Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BH0978

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-12-2008
Datum publicatie
30-01-2009
Zaaknummer
105.012.839.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugbetaling teveel ontvangen kinderalimentatie.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 392
Burgerlijk Wetboek Boek 1 404
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2009/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 10 december 2008

Zaaknummer : 105.012.839.01

Rekestnummer : 410-D-08

Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-7712

[de vader],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A. Ester,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. E. Keijzerwaard.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 11 maart 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 12 december 2007 van de rechtbank Dordrecht.

De moeder heeft op 6 mei 2008 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 26 maart 2008 en 4 november 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 15 oktober 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Op 5 november 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Partijen hebben het woord gevoerd, mr. Ester onder meer aan de hand van een bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is - met wijziging van de beschikking van 9 februari 2005 en uitvoerbaar bij voorraad - bepaald dat de vader aan de moeder met ingang van 9 februari 2005 tot en met 31 december 2005 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de hierna te noemen minderjarigen dient te betalen van € 239,- per kind per maand, te vermeerderen met iedere uitkering die hij op grond van geldende wetten of andere regelingen voor de minderjarigen kan of zal worden verleend.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de kinderalimentatie voor de minderjarigen:

[minderjarige], geboren [in] 1995 te [geboorteplaats],

[minderjarige], geboren [in] 1996 te [geboorteplaats],

[minderjarige], geboren [in] 1997 te [geboorteplaats], en

[minderjarige], geboren [in] 1999 te [geboorteplaats],

hierna tezamen te noemen: de kinderen, die bij de moeder verblijven.

2. De vader verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar inleidend verzoek, althans dit verzoek af te wijzen en de moeder te veroordelen om aan de vader ten titel van onverschuldigd betaalde kinderalimentatie een bedrag te voldoen van € 6.600,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2008, dan wel vanaf de dag van indiening van dit beroepschrift, tot aan de dag der algehele voldoening, zulks met veroordeling van de moeder in de kosten van het geding.

3. De moeder bestrijdt zijn beroep en verzoekt het hof voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, dan wel het beroep af te wijzen, met veroordeling van de vader in de kosten van deze procedure.

4. Het hof stelt vast dat de rechtbank in de bestreden beschikking heeft geoordeeld dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden aan de zijde van de vader in het jaar 2005, in die zin dat hij in dat jaar een lijfrentepolis heeft laten uitkeren. De rechtbank heeft naar aanleiding van die wijziging van omstandigheden de behoefte van de kinderen en het aandeel van partijen in de kosten van de kinderen, opnieuw vastgesteld.

5. De vader is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden aan zijn zijde, die tot gevolg heeft dat de kinderalimentatie in de periode van 9 februari 2005 tot en met 31 december 2005 gewijzigd dient te worden. Hij betwist dat de kinderen dienen te profiteren van de opbrengst van de afkoop van de levensverzekeringspolis.

6. De moeder heeft zijn stellingen gemotiveerd weersproken.

7. Het hof overweegt als volgt. De vader heeft in december 2005 een lijfrentepolis laten uitkeren. Het uitgekeerde bedrag van de polis bedroeg € 22.332,- bruto. Door het laten uitkering van de polis is het inkomen van de vader in dat jaar gestegen.

8. Het hof is evenwel van oordeel dat de omstandigheid dat de vader de lijfrentepolis tot uitkering heeft laten komen, geen wijziging van omstandigheden is, die een wijziging van de kinderalimentatie rechtvaardigt en overweegt daartoe als volgt.

9. In eerste aanleg heeft de vader verklaard dat hij in verband met financiële problemen, die waren ontstaan, omdat hij moest rondkomen van een uitkering van het UWV en er al geruime tijd bijzondere kosten waren (waaronder de kosten van de echtscheidingsprocedure), ervoor gekozen heeft de lijfrentepolis tot uitkering te laten komen. Tussen partijen staat vast dat de vader niet in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand.

10. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking overwogen dat de vader blijkens zijn aangifte inkomsten 2006 per 1 januari 2005 nog over een vermogen beschikte van € 29.010,-, terwijl per 31 december 2006 nog een vermogen van € 20.939,- resteerde, zodat hij ook (een deel van) het vermogen had kunnen aanwenden voor het betalen van de advocaatkosten.

11. Het hof stelt vast dat ten tijde van de bestreden beschikking de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen nog niet was geschied, zodat de vader niet vrijelijk kon beschikking over het door de rechtbank vastgestelde vermogen.

12. Bij beschikking van 19 december 2007 heeft de rechtbank Dordrecht ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden (en de verdeling van de pensioenrechten) tussen partijen beslist.

13. De vader heeft uitvoering gegeven aan de beschikking van de rechtbank van 19 december 2007 door, in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, een bedrag van € 35.418,18 aan de moeder te voldoen.

14. De vader is thans 64 jaar. In 2009 zal hij de pensioengerechtigde leeftijd bereiken. In het kader van de verdeling van de pensioenrechten heeft de rechtbank in de beschikking van 19 december 2007 bepaald dat de vader aan de moeder een bedrag van € 38.093,- uit zijn stamrecht B.V. dient te voldoen, alsmede dat aan haar vijf lijfrentepolissen zullen worden toebedeeld.

15. De vader stelt dat hij gezien zijn leeftijd niet meer in staat zal zijn een ontstaan pensioengat als gevolg van de verdeling van de pensioenrechten in de toekomst te dichten. Ter staving van zijn stelling heeft hij een deskundigenrapport overgelegd. De moeder heeft deze stelling van de vader niet gemotiveerd weersproken.

16. Het hof is van oordeel dat, gelet op het specifieke doel waarvoor de vader de lijfrentepolis heeft aangewend (ter delging van met name de advocaatkosten), terwijl de lijfrentepolis was bedoeld als pensioenvoorziening voor de toekomst en de omstandigheid dat hij beschikte over een beperkt inkomen (uit uitkering), het laten uitkeren van de lijfrentepolis geen wijziging van omstandigheden is die van invloed is op zijn alimentatieverplichting jegens de kinderen.

17. Uit het vorenstaande volgt dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd. Het inleidend verzoek van de moeder zal alsnog worden afgewezen. De vader is derhalve een bijdrage in kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen verschuldigd, zoals de rechtbank Dordrecht die in de echtscheidingsbeschikking van 9 februari 2005 heeft vastgesteld.

18. De vader heeft nog verzocht om de moeder te veroordelen aan hem ten titel van onverschuldigd betaalde kinderalimentatie een bedrag te betalen van € 6.600,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2008.

19. Het hof is van oordeel dat het in het onderhavige geval redelijk is om dit van de moeder te verlangen. De moeder heeft er al geruime tijd rekening mee kunnen houden, dat zij met een terugbetalingsverplichting kan worden geconfronteerd. Voorts acht het hof van belang dat de moeder in het kader van de verdeling van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap een vermogen heeft verkregen van € 35.418,18. De moeder heeft derhalve voldoende liquide middelen om het teveel ontvangen bedrag aan kinderalimentatie terug te betalen en in verhouding tot haar vermogen kan dat van haar in redelijkheid worden verlangd. De stelling van de moeder dat de kinderalimentatie is geconsumeerd, doet daaraan niet af.

20. Het hof ziet geen aanleiding om, zoals de vader en moeder over en weer hebben verzocht, de wederpartij te veroordelen in de kosten van deze procedure.

21. Hetgeen partijen ieder voor zich voorts nog naar voren hebben gebracht behoeft, gelet op het vorenstaande, naar het oordeel van het hof geen bespreking meer, omdat dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

22. Mitsdien dient als volgt te worden beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het inleidend van de moeder alsnog af;

bepaalt dat de moeder aan de vader dient terug te betalen het bedrag van € 6.600,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van deze beschikking tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pannekoek-Dubois, Labohm en Hulsebosch, bijgestaan door mr. Wijtzes als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2008.