Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BM3866

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-12-2008
Datum publicatie
12-05-2010
Zaaknummer
105.011.860/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ouderschapsonderzoek - benoeming deskundige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 10 december 2008

Zaaknummer : 105.011.860.01

Rekestnummer : 1295-R-07

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 06-2546

[appellant]

wonende te [woonplaats]

verzoeker, tevens incidenteel verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E.B. van den Ouden,

tegen

[geïntimeerde]

wonende te [woonplaats]

verweerster, tevens incidenteel verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. P.A.R. Dijkers.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 14 september 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van

15 juni 2007 van de rechtbank Rotterdam.

De vrouw heeft op 9 oktober 2007 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 1 juli 2008 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 18 september 2007 en 24 oktober 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 29 oktober 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de raad is bij het hof op 29 augustus 2008 het raadsrapport van 19 januari 2007 ingekomen.

Op 5 november 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Namens de raad is verschenen de heer J. Kuhn. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is de echtscheiding tussen de partijen uitgesproken en is onder meer, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de gewone verblijfplaats van de na te noemen minderjarige [minderjarige] bij de vrouw zal zijn. Voorts is er een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] bepaald, inhoudende dat de man [minderjarige] iedere maandag, dinsdag, woensdag en donderdag bij zich mag hebben vanaf het tijdstip dat het ochtendgedeelte op school is afgerond tot 19.00 uur, waarbij de man haar op de dagen dat [minderjarige] ook ’s middags naar school gaat,

’s middags naar school brengt en haar daar weer ophaalt. De schoolvakanties, die met [minderjarige] uitsluitend in Nederland worden doorgebracht, worden bij helfte verdeeld, waarbij de weekenden worden meegerekend. Bij een éénweekse vakantie start de omgang op vrijdag en is de overdracht op woensdag. Bij een tweeweekse vakantie of de zomervakantie is de overdracht op zaterdag. Tijdens de vakanties die de vrouw met [minderjarige] zal doorbrengen, zal de vrouw haar paspoort afgeven op het kantoor van haar raadsman. Het verzoek van de vrouw om vaststelling van een bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding (hierna: kinderalimentatie) van [minderjarige] en de vaststelling van de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud (hierna: partneralimentatie) is door de rechtbank afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

De echtscheidingsbeschikking is op 8 oktober 2007 ingeschreven.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de gewone verblijfplaats, de omgangsregeling en de kinderalimentatie van de minderjarige: [minderjarige] geboren [in 2002] te [woonplaats], hierna: [minderjarige], die bij de vrouw verblijft. Voorts is in geschil de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, en uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] bij de man zal zijn en subsidiair, voor het geval het vorenstaande niet toegewezen kan of zal worden, te bepalen dat de man iedere week van zondagavond tot vrijdagmorgen, inclusief overnachtingen, omgang zal hebben met [minderjarige], alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties, welke uitsluitend in Nederland mogen worden doorgebracht, waarbij de weekenden worden meegerekend. Bij een éénweekse vakantie start de omgang op vrijdag en is de overdracht op woensdag en bij een tweeweekse vakanties of de zomervakantie is de overdracht op zaterdag. Tijdens de vakanties die de vrouw met [minderjarige] zal doorbrengen, zal de vrouw haar paspoort afgeven op het kantoor van haar raadsman. Meer subsidiair verzoekt de man te bepalen dat hij omgang zal hebben met [minderjarige] met een frequentie en tijdsduur als het hof zal vermenen te behoren, zulks met inachtneming van het feit dat de man in de huwelijkse periode minimaal 50% van de tijd, die aan de opvoeding en verzorging van [minderjarige] besteed werd, de man voor zijn rekening heeft genomen en met [minderjarige] heeft doorgebracht.

3. De vrouw bestrijdt het beroep van de man en verzoekt het hof de grieven van de man tegen de bestreden beschikking ongegrond te verklaren en het beroep van de man af te wijzen. In incidenteel appel verzoekt de vrouw de bestreden beschikking te vernietigen, voorzover het de omgangsregeling betreft en te bepalen dat de man [minderjarige] bij zich mag hebben (het hof begrijpt: op maandag en dinsdag tot 19:00 en) op woensdag en donderdag tot 17:30 dan wel te bepalen dat de man [minderjarige] bij zich mag hebben op maandag, dinsdag en woensdag. Voorts verzoekt de vrouw de bestreden beschikking te vernietigen voorzover de rechtbank daarin heeft bepaald dat de moeder de schoolvakanties met [minderjarige] uitsluitend in Nederland mag doorbrengen en dat zij tijdens de vakanties haar paspoort dient af te geven op het kantoor van haar raadsman. Voorts verzoekt de vrouw de bestreden beschikking te vernietigen voorzover het de afwijzing van het verzoek om kinderalimentatie betreft en, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man met ingang van de datum van de echtscheidingsbeschikking zal bijdragen in de kinderalimentatie met een bedrag van € 250,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, dan wel met een zodanige maandelijkse bijdrage als het hof zal vermenen te behoren. Voorts verzoekt de vrouw de bestreden beschikking te vernietigen voorzover het de afwijzing van het verzoek om partneralimentatie betreft en, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man met ingang van de datum van de echtscheidingsbeschikking een partneralimentatie zal voldoen van € 500,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, dan wel met een zodanig bedrag als het hof zal vermenen te behoren.

4. De man verzet zich daartegen en verzoekt het hof de vrouw in haar incidenteel appel

niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar grieven ongegrond te verklaren en het beroep af te wijzen.

De verblijfplaats van [minderjarige]

5. De man stelt dat het rapport van de raad buiten beschouwing dient te worden gelaten omdat het niet kan worden beschouwd als een objectief en onafhankelijk oordeel nu de raad het beginsel van hoor en wederhoor niet voldoende heeft toegepast. Voorts stelt de man dat de rechtbank miskent dat de man een groter aandeel heeft gehad in de opvoeding en verzorging van [minderjarige] dan de vrouw. De rechtbank heeft het standpunt van de man in deze verkeerd weergegeven. De man heeft niet verzocht om co-ouderschap. De man verzoekt om een regeling die daarop lijkt nu de huidige omgangsregeling probleemloos verloopt. De rechtbank verschuilt zich achter de voorlopige maatregel die bij voorlopige voorziening is bepaald en verdiept zich niet in de vraag bij wie het kind het beste op zijn plaats is. Het is in het belang van [minderjarige] dat zij bij de man verblijft nu hij meer in staat is te zorgen voor een gestructureerde opvoeding en verzorging dan de vrouw aangezien hij vaker thuis is. Bovendien heeft de vrouw de vrees dat zij [minderjarige] mee naar Rusland zal nemen nog niet weg kunnen nemen.

De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen voorzover het de gewone verblijfplaats van [minderjarige] betreft. Zij stelt dat het niet in het belang van [minderjarige] is indien zij, na één jaar bij de vrouw te hebben gewoond, nu ineens bij de man moet gaan wonen. De man heeft voldoende de gelegenheid gehad om zijn standpunt kenbaar te maken. Dat de rechtbank zijn standpunten niet heeft gehonoreerd, betekent niet dat de rechtbank hem niet serieus heeft genomen. De man denkt slechts aan zijn eigen belang en niet aan het belang dat [minderjarige] thans heeft bij een stabiele thuissituatie.

De omgangsregeling

6. De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte een voorlopige omgangsregeling, die bij voorlopige voorziening is bepaald, heeft omgezet in een definitieve regeling zonder de argumenten van de man inhoudelijk te behandelen. De omgangsregeling die door de rechtbank is overgenomen, komt tegemoet aan de vrees van de vrouw dat de man [minderjarige] mee zal nemen naar het buitenland. Deze vrees is ongegrond, aldus de man. Voorts is de omgangsregeling tegenstrijdig nu de man [minderjarige] gedurende de vakanties wel voor een lange periode aaneengesloten bij zich mag hebben maar ten aanzien van de omgangsregeling [minderjarige] wel ieder avond dient terug te brengen.

De vrouw stelt dat de omgangsregeling thans zonder veel problemen verloopt en dat er derhalve geen gronden bestaan om de omgangsregeling ingrijpend te wijzigen. De vrouw stelt dat de voorgestelde omgangsregeling van de man feitelijk een wijziging van de gewone verblijfplaats van [minderjarige] betekent.

Incidenteel appel ten aanzien van de omgangsregeling

7. Het bezwaar van de vrouw tegen de omgangsregeling is het feit dat [minderjarige] pas om 19:00 dient te worden teruggebracht. [minderjarige], die thans 5 jaar oud is, moet dan vrijwel gelijk naar bed, waardoor er voor de moeder verder geen tijd beschikbaar is om enige inhoud te geven aan de omgang met [minderjarige].

De man kan zich niet verenigen met hetgeen de vrouw in incidenteel appel ten aanzien van de omgangsregeling naar voren heeft gebracht nu dit er uiteindelijk toe zal leiden dat hij [minderjarige] nog minder bij zich zal hebben dan thans het geval is. Het overgrote deel van de aan de man toegemeten tijd brengt [minderjarige] immers op school door.

Incidenteel appel ten aanzien van de schoolvakanties en het paspoort

8. De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte enige waarde heeft gehecht aan de ongefundeerde stelling van de man dat zij met [minderjarige] naar Rusland zou willen vertrekken. De vrouw heeft haar leven in Nederland opgebouwd. Van enige noodzaak of behoefte om definitief naar Rusland terug te keren is bij de vrouw geen sprake. Door in de beschikking op te nemen dat de schoolvakanties in Nederland moeten worden doorgebracht, dreigt [minderjarige] het contact met haar familie in Rusland te verliezen. De vrouw acht het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat zij haar familie in Rusland kan bezoeken en kennis maakt met de culturele en maatschappelijke achtergronden van haar familie in Rusland.

De man wenst onder geen beding dat de vrouw [minderjarige] meeneemt naar Rusland. De man stelt dat de rechtbank terecht rekening heeft gehouden met het feit dat de vrouw op enig moment met [minderjarige] naar Rusland zou kunnen vertrekken. De vrouw heeft de man recentelijk nog voorgehouden dat zij, wanneer het haar niet bevalt, met [minderjarige] naar Rusland zal vetrekken.

Incidenteel appel ten aanzien kinder- en partneralimentatie

9. De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de man niet in staat is kinder- en partneralimentatie te betalen aan de vrouw. De rechtbank is uitgegaan van de financiële gegevens uit 2006. Inmiddels is er enige tijd verstreken en moet de man in staat worden geacht om financiële gegevens over te leggen van zijn WW-uitkering en van zijn internetbedrijf tot en met het derde kwartaal van 2007.

De man stelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat hij geen draagkracht heeft. De man stelt dat wanneer het hof van oordeel is dat de financiële situatie van de man opnieuw bekeken moet worden, hetzelfde dient te gelden voor de financiële situatie van de vrouw. De man heeft ter zitting verklaard dat hij bereid is een voorlopige kinderalimentatie aan de vrouw te betalen van € 20, - per week in het belang van [minderjarige].

10. Het hof overweegt als volgt.

Uit de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de man en de vrouw hun gedragingen als ouders na scheiding nog niet goed op elkaar kunnen afstemmen en dat zij niet goed met elkaar kunnen communiceren. Dit vormt een belemmering om tot overeenstemming te komen over een allesomvattende ouderschapsregeling rond [minderjarige]. Het hof is van oordeel dat [minderjarige] er het meest bij gebaat is dat de ouders komen tot een heroriëntatie op het ouderschap na scheiding en acht aannemelijk dat deze heroriëntatie door middel van ouderschapsonderzoek bewerkstelligd kan worden. Het hof zal daarom zo een onderzoek gelasten.

Vanaf 20 december 2008 en gedurende het te gelasten ouderschapsonderzoek tot aan de door het hof te geven eindbeschikking zullen partijen zich houden aan de, door de voorzieningenrechter (in het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 augustus 2008) vastgelegde afspraak van partijen inhoudende dat:

de man [minderjarige] op drie opeenvolgende zaterdagmiddagen één uur bij zich zal hebben. De omgang zal plaatsvinden in het bijzijn van een vriendin van de moeder, bij de man genoegzaam bekend. De omgang vindt plaats in een kinderboerderij en op een tijdstip dat partijen in onderling overleg zullen bepalen. Het staat partijen vrij de voornoemde omgangsregeling in onderling overleg voor te zetten, dan wel uit te breiden.

11. Het hof zal als deskundige benoemen:

mevrouw drs. L.C.M. Franck-Schaekens,

Pastoor van Spaandonkstraat 6,

4811 BS Breda,

telefoon: 076-5212512,

e-mail: m.franck@wanadoo.nl.

12. Het hof zal tevens een raadsheer-commissaris benoemen onder wiens leiding het onderzoek zal plaatsvinden. De deskundige kan zich, indien daartoe aanleiding is, met de raadsheer-commissaris verstaan omtrent het verloop en voortgang van het onderzoek.

13. Partijen dienen de deskundige binnen 14 dagen nadat deze beschikking is gegeven te voorzien van afschriften van de processtukken.

14. Het hof zal de behandeling van de zaak aanhouden tot 30 mei 2009 pro forma, teneinde het onderzoek door de deskundige te laten plaatsvinden. Deze krijgt de opdracht onderzoek te verrichten en daarbinnen, zo mogelijk met toepassing van mediationtechnieken, met beide ouders tezamen gesprekken te voeren, met het doel enerzijds het ouderschap na scheiding zodanig vorm te doen geven dat [minderjarige] – gegeven de omstandigheden – zo goed als mogelijk zal kunnen profiteren van beide ouders en anderzijds het vertrouwen over en weer tussen de ouders in zodanige mate te doen herstellen dat deze zelfstandig tot afspraken kunnen komen omtrent hetgeen hen verdeeld houdt. Het hof acht het wenselijk dat de deskundige [minderjarige] in het onderzoek betrekt. De deskundige heeft zich bereid verklaard dit onderzoek op zich te nemen.

15. Het hof wenst dat de deskundige bij het uit te voeren onderzoek de volgende vragen betrekt:

a. Hoe is de relatie van de ouders met elkaar, in het bijzonder: is er een patroon in de wijze waarop zij met elkaar omgaan herkenbaar en hoe kan deze omgang worden verbeterd?

b. Hoe is de relatie van [minderjarige] met enerzijds de vrouw respectievelijk de man individueel en anderzijds beide ouders tezamen (het oudersysteem, met speciale aandacht voor hechting en loyaliteit)?

c. Welke zijn de pedagogische en affectieve mogelijkheden van respectievelijk de vrouw en de man?

d. Waaraan moet de opvoedingssituatie van [minderjarige] voldoen, gelet op haar individuele behoefte?

e. Ten aanzien van de gewone verblijfplaats van [minderjarige]: bij wie van de ouders is het gewone verblijf van [minderjarige] het meest geëigend?

f. In hoeverre is ieder van de ouders in staat om bij de uitvoering van een omgangsregeling rekening te houden met de behoeften van [minderjarige]?

g. In hoeverre zijn de ouders in staat elkaar ruimte te bieden voor omgang met [minderjarige]?

h. Wat betekent dit voor de omgang van [minderjarige] met de ouder die haar niet dagelijks verzorgt?

i. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van [minderjarige]?

16. De deskundige dient het hof te rapporteren over het verloop en de resultaten van het onderzoek. Tevens dient de deskundige – bij gebreke van overeenstemming tussen de man en de vrouw – de gestelde vragen te beantwoorden en het hof te adviseren omtrent de gewone verblijfplaats van [minderjarige] en de omgangsregeling.

17. Bij toepassing van de artikelen 195 en 199 Rv (hierna:RV) komen de kosten van een deskundigenbericht in dagvaardingsprocedures ten laste van partijen. In procedures die worden ingeleid met een verzoekschrift zijn die bepalingen in artikel 284 lid 1 Rv van overeenkomstige toepassing verklaard, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. Indien het in het belang van het kind nodig is dat een ouderschapsonderzoek plaatsvindt, biedt deze bepaling het hof de ruimte een deskundige aan te wijzen zonder partijen hiervoor een voorschot te vragen en in debet te stellen. Het hof is van oordeel dat de onderhavige zaak aan dit criterium voldoet en zal derhalve bepalen dat de kosten, tot een maximumbedrag van € 4.500,- inclusief verschotten, de door de coaches van de ouderdag daarvoor in rekening gebrachte kosten en de BTW, ten laste van het rijk zullen komen. De deskundige dient te declareren aan de hand van een tijdsverantwoording en op basis van een uurtarief (of een gedeelte daarvan) van € 107,50 per uur exclusief BTW.

18. Nu de moeder heeft verzocht om een bijdrage in kinderalimentatie voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] en de vader ter zitting heeft verklaard dat hij bereid is een voorlopige kinderalimentatie van € 20, - per week te betalen, zal het hof bepalen dat de man hangende het onderzoek bij wijze van voorlopige regeling € 20, - per week aan kinderalimentatie zal betalen aan de vrouw.

19. Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van heden voorlopig op € 80,- per vier weken, bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze voorlopige regeling uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de verdere behandeling van de zaak aan tot 30 mei 2009 pro forma, ter fine als vermeld in rechtsoverwegingen 14;

gelast een deskundigenonderzoek als omschreven in rechtsoverwegingen 10 tot en met 16;

benoemt tot deskundige mevrouw drs. L.C.M. Franck-Schaekens, voornoemd;

verzoekt de deskundige zo spoedig mogelijk het onderzoek aan te vangen;

bepaalt dat de kosten van de deskundige door de griffier zullen worden betaald en ten laste van ’s Rijks kas zullen komen, een en ander met inachtneming van het hiervoor in rechtsoverweging 17 bepaalde;

benoemt tot raadsheer-commissaris, onder wiens leiding het onderzoek zal plaatsvinden:

mr. A.E. Mos-Verstraten;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal zenden;

bepaalt dat de man en de vrouw binnen twee week na de datum van deze beschikking een afschrift van de processtukken ter beschikking van de deskundige zullen stellen en dat de ouders alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

bepaalt dat de deskundige tijdig voor de hierboven vermelde pro forma datum het hof zal rapporteren over het verloop en de resultaten van het ouderschapsonderzoek;

bepaalt dat uit het deskundigenbericht moet blijken dat de ouders door de deskundige in de gelegenheid zijn gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen, met vermelding van de inhoud van de eventuele opmerkingen en verzoeken;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mos-Verstraten, van Nievelt en Punselie bijgestaan door mr. Prins als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2008.