Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BG9002

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-12-2008
Datum publicatie
07-01-2009
Zaaknummer
105.012.739/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Behoeftevaststelling kind in Suriname: in redelijkheid. Geen aansluiting zoeken bij de tabel kosten van kinderen, die is gebaseerd op de situatie in Nederland en niet zonder meer kan worden toegepast ter bepaling van de behoefte van een kind dat in het buitenland woont.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 10 december 2008

Zaaknummer : 105.012.739/01

Rekestnummer : 310-H-08

Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-3206

[appellant]

wonende te [woonplaats]

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. D.L. Kruijdenhof,

tegen

[geïntimeerde]

wonende te [woonplaats]

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. J. Burema.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 22 februari 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 27 november 2007.

De vader heeft op 21 april 2008 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 24 maart 2008 en 18 juli 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Op 1 augustus 2008 is de zaak mondeling behandeld, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. De verdere behandeling is daarbij aangehouden tot een nader mee te delen datum, teneinde de vader in persoon te doen verschijnen tot het toelichten van bepaalde stellingen en het geven van verdere inlichtingen en daartoe de verschijning in persoon van de vader te bevelen.

Op 22 oktober 2008 is de mondelinge behandeling van de zaak voortgezet. Verschenen zijn: de advocaat van de moeder en de vader, bijgestaan door zijn advocaat. De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is het verzoek van de moeder tot vaststelling van een door de vader aan haar te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de hierna te noemen minderjarige van € 250,- per maand met ingang van de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [naam], geboren [in 1998] te [woonplaats], hierna te noemen: [kind], die bij de moeder in Paramaribo verblijft.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en haar inleidende verzoek alsnog toe te wijzen, dan wel een bedrag vast te stellen conform de daadwerkelijke draagkracht van de vader, hetgeen volgens de moeder meer dan € 40,- per maand is.

3. De vader bestrijdt het beroep van de moeder en verzoekt haar te veroordelen in de kosten van de procedure (het hof leest: de kosten van het geding in hoger beroep).

4. De moeder stelt in de eerste grief dat de rechtbank ten onrechte geoordeeld heeft dat ten aanzien van de berekening van de behoefte niet kan worden uitgegaan van de “Tabel eigen aandeel kosten kinderen” omdat die situatie ervan uit gaat dat de onderhoudsgerechtigde in Nederland woont en dat, nu de moeder en [kind] in Suriname wonen, sprake is van een andere situatie. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het aan de moeder was om een overzicht van de kosten van [kind] over te leggen en zij, nu zij dit heeft nagelaten, de stelling dat [kind] behoefte heeft aan een bijdrage van € 250,- per maand onvoldoende heeft onderbouwd.

5. De vader is van mening dat de rechtbank de juiste beslissing heeft genomen door te bepalen dat de zogeheten Trema-normen de Nederlandse situatie als uitgangspunt kennen en dat, nu het kind de vaste verblijfplaats in Suriname heeft, het op de weg van de moeder had gelegen de behoefte van [kind] nader te onderbouwen.

Behoefte van [kind]

6. Het hof oordeelt als volgt. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat Nederlands recht van toepassing is. De Tremanormen waarop de moeder zich in het kader van de behoefteberekening van [kind] beroept, vormen echter geen recht. Het hof zal bij de behoefteberekening, nu het gaat om een kind dat met zijn moeder in Suriname woont, geen aansluiting zoeken bij de voornoemde tabel kosten van kinderen, die is gebaseerd op de situatie in Nederland en niet zonder meer kan worden toegepast ter bepaling van de behoefte van een kind dat in het buitenland woont.

7. Nu de behoefte niet op basis van (Nederlandse) normbedragen bepaald zal worden, zal de behoefte aan de hand van de feitelijke kosten van [kind] vastgesteld worden. Evenals in eerste aanleg, heeft de moeder in hoger beroep nagelaten voldoende inzicht te geven in de kosten van [kind]. De door de moeder overgelegde stukken zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende om te kunnen concluderen dat de behoefte van [kind] € 250,- per maand bedraagt. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de moeder de stelling van de vader dat de gemiddelde ambtenaar in Suriname ongeveer 1.350 Surinaamse dollars netto per maand verdient, en dat dit neerkomt op ongeveer € 340,- per maand, niet heeft weersproken. In het licht daarvan is zonder nader bewijs niet aannemelijk dat de behoefte van een ongeveer 10 jarige minderjarige € 250,- per maand bedraagt. Nu de moeder zodanig nader bewijs niet heeft overgelegd, acht het hof het onaannemelijk dat de behoefte van [kind] naar Surinaamse maatstaven € 250,- per maand bedraagt. Wel neemt het hof aan, dat de moeder behoefte heeft aan enige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind], nu de vader dat niet heeft bestreden. Het hof vindt daarin aanleiding de behoefte van [kind] aan een bijdrage zijdens de vader in redelijkheid te stellen op € 100,- per maand.

Draagkracht van de vader

8. Ter zitting is het de vader toegestaan stukken met betrekking tot zijn draagkracht in het geding te brengen. Als onweersproken staat vast dat de vader een salaris heeft van € 2.902,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag. De vader heeft de navolgende maandelijkse lasten opgevoerd:

a) € 350,- huur;

b) € 118,- premie zorgverzekering;

c) € 250,- bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van zijn meerderjarige dochter;

d) € 341,- aflossing credit card;

e) € 85,- aflossing op schuld bij Dexia;

f) € 200,- aflossing op schuld bij ING Bank;

g) € 200,- aflossing op schuld bij SNS Bank.

9. De moeder heeft het door de vader gestelde inkomen niet bestreden en de door hem opgevoerde lasten, met uitzondering van de premie zorgverzekering, betwist en voert daartoe aan dat er geen bewijsstukken van zijn overgelegd.

10. Het hof oordeelt als volgt. De door de vader opgevoerde lasten ten aanzien van huur en premie zorgverzekering, acht het hof aannemelijk en het hof zal deze lasten in aanmerking nemen. Voorts houdt het hof rekening met de schuld bij SNS Bank, aangezien de vader het bestaan van deze schuld en het feit dat hij voor de aflossing daarvan een betalingsregeling heeft getroffen voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Het hof houdt tevens rekening met de bijdrage van € 228,- per maand, zoals berekend door de Informatie Beheer Groep, en waarvan het hof het aannemelijk acht dat hij dat daadwerkelijk aan zijn meerderjarige dochter ten behoeve van haar studiekosten betaalt.

11. Ook met de aflossing op de schuld bij Dexia zal het hof rekening houden, gezien de in eerste aanleg overgelegde stukken omtrent die schuld. Het hof houdt geen rekening met een bedrag groot € 341,-, betreffende een aflossing op een credit-cardschuld. Uit het door de vader overgelegde afschrift van zijn girorekening blijkt slechts één betaling, welke betaling zeer wel slechts betrekking kan hebben op in de voorafgaande maand door de vader met zijn credit-card gedane uitgaven. Van een schuld van enige omvang is niet gebleken. Ook omtrent een schuld bij de ING Bank is niets gebleken, zodat het hof ook geen rekening houdt met de terzake door de vader aangevoerde aflossingen. Het voorgaande brengt met zich dat de draagkracht van de vader de bijdrage toelaat die [kind], zoals hierboven onder rechtsoverweging 7 is overwogen, behoeft.

12. Nu het verzoek in eerste aanleg is ingediend op 31 mei 2007, zal het hof de ingangsdatum bepalen op 1 juni 2007.

13. Het hof ziet geen aanleiding om de moeder te veroordelen in de kosten van het hoger beroep, zoals door de vader is verzocht.

14. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van [kind] met ingang van 1 juni 2007 op € 100,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Bouritius, Pannekoek-Dubois en Husson, bijgestaan door mr. Vermaas-Koetsier als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2008.