot uitoefening van haar bevoegdheid had kunnen komen, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang van de Gemeente bij de uitoefening van haar bevoegdheid en het belang van [geïntimeerde] dat daardoor wordt geschaad

9. De Gemeente heeft aangevoerd (pleitnota eerste aanleg 4.1 e.v. en memorie van antwoord in incidenteel appel onder 1.10) dat er een grote schaarste is aan standplaatsen in Den Haag en dat de Gemeente, gelet op de belangen van standplaatszoekenden en een rechtvaardige verdeling van woonruimte, er alle belang bij heeft dat ook de standplaats van [geïntimeerde] wordt toegewezen aan hen die daar het meeste recht op hebben. [geïntimeerde] is dat niet. Er bestaat geen rechtvaardiging om [geïntimeerde] nog langer gebruik van de standplaats toe te staan, aldus de Gemeente.

10. Naar het oordeel van het hof is er wel degelijk een onevenredigheid tussen de wederzijdse belangen. Weliswaar heeft de Gemeente enig belang bij het vrijkomen van de woonwagenstandplaats, maar dit zal toch (ook in de visie van de Gemeente) gepaard gaan met de onttrekking van een woning aan de (naar algemeen bekend is beperkte) woningvoorraad in de sociale sector. Het door de Gemeente gestelde belang dat [geïntimeerde] op gelijke wijze wordt behandeld als andere bewoners met een huurachterstand ingevolge een gezamenlijke actie, miskent dat de positie van [geïntimeerde] niet gelijk is aan die van die andere bewoners. Andere belangen aan de kant van de Gemeente zijn niet gesteld en evenmin gebleken. Dit is de ene kant.

De andere kant is de noodsituatie van [geïntimeerde] en haar zoon. Een wankel evenwicht wordt verstoord. Het valt te betwijfelen of er een nieuw evenwicht kan ontstaan. Het gevaar van een langdurige opname van “Jantje”in een inrichting is reëel. Onder deze omstandigheden oordeelt het hof dat de Gemeente naar redelijkheid niet tot de uitoefening van haar bevoegdheid heeft kunnen komen.

Slotsom

11. Grief 1, waarin geklaagd wordt over het door de rechtbank gehanteerde, te beperkte, toetsingskader, faalt, althans hoeft verder niet te worden besproken. Het hof verwijst daartoe naar het voorgaande. De grieven 3 en 4 falen eveneens (zie r.o 4 en 5) .

12. Ook grief 2 waarin wordt geklaagd over toewijzing van de vordering van [geïntimeerde] faalt. De gemeente heeft in dit verband nog aangevoerd dat procedure C iedere kans van slagen voor [geïntimeerde] mist, met name wegens het gesloten stelsel van rechtsmiddelen.

Gelet evenwel op de andere grondslag van de betreffende vordering (onrechtmatige daad) en de aanwezige noodtoestand bij [geïntimeerde] kan het hof de betreffende stelling van de Gemeente in deze a-typische zaak met haar bijzondere omstandigheden voorshands niet onderschrijven.

13. [geïntimeerde] heeft onder deze omstandigheden geen belang bij haar grief in het incidenteel appel. Zij dient de proceskosten terzake te dragen.

14. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd met veroordeling van de Gemeente als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in het principaal appel.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt de Gemeente in de kosten van deze procedure in het principaal appel, tot zover aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 303,-- aan verschotten en € 984,-- aan salaris van de advocaat, waarvan te voldoen:

a) aan de griffier van het hof € 239,50 voor in debet gesteld griffierecht en € 894,-- voor salaris advocaat, waarmee de griffier zal handelen overeenkomstig het bepaalde in art. 243 Rv, en

b) aan [geïntimeerde] € 63,50 voor niet in debet gesteld griffierecht;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in het incidenteel appel, tot zover aan de zijde van de Gemeente begroot op € 447,-- aan salaris van de advocaat en bepaalt dat dit bedrag binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, Th.W.H.E. Schmitz en

A.G. Beets en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2009 in aanwezigheid van de griffier.