Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BJ5034

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-12-2008
Datum publicatie
12-08-2009
Zaaknummer
105.012.495/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatie draagkracht en winst uit onderneming. Startende onderneming laat niet toe dat liquide middelen aan bedrijf worden onttrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 17 december 2008

Zaaknummer : 105.012.495.01

Rekestnummer. : 065-H-08

Rekestnr. rechtbank : FA RK 06-6903

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. I.M.N. Thewessen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.M. van Wijk.

VERDERE PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 27 februari 2008, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Bij die beschikking is de man niet ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep ten aanzien van de echtscheiding en is iedere verdere beslissing aangehouden.

Van de zijde van de man zijn op 22 februari 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw is op 13 maart 2008 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingekomen.

Van de zijde van de man is op 9 april 2008 een verweerschrift op het incidenteel appel ingekomen.

Op 5 september 2008 is de mondelinge behandeling van de zaak voortgezet. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de advocaat van de vrouw. De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Met instemming van beide advocaten is de zaak vervolgens aangehouden tot 22 oktober 2008.

Van de zijde van de man zijn op 10 oktober 2008 per fax aanvullende stukken ingekomen, welke stukken op 14 oktober 2008 per gewone post zijn ingekomen.

Op 22 oktober 2008 is de mondelinge behandeling van de zaak voortgezet. Verschenen zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten, die allen het woord hebben gevoerd, de advocaat van de man onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitaantekeningen.

Volgens mededeling van partijen ter terechtzitting is de echtscheidingsbeschikking op 7 april 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

VERDERE BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil zijn thans nog inzake de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw ten laste van de man, hierna ook: de partneralimentatie: de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.

2. De man verzoekt (voor zover thans in hoger beroep nog van belang) de bestreden beschikking deels te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw door de man met ingang van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking op nihil wordt gesteld, althans maximaal op een bedrag van € 507,28 bruto per maand in plaats van het eerder in het appelschrift genoemde bedrag van € 137,20 per maand (vóór fiscaal voordeel), althans op een dusdanig bedrag als het hof in goede justitie redelijk acht.

3. De vrouw betwist het hoger beroep van de man en verzoekt in incidenteel hoger beroep bij beschikking zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de vastgestelde partneralimentatie en, opnieuw rechtdoende, een partneralimentatie ten laste van de man te bepalen op € 2.050,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

II. te bepalen dat de alimentatieverplichting van de man, zoals volgt uit de Wet Limitering alimentatieverplichtingen, wordt verlengd met een periode van minimaal viereneenhalve maand.

4. De man verzoekt de vrouw in haar incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, dan wel de verzoeken van de vrouw af te wijzen of ongegrond te verklaren en in principaal en incidenteel appel die beslissing te nemen die het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

Behoefte

5. De man stelt dat de rechtbank de behoefte van de vrouw ten onrechte heeft gesteld op een bedrag van € 1.197,- netto per maand. De man voert hiertoe aan dat het netto gezinsinkomen € 4.409,- per maand bedroeg en dat de kosten van de kinderen op basis van dit inkomen € 1.290,- per maand bedragen. Wanneer de hofregel (inhoudende dat de behoefte van de alimentatiegerechtigde ex-echtgenoot volgt uit vermenigvuldiging met 60% van het verschil tussen het netto gezinsinkomen en het daaruit afgeleide eigen aandeel ouders in de kosten van de kinderen) wordt toegepast, kan de behoefte van de vrouw volgens de man gesteld worden op € 900,- per maand. Het primaire standpunt van de man is echter dat de vrouw in het geheel geen behoefte heeft, aangezien zij in eigen levensonderhoud zou moeten kunnen voorzien. Haar leeftijd, opleiding en arbeidsverleden bieden de vrouw volgens de man daartoe voldoende mogelijkheden. Verder stelt de man nog dat de vrouw inmiddels een nieuwe partner heeft met wie zij samenwoont en met wie zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voert.

6. De vrouw betwist de stellingen van de man en stelt dat uitgegaan dient te worden van het netto besteedbaar inkomen, en dat de rechtbank derhalve terecht is uitgegaan van een netto besteedbaar inkomen van € 5.000,- per maand. Hoewel de rechtbank destijds volgens de vrouw juist heeft geoordeeld, is thans de behoefte van de vrouw gestegen. De oorzaak hiervan is dat de vrouw thans een WW-uitkering ontvangt van 70% van het voor haar geldende dagloon. De vrouw stelt dat haar netto inkomen, inclusief vakantiegeld en heffingskortingen, thans € 700,- per maand bedraagt, zodat haar behoefte aan een bijdrage van de man thans € 1.397,- netto per maand bedraagt. Voorts betwist de vrouw dat zij in eigen levensonderhoud kan voorzien. Zij voert hiertoe aan dat zij in verband met de zorg voor de kinderen tijdens het huwelijk van partijen altijd parttime heeft gewerkt, en dat het haar verder aan voldoende relevante werkervaring ontbreekt. Daarnaast, zo stelt de vrouw, is zij fysiek niet in staat om te werken.

7. Het hof overweegt als volgt. Voor zover de man met het door hem gestelde omtrent de samenwoning van de vrouw met een nieuwe partner beoogt een beroep te doen op artikel 1:160 BW, is het hof van oordeel dat de man deze stelling - mede in het licht van de betwisting door de vrouw - onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof passeert derhalve deze stelling.

8. Nu partijen in eerste aanleg inzake de behoeftebepaling van de vrouw zijn uitgegaan van toepassing van het uitgangspunt dat inmiddels algemeen bekend is onder de aanduiding ‘hofnorm’, zal het hof dit uitgangspunt in hoger beroep bij gebreke van andere gegevens eveneens hanteren, met dien verstande dat de conform die norm berekende behoefte dient te worden verminderd met het feitelijke inkomen van de vrouw dat thans, onweersproken, € 700,- netto per maand bedraagt. Het hof acht voorts voldoende aannemelijk geworden dat vrouw als gevolg van een medische ingreep respectievelijk de nasleep van een mishandeling op straat niet in staat is meer inkomen te verwerven dan thans het geval is.

9. Het hof is van oordeel dat de rechtbank de huwelijksgerelateerde kosten van levensonderhoud van de vrouw van € 2.097,- netto per maand juist heeft vastgesteld, zodat het hof dit bedrag eveneens tot uitgangspunt neemt. Gelet hierop en op hetgeen hierboven is overwogen, stelt het hof de behoefte van de vrouw aan een uitkering tot levensonderhoud vast op € 1.397,- netto per maand.

Draagkracht

10. De man stelt dat hij onvoldoende draagkracht heeft om het door de vrouw in eerste aanleg verzochte bedrag aan partneralimentatie van € 1.000,- bruto per maand te kunnen voldoen. Hij stelt dat hij maximaal € 507,28 bruto per maand kan betalen, zoals volgens hem blijkt uit de als produktie 18 bij het verweerschrift in het incidentele appel overgelegde draagkrachtberekening. De vrouw is van mening dat de man over voldoende draagkracht beschikt.

11. Het hof gaat bij het bepalen van de draagkracht van de man uit van een bruto jaarinkomen van € 83.241,-, conform de door hem overgelegde jaaropgave 2007, welk bedrag, zoals ter terechtzitting is besproken, verminderd dient te worden met een bedrag van € 7.900,- aan fiscaal belaste bijtelling voor het privégebruik van de zakelijke auto. Het hof neemt daarbij over hetgeen de rechtbank heeft overwogen en beslist en voegt daaraan het navolgende toe. Gezien de jaarstukken, in historisch perspectief en onderling verband bezien, is het hof van oordeel, dat sprake is van een beginnend bedrijf en dat uit die stukken niet kan worden afgeleid, dat sprake is van geldstromen van zodanige omvang, dat het redelijk zou zijn van de man te verlangen om -naast zijn inkomen - nog liquide middelen aan het bedrijf te onttrekken ter vergroting van zijn draagkracht. Bij dit oordeel behoeft de stelling dat de vrouw met enige bewijslast zou zijn belast, geen bespreking meer.

12. Het hof neemt in aanmerking een onweersproken eigenwoningforfait van € 1.740,-, zoals door de man opgevoerd in zijn draagkrachtberekening. Voorts houdt het hof rekening met de toepasselijke heffingskortingen.

13. Ten aanzien van de door de man opgevoerde lasten overweegt het hof als volgt.

14. De man heeft hypotheeklasten opgevoerd inzake een eerste hypotheek van € 954,- per maand, alsmede lasten uit een tweede hypotheek aangegaan in verband met de vergoeding wegens overbedeling aan de vrouw van € 469,58 per maand. Ter terechtzitting is zijdens de man opgemerkt dat de hypotheeklasten eigenlijk nog hoger zijn. Het hof gaat hieraan voorbij, nu de man geen consequenties aan zijn opmerking heeft verbonden. De vrouw is van mening dat met de kosten van de tweede hypotheek geen rekening dient te worden gehouden, onder meer omdat de hoogte van voormelde vergoeding wegens overbedeling nog onzeker is.

Het hof is van oordeel dat voormelde hypotheeklasten behoudens de navolgende periode volledig in aanmerking dienen te worden genomen, nu er naar zijn oordeel geen sprake is van bovenmatige woonlasten. Nu de vrouw ter terechtzitting heeft verklaard dat de vergoeding wegens overbedeling op 26 oktober 2008 aan haar is uitgekeerd, zal het hof over de periode van 7 april 2008 tot 1 oktober 2008 de hypotheeklasten van € 465,58 buiten beschouwing laten.

15. Het hof acht het redelijk rekening te houden met de door de man opgevoerde premie zorgverzekering, inclusief aanvullende verzekering van € 152,- per maand. De vrouw heeft ter terechtzitting gesteld dat de premie overlijdensrisicoverzekering van € 123,- per maand te hoog is. Het hof is evenals de rechtbank en op dezelfde gronden van oordeel dat met deze last rekening dient te worden gehouden. Het hof houdt tevens rekening met de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 328,- per maand, alsmede de premie levensverzekering van € 123,- per maand nu deze gekoppeld is aan de hypotheek.

16. Het hof houdt evenals de rechtbank en op dezelfde gronden rekening met de door de man in hoger beroep opgevoerde kosten van kinderopvang, te verminderen met de door hem ontvangen tegemoetkoming in deze kosten. Ten aanzien van de kosten van de oppas aan huis, acht het hof het redelijk een bedrag van € 94,- per maand in aanmerking te nemen, conform het verweerschrift van de vrouw. Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden houdt het hof geen rekening met de overige ten behoeve van de kinderen opgevoerde kosten. Op de man is voorts de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder van toepassing en een draagkrachtpercentage van 45.

17. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de man - in acht genomen de fiscale consequenties - voor de periode van 7 april 2008 tot 1 oktober 2008 een partneralimentatie voor de vrouw toelaat van € 1.358,- per maand en voor de periode met ingang van 1 oktober 2008 van € 1.100,- per maand, welke alimentatie, gelet op haar behoefte en andere inkomsten in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven, zodat de bestreden uitspraak in zoverre moet worden vernietigd.

Verlenging alimentatieplicht

18. De vrouw stelt dat de man hoger beroep tegen de echtscheiding heeft ingesteld louter en alleen om de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking te vertragen en aldus zijn alimentatieplicht uit te stellen. Zij is derhalve van mening dat de alimentatieplicht van de man dient te worden verlengd met een termijn die overeenkomt met de duur van de door de man veroorzaakte vertraging. De man betwist dat hij misbruik van procesrecht heeft gemaakt door het instellen van hoger beroep tegen de echtscheiding.

19. Het hof overweegt als volgt. De stelling van de vrouw snijdt geen hout nu het op een later tijdstip inschrijven van de echtscheidingsbeschikking niet afdoet aan de termijn van twaalf jaren gedurende welke in beginsel het recht op de uitkering tot levensonderhoud bestaat en welke termijn eerst op voormeld tijdstip van inschrijving een aanvang neemt. Het verzoek van de vrouw dient derhalve te worden afgewezen.

20. Hetgeen partijen over een weer verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen nadere bespreking aangezien dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

21. Het hof ziet geen aanleiding de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding voor zover betreffende de zitting op 5 september 2008, zoals ter terechtzitting zijdens de man is verzocht, en zal dit verzoek afwijzen.

22. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze de toekenning van de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw ten laste van de man, voor de periode van 7 april 2008 tot 1 oktober 2008 op € 1.358,- per maand en voor de periode met ingang van 1 oktober 2008 op € 1.100,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Pannekoek-Dubois en Bouritius, bijgestaan door mr. De Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 december 2008.