Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BH0576

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-01-2009
Datum publicatie
06-02-2009
Zaaknummer
105.012.523/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet ontvankelijkheid van het ter zitting mondeling gedane verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Strijd met goede procesorde nu de wederpartij zich daartegen verzet.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 394
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2009/61 met annotatie van PVl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 7 januari 2009

Zaaknummer : 105.012.523.01

Rekestnummer : 93-R-08

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 07-1933

[appellant]

wonende te [woonplaats]

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.R. Tierie,

tegen

[geïntimeerde]

wonende te [woonplaats]

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M. Veken.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 16 januari 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 19 oktober 2007.

De vrouw heeft op 7 april 2008 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 6 mei 2008 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 14 november 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 30 juli 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Op 26 november 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is – uitvoerbaar bij voorraad – bepaald dat de man met ingang van 30 juli 2007 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van na te noemen minderjarige aan de vrouw zal betalen € 300,- per maand, vermeerderd met iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten en of regelingen ten behoeve van die minderjarige kan of zal worden verleend, en voor wat betreft de na heden te verschijnen termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Verstaan is dat genoemde bijdrage jaarlijks, met ingang van 1 januari van het nieuwe jaar, wordt gewijzigd ingevolge de wettelijk vastgestelde indexering. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de kinderbijdrage ten behoeve van de minderjarige [kind], geboren [in 2003] te [woonplaats] hierna te noemen de minderjarige. De man heeft de minderjarige niet erkend, de vrouw heeft het gezag over de minderjarige.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verzoeken van de vrouw strekkende tot het vaststellen en het verkrijgen van kinderalimentatie van € 300,- per maand af te wijzen, althans subsidiair de kinderalimentatie te bepalen op een bedrag van € 137,50 per maand, dan wel € 150,- per maand, met ingang van de datum van de door dit hof te geven beschikking.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt de verzoeken van de man af te wijzen en een deskundige te benoemen om het biologisch vaderschap vast te stellen en de man te veroordelen in de kosten van dit onderzoek. Daarnaast verzoekt zij incidenteel te bepalen dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige dient te voldoen, met ingang van 1 februari 2007 een bedrag van € 300,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en vermeerderd met iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of andere regelingen voor die minderjarige kan of zal worden verleend.

4. De man verzet zich daartegen.

Verzoek schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking

5. Ter zitting heeft de man schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking verzocht. De vrouw heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

6. Het hof ziet het door de man ter zitting gedane verzoek als een nieuw verzoek, welk verzoek schriftelijk had moeten plaatsvinden overeenkomstig het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven. Nu de vrouw uitdrukkelijk bezwaar heeft gemaakt en het hof van oordeel is dat de vrouw bij behandeling van het – niet aangekondigde – verzoek in haar verdediging kan worden benadeeld, is het hof van oordeel dat het schorsingsverzoek strijd met de goede procesorde oplevert. Derhalve zal de man in dit verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.

Principaal appel

7. In zijn eerste grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft besloten om aan te nemen dat hij de verwekker van de minderjarige is. Volgens de man heeft hij het verzoekschrift in eerste aanleg van de vrouw nooit ontvangen en had de rechtbank moeten onderzoeken of het verzoekschrift hem had bereikt. De man betoogt dat hij noch de verwekker, noch de biologische vader is van de minderjarige. Tot slot stelt de man dat hij zich pas in 2006 in Nederland heeft gevestigd.

8. De vrouw betwist dat de man niet in staat is geweest om verweer te voeren en dat hij zich pas in 2006 in Nederland heeft gevestigd. Daarnaast verzoekt de vrouw het hof om te bepalen dat er een deskundige wordt benoemd om het biologisch vaderschap van de man vast te stellen en de man te veroordelen in de kosten van dit onderzoek. Volgens de vrouw heeft de man nooit ontkend dat hij de vader van de minderjarige is en was er tot aan de procedure in eerste aanleg regelmatig omgang tussen de man en de minderjarige. Daarnaast voldeed de man een – te lage – onderhoudsbijdrage aan de vrouw ten behoeve van de minderjarige.

9. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat beide partijen – de vrouw weliswaar onder de door haar gestelde voorwaarde – een DNA-onderzoek wensen. Het hof zal derhalve bepalen dat een dergelijk onderzoek zal plaatsvinden en dat de man en de vrouw, de vrouw mede ten aanzien van de minderjarige, hun medewerking zullen verlenen. Indien de man dan wel de vrouw zijn of haar medewerking niet verleent, kan het hof daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. De behandeling van de zaak zal daarom pro forma worden aangehouden tot zaterdag 28 maart 2009 en de deskundige zal worden verzocht om het resultaat van het onderzoek uiterlijk 26 maart 2009 aan het hof te doen toekomen. Het hof zal bepalen dat de kosten van het deskundigenonderzoek voorlopig ten laste van de man komen. Afhankelijk van de onderzoeksresultaten zal bepaald worden wie van partijen uiteindelijk de kosten van het onderzoek (geheel of ten dele) zal moeten voldoen.

10. Ter zitting heeft de vrouw verzocht het DNA-onderzoek uit te laten voeren door Verilabs te Leiden. De man heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. De na te noemen deskundige wordt verzocht het DNA-onderzoek uit te voeren conform de accreditatie ISO 17025 norm. Voorts wordt de deskundige verzocht er zorg voor te dragen dat de afname van het DNA materiaal door of namens de deskundige ten kantore van de deskundige geschiedt, zulks na deugdelijke identificatie van zowel de man als de minderjarige en in het op te maken rapport blijk te geven van de wijze waarop deze identificatie heeft plaatsgevonden.

BESLISSING

Het hof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking;

bepaalt dat een DNA-onderzoek zal worden verricht zoals omschreven in rechtsoverweging 10 ter beantwoording van de vraag of de man de verwekker van de minderjarige kan zijn en zo ja, met welke mate van waarschijnlijkheid;

bepaalt dat de man en de vrouw hun medewerking aan dit onderzoek zullen verlenen;

benoemt tot deskundige om voornoemd onderzoek op een door deze te bepalen plaats en tijd uit te voeren, dr. W. van Gils, verbonden aan Verilabs Nederland B.V., Einsteinweg 5, 2333 CC Leiden, telefoon 071-5284696, contactpersoon Pim Volkers (www.verilabs.nl);

verzoekt de deskundige het resultaat van het onderzoek uiterlijk op 26 maart 2009 aan de griffie van dit hof te doen toekomen;

bepaalt dat de kosten van dit onderzoek voorlopig voor rekening van de man komen;

bepaalt dat de man als voorschot ter zake van de kosten van de deskundige een bedrag van € 690,- ter griffie van het gerechtshof dient te deponeren door overmaking op bankrekeningnummer 19.23.25.795 ten name van MvJ arrondissement ’s-Gravenhage, onder vermelding van zaaknummer: 105.012.523/01;

bepaalt dat de deskundige zijn werkzaamheden pas behoeft aan te vangen nadat de griffier hem zal hebben bericht dat voormeld voorschot ter griffie is ontvangen;

verstaat dat de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, dat uit het schriftelijk bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan en dat van de inhoud van de eventuele opmerkingen en verzoeken in dit schriftelijk bericht melding wordt gemaakt;

bepaalt dat partijen in de gelegenheid zullen worden gesteld hun mening over het rapport aan het hof kenbaar te maken;

houdt de zaak pro forma aan tot 26 maart 2009;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Mos-Verstraten en Van Wijk, bijgestaan door mr. Vermaas-Koetsier als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 januari 2009.