Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:2003

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-03-2009
Datum publicatie
12-08-2013
Zaaknummer
22-002931-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte is met een geladen vuurwapen in een auto gestapt en heeft in de auto alcoholische drank genuttigd. Hij heeft roekeloos gehandeld door onder deze omstandigheden het vuurwapen te willen ontladen en daarbij de loop in de richting van het slachtoffer te houden. Daardoor is onbedoeld het vuurwapen afgegaan en is het slachtoffer door een kogel getroffen. Het slachtoffer heeft hierdoor zeer ernstig letsel opgelopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002931-08

Parketnummer: 09-754113-07

Datum uitspraak: 13 maart 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 mei 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

27 februari 2009.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, te weten:

feit 1

hij op of omstreeks 4 augustus 2007 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet een kogel tegen/op de romp, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 4 augustus 2007 te 's-Gravenhage roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, in een voertuig

een vuurwapen heeft gepakt en/of in zijn handen heeft genomen en/of een/dat vuurwapen van de zogenaamde 'lock'-stand heeft afgehaald en/of een/dat vuurwapen op de romp, althans het lichaam van [slachtoffer] heeft gericht

en/of (vervolgens) de trekker van dat vuurwapen heeft losgelaten, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten (een) perforatie(s) van, althans verwondingen aan de dunne en/of dikke darm en/of een of meer (aderlijke) bloeding(en) in de buikholte en/of een klaplong, heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan;

feit 2:

hij op of omstreeks 04 augustus 2007 te 's-Gravenhage, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen een wapen van categorie III, te weten een pistool, althans een vuurwapen van categorie III onder I, en/of munitie van categorie III, te weten een of meer (bij voornoemd vuurwapen behorend(e)) patro(o)n(en) (kaliber 9 millimeter), voorhanden heeft/hebben gehad;

feit 3:

hij op of omstreeks 4 augustus 2007, althans in of omstreeks de periode van 4 augustus 2007 tot en met 31 augustus 2007 te 's-Gravenhage, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer andere(n), althans alleen nadat er op of omstreeks 4 augustus 2007 te 's-Gravenhage, het misdrijf was gepleegd van poging tot doodslag op [slachtoffer] (als tenlastegelegd in feit 1 primair) en/of zware mishandeling van [slachtoffer] door roekeloosheid of schuld (als tenlastegelegd in feit 1 subsidiair), althans nadat er enig misdrijf was gepleegd, met het oogmerk om dat misdrijf te bedekken of de nasporing of vervolging daarvan te beletten of te bemoeilijken, een of meer voorwerpen waarop of waarmede dat misdrijf was gepleegd of andere sporen van dat misdrijf heeft vernietigd en/of weggemaakt en/of verborgen en/of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrokken, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) een pistool, althans het vuurwapen waarmee dat misdrijf was gepleegd (rijdend) uit een auto gegooid en/of weggegooid.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 en 3 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder

1

primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van EUR 18.000,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg onder 2 en 3 gegeven vrijspraken.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat de verdachte geen opzet, dan wel voorwaardelijk opzet, heeft gehad op een dodelijke afloop. Uit de feiten en omstandigheden volgt niet dat de verdachte dit mogelijk gevolg op de koop heeft toegenomen of dat hij op enige andere wijze de aanmerkelijke kans op een dodelijke afloop heeft aanvaard. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte en het slachtoffer destijds bevriend waren, terwijl uit niets is gebleken dat de inzittenden van de auto ruzie hadden. Het hof acht hetgeen aan de verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd, dan ook niet wettig en overtuigend bewezen zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 4 augustus 2007 te 's-Gravenhage roekeloos in een voertuig een vuurwapen in zijn handen heeft genomen en dat vuurwapen van de zogenaamde 'lock'-stand heeft afgehaald en dat vuurwapen op het lichaam van [slachtoffer]heeft gericht en (vervolgens) de trekker van dat vuurwapen heeft losgelaten, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten perforaties van de dunne darm en (aderlijke) bloedingen in de buikholte heeft bekomen.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij, zittend op de achterbank van een rijdende auto, een vuurwapen wilde ontladen. Terwijl hij dit deed, was de loop van het wapen naar rechts gericht, de kant waar het slachtoffer naast hem op de achterbank zat. Vervolgens heeft de verdachte, volgens zijn eigen bewoordingen, met zijn linkerduim de trekker voorzichtig naar voren laten gaan omdat - naar zijn eigen zeggen - je nooit weet of er nog een patroon in het wapen is achtergebleven. Terwijl de verdachte deze handelingen verrichtte, heeft het

slachtoffer geprobeerd de loop van het vuurwapen uit zijn richting te duwen. Daarna is het wapen afgegaan waardoor het slachtoffer zeer ernstig gewond is geraakt.

Volgens het slachtoffer deed de verdachte vóór het schietincident stoer met het wapen en had één van de andere inzittenden aan de verdachte gevraagd geen grappen met het wapen te maken en het wapen weg te stoppen. Ook had het slachtoffer aan de verdachte gevraagd het wapen niet op hem te richten. De verdachte heeft desondanks de loop op het slachtoffer gericht gehouden tijdens het ontladen van het vuurwapen.

Op de vraag van de verbalisant aan de verdachte hoe hij weet hoe een vuurwapen geladen en ontladen moet worden, antwoordde de verdachte dat hij “het wel eens op televisie heeft gezien”. Derhalve kan de verdachte geen deskundige op het gebied van wapens worden genoemd.

Voorts hebben de verdachte en ook de andere inzittenden van de auto verklaard dat zij allen in de auto uit een fles whisky hebben gedronken.

Door aldus te handelen heeft de verdachte, mede gezien de omstandigheden waarin het vuurwapen werd ontladen, gedrag vertoond dat kan worden gekenmerkt als vergaand roekeloos. Het zwaar lichamelijk letsel dat het slachtoffer hierdoor heeft opgelopen, is aan de schuld van verdachte te wijten. Het hof acht dan ook het onder

1

subsidiair tenlastegelegde bewezen.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden vrijgesproken ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde en zal worden veroordeeld ter zake van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is met een geladen vuurwapen in een auto gestapt en heeft in de auto alcoholische drank genuttigd. Hij heeft roekeloos gehandeld door onder deze omstandigheden het vuurwapen te willen ontladen en daarbij de loop in de richting van het slachtoffer te houden. Daardoor is onbedoeld het vuurwapen afgegaan en is [slachtoffer] door een kogel getroffen. Het slachtoffer heeft hierdoor zeer ernstig letsel opgelopen.

Dit is een zeer ernstig feit dat voor het slachtoffer naast psychische en sociale gevolgen, zwaar lichamelijk letsel teweeg heeft gebracht dat naar verwachting deels blijvend zal zijn, hetgeen blijkt uit de brief van de behandelend artsen in het MCH Westeinde d.d. 30 augustus 2007 en de brief van W.J. Eenink d.d. 11 februari 2008.

Blijkens de brief d.d. 11 februari 2008 van W.J. Eenink, huisarts, valt gezien de vele buikoperaties te verwachten dat de benadeelde ook in de toekomst buikklachten zal houden, terwijl er naast het ernstige buikletsel hoogstwaarschijnlijk ook forse cerebrale schade is opgetreden door zuurstofgebrek (ten gevolge van de vele operaties en de reanimaties). Zijn leven staat nog altijd in het teken van operaties en revalidatie.

Het hof neemt bij het bepalen van de straf in ogenschouw dat, blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 februari 2009, de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten. Naar het oordeel van het hof kan echter mede gelet op de ernstige gevolgen van het bewezen verklaarde feit voor het slachtoffer – anders dan door de raadsman is bepleit - niet worden volstaan met oplegging van een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof is gezien de ernst van het bewezenverklaarde van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van de maximale duur – zoals hierna nader omschreven - een passende en geboden reactie vormt.

Het hof merkt hierbij op dat deze straf feitelijk, gelet op de nieuwe wettelijke regeling met betrekking tot de voorwaardelijke invrijheidstelling, geen hogere is dan door de advocaat-generaal is gevorderd.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd, ter terechtzitting in hoger beroep bijgestaan door zijn advocaat

mr. R.A. Kaarls. Namens benadeelde partij is een schriftelijk vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 primair dan wel subsidiair tenlastegelegde, tot een bedrag van EUR 58.602,-.

In hoger beroep is deze vordering gehandhaafd en – na mondelinge toelichting - ter terechtzitting gewijzigd, in dier voege dat het materiële deel van de vordering wordt verminderd met een bedrag van EUR 8.347,- ter zake van de kosten die op het voegingsformulier zijn vermeld onder punt 1, 2 en 3. Derhalve is in hoger beroep deze vordering aan de orde tot een bedrag van EUR 50.255,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, waarbij het immateriële deel, te weten EUR 50.000,-, dient te worden aangemerkt als voorschot, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist. De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu deze gelet op de medeschuld aan de zijde van het slachtoffer niet eenvoudig van aard is.

Voorts heeft de raadsman van verdachte bepleit dat het deel van de vordering dat betrekking heeft op de immateriële schade dient te worden afgewezen omdat deze schade gebaseerd is op schatting van het percentage van blijvende invaliditeit, terwijl nog geen sprake is van een eindtoestand.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van EUR 255,-.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat sprake is van immateriële schade. Van enige medeschuld van het slachtoffer is het hof niet gebleken. Dat het slachtoffer het op hem gerichte vuurwapen van zich af heeft geduwd is geen verwijtbare handeling, terwijl ook de andere door de raadsman genoemde omstandigheden niet tot gevolg hebben dat er sprake is van medeschuld van het slachtoffer aan het schietincident. Voorts vindt het verweer over het ontbreken van een eindtoestand geen steun in het recht. De immateriële schade is het rechtstreekse gevolg van het bewezenverklaarde. Zoals hiervoor bij de strafmotivering aan de orde is gekomen, is het door de benadeelde opgelopen letsel uitermate ernstig. De vordering leent zich daarom - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van

EUR 50.000,- als vergoeding van de immateriële schade die het slachtoffer tot op heden heeft geleden en de schade die – voor zover nu bekend – in de toekomst door hem zal worden geleden.

Voorzover de totale immateriële schade hoger zal blijken te zijn, geldt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

EUR 50.255,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f en 308 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder

1

primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

24 (

vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] tot het gevorderde bedrag van

EUR 50.255,00

(vijftigduizend tweehonderdvijfenvijftig euro)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met de vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer,

[slachtoffer], van een bedrag van

EUR 50.255,00

(vijftigduizend tweehonderdvijfenvijftig euro)

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van

285 (tweehonderdvijfentachtig) dagen,

met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis deze betalingsverplichting niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Dit arrest is gewezen door mr. A.L.J. van Strien,

mr. C.G.M. van Rijnberk en mr. D.J.C. van den Broek, in bijzijn van de griffier mr. F.L.C. Schoolderman.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 maart 2009.