Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:6102

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-07-2009
Datum publicatie
23-06-2015
Zaaknummer
200.011.610/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vordering is ten onrechte ingesteld en dat is voldoende aanleiding om eiser in de proceskosten te veroordelen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector familie

Zaaknummer : 200.011.610/01

arrest van de familiekamer d.d. 14 juli 2009

inzake

[de man],

wonende te [woonplaats 1],

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. H.W. Bos-Hagens, kantoorhoudend te Noordwijk

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats 2],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. W. Taekema, kantoorhoudend te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 24 juli 2008 met 14 producties heeft de man de vrouw doen dagvaarden voor het gerechtshof te ’s-Gravenhage.

De vrouw heeft een memorie van antwoord (met drie producties) genomen.

Op 5 maart 2009 is de zaak bepleit, namens de vrouw door haar advocaat voornoemd aan de hand van door hem overgelegde pleitaantekeningen. De man noch zijn advocaat zijn bij het pleidooi verschenen.

De advocaat van de vrouw heeft zijn procesdossier aan het hof overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De man heeft gevorderd om het arrest van dit hof, tussen partijen gewezen op 14 april 2004, te herzien en het hoger beroep (dat in die zaak was ingesteld) alsnog gegrond te verklaren. Hij heeft daartoe aangevoerd, dat sprake is van bedrog in de zin van artikel 382 Rv. Hij heeft daartoe nog het volgende gesteld.

2. Uit een door de man overgelegde brief van de gemeente [woonplaats 2] van 8 juli 2008 blijkt duidelijk, dat er geen goedgekeurde wijziging van de bouwvergunning van november 1997 is, er geen aanvraag is voor een wijziging bouwvergunning om een voordeur, een extra verdieping of om een deel van de woning om te bouwen tot appartementen en er op verzoek van de welstandscommissie wijziging in detailleringen is aangebracht.

De man stelt dat de vrouw ten onrechte volhardt in haar stelling dat de man zonder haar instemming bij de gemeente een bouwvergunning had aangevraagd en verkregen. De man stelt tenslotte dat de vrouw ten onrechte stukken van beslissende aard heeft achtergehouden, waaruit bleek, dat geen aanvraag wijziging bouwvergunning was ingediend, noch een gewijzigde bouwvergunning was afgegeven.

Op deze gronden had de oorspronkelijke vordering van de vrouw niet mogen worden toegewezen.

3. De vrouw heeft zich tegen toewijzing van de vordering verzet. Zij stelt - kort samengevat - dat geen sprake is van bedrog, dat herroeping van het arrest zou rechtvaardigen en dat de vordering te laat is gedaan. Bovendien is zij van mening, dat hetgeen de man aanvoert niet de vordering kan dragen omdat de stellingen van de man, zo al juist, niet dragend waren voor het eerder gegeven oordeel van het hof. Zij vraagt bovendien een proceskostenveroordeling van de man.

4. Het hof overweegt als volgt.

Het hof zal in het midden laten of de vordering tijdig is gedaan. Met de vrouw is het hof van oordeel, dat gesteld al dat de feiten zouden komen vaststaan, zoals de man stelt, dit niet de conclusie wettigt, dat sprake is van bedrog.

Immers: zo de vrouw in eerdere procedures heeft gesteld dat de man zonder haar instemming enige bouwvergunning had gekregen gaat het daarbij erom dat de man feitelijk zonder haar instemming en zonder de vrouw daarvan in kennis te stellen aan de woning ingrijpende verbouwingen heeft verricht, terwijl zij als mede-eigenares recht erop had om aan dergelijke werkzaamheden haar toestemming te verlenen dan wel te weigeren. Dat zij zich daarbij op het standpunt heeft gesteld dat de man die verbouwingen verrichtte op basis van een buiten haar om aangevraagde en verleende bouwvergunning, terwijl achteraf mogelijk kan worden vastgesteld, dat die stelling onjuist was omdat de verbouwing geschiedde op basis van een reeds verleende vergunning maakt niet dat de vrouw bij het innemen van genoemde stelling in de procedure zich schuldig heeft gemaakt aan bedrog.

5. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de vordering ten onrechte is ingesteld. Gelet daarop is er voldoende aanleiding de man in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

Wijst de vordering van de man af;

veroordeelt de man in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de vrouw tot deze uitspraak begroot op € 2.936,-, gespecificeerd als volgt:

- € 254,- vastrecht,

- € 2.682,- salaris procureur,

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Husson, Stille en Bos en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juli 2009 in aanwezigheid van de griffier.