Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BG8148

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-12-2008
Datum publicatie
23-12-2008
Zaaknummer
105.002.872-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BN8534, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BN8534
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Artikel 4:953 (oud) BW. Nietigheid testament. Het begrip "'ziekte" in de zin van genoemd wetsartikel.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 32
RFR 2009, 30
JIN 2009/111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector familie

Rolnummer : 05/0393

Zaaknummer (ReIS) : 105.002.872/01

Rolnummer rechtbank : 04/1056

arrest van de familiekamer van 23 december 2008

inzake

[appellant 1.],

wonende te [woonplaats]),

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats],

3. [appellante 3.],

wonende te [woonplaats],

4. [appellant 4.],

wonende te [woonplaats],

5. [appellante 5.],

wonende te [woonplaats],

6. [appellante 6.],

wonende te [woonplaats],

7. [appellant 7.],

wonende te [woonplaats],

8. [appellante 8.],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna te noemen: [de appellanten],

advocaat mr. R.P. Kröner,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat mr. W. Hendriksen.

1. Het geding

1. Bij exploot van 11 februari 2005 zijn [de appellanten] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank te ‘s-Gravenhage op 24 november 2004 tussen de partijen gewezen.

2. Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.

3. Bij memorie van grieven met zeventien producties hebben [de appellanten] zevenentwintig grieven aangevoerd, bewijs aangeboden en gevorderd dat het hof het door de rechtbank te ’s-Gravenhage onder rolnummer 04/1056 tussen [de appellanten] en [geïntimeerde] op 24 november 2004 gewezen vonnis zal vernietigen, en, op nieuw rechtdoende, de oorspronkelijke vorderingen van [de appellanten] zoals omschreven in de inleidende dagvaarding van 23 december 2003 alsnog, met uitzondering het reeds toegewezene, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, volledig zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten in beide instanties.

4. Bij memorie van antwoord met vier producties heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het door [de appellanten] ingestelde beroep zal verwerpen en het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met hoofdelijke veroordeling van [de appellanten] in de proceskosten in beide instanties.

5. Op 28 november 2007 is de zaak bepleit, namens ieder van partijen door hun desbetreffende advocaat.

6. Partijen hebben hun procesdossiers aan het hof overgelegd.

2. Beoordeling van het hoger beroep

Feiten en vorderingen

1. Tegen de feiten zoals door de rechtbank vastgesteld onder 1.1, 1.2, 1.6 tot en met 1.8, 1.10 en 1.11 in het bestreden vonnis is niet opgekomen, zodat het hof in dit hoger beroep van die feiten uitgaat.

2. In eerste aanleg hebben [de appellanten] de rechtbank gevorderd de uiterste wilsbeschikking van [de overledene] van 17 januari 2000, voor zover betreffende de benoeming van [geïntimeerde] tot enig en algeheel erfgenaam van de nalatenschap, (primair) nietig te verklaren dan wel (subsidiair) de vernietiging van dat gedeelte van de wilsbeschikking uit te spreken. Voorts hebben [de appellanten] de rechtbank gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen inzage te verstrekken in en afschriften te verstrekken van de bescheiden die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de voordelen die hij op grond van zijn benoeming tot erfgenaam heeft genoten, te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] gehouden is tot ongedaanmaking van die voordelen en de zaak te verwijzen naar een schadestaatprocedure teneinde de omvang van de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] en de ten laste van hem komende buitengerechtelijke incassokosten vast te stellen. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [de appellanten] afgewezen. Tegen die afwijzing en de daarvoor gegeven motivering zijn de grieven gericht.

Procedurele aspecten in eerste aanleg (grieven I tot en met IV)

3. Bij gelegenheid van de pleidooien heeft de raadsman van [de appellanten] verklaard de grieven I tot en met IV in te trekken. Het hof zal deze dan ook bij zijn beoordeling van het geschil buiten beschouwing laten.

4. Het hof zal met betrekking tot het voorgaande eerst ingaan op de grieven XVI tot en met XVIII in welke grieven – kort gezegd – het oordeel van de rechtbank wordt bestreden, inhoudende dat de toestand waarin [de overledene] verkeerde, niet onder het begrip “ziekte” in artikel 4: 953 (oud) BW kan worden geschaard.

5. [de appellanten] betogen daartoe dat de rechtbank bij haar overweging ten aanzien van het begrip “ziekte”voorbijgaat aan de verhouding tussen een strafrechtelijke en een civielrechtelijke norm. Door de interpretatie van het begrip ziekte in strafrechtelijke zin overeenkomstig van toepassing te verklaren (althans te laten zijn) op de uitleg van het desbetreffende begrip in civiele zin geeft de rechtbank blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover “lijden aan het leven” niet als een ziekte kan worden gekwalificeerd, menen [de appellanten] dat “lijden aan het leven” wel degelijk onder de werking van artikel 4:953 (oud) BW dient te worden gebracht. De wettekst van artikel 4: 953 (oud) BW laat ruime marges toe bij de interpretatie van de elementen die in het artikel besloten liggen en tot toepasselijkheid van het artikel aanleiding kunnen geven. De strekking van het wetsartikel is de bescherming van de testateur tegen de invloed van de beroepsbeoefenaar. [de appellanten] zijn echter primair van mening dat “lijden aan het leven” als een ziekte behoort te worden gekwalificeerd. [de appellanten] beroepen zich voor deze stelling op een rapport van prof. dr. R.G.J. Westendorp, hoogleraar ouderengeneeskunde te Leiden, van 3 februari 2005.

6. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij stelt dat de voedsel- en vochtweigering geen symptoom is van enige (geestes)ziekte, maar moet worden gezien als een gezien de leeftijd, onder de gegeven omstandigheden, wel invoelbaar en in ieder geval te respecteren besluit, voortvloeiend uit de wens om tot aan het eind de controle over het eigen leven uit te oefenen. [geïntimeerde] verwijst naar een door hem in eerste aanleg overgelegd deskundigenrapport van prof. dr. W.H.L. Hoefnagels, hoogleraar geriatrie te Nijmegen, van 6 september 2004.

Aan de Wet BIG kan niet de stelling worden ontleend dat het begrip ziekte zeer ruim moet worden opgevat. Het is juist in het belang van de rechtszekerheid dat ten aanzien van de beperkingen van de testeervrijheid weinig ruimte voor interpretatie is omdat die ruimte kan leiden tot twijfel aan de rechtsgeldigheid van uiterste wilsbeschikkingen en dat is niet wenselijk.

7. Het hof overweegt als volgt. Om te kunnen vaststellen dat de bestreden uiterste wil nietig is, moet ingevolge het te dezen toepasselijke artikel 4:953 lid 1 oud BW cumulatief zijn voldaan aan de navolgende drie vereisten: (i) [geïntimeerde] moet [de overledene] tijdens haar ziekte behandeld hebben; (ii) de uiterste wilsbeschikking van [de overledene] moet tot stand zijn gekomen tijdens die ziekte; en (iii) [de overledene] is tengevolge van die ziekte overleden.

8. In het onderhavige geval betreft het een vrouw die [in] 2000 op 95-jarige leeftijd is overleden.

Partijen zijn het er over eens dat zij is overleden nadat zij – al dan niet bij voortduring – had geweigerd voedsel en vloeistof tot zich te nemen. Tussen partijen is ook niet in geschil dat zij aldus heeft gehandeld omdat zij niet langer wenste te leven. Beide partijen bedienen zich in dit verband van de term “lijden aan het leven”.

9. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 24 december 2002, NJ 2003, 267 over het begrip “ziekte” het volgende overwogen (rechtsoverweging 4.5):

In de hiervoor onder 4.3 weergegeven rechtspraak van de Hoge Raad ligt niet besloten dat ook in geval van afwezigheid van medisch geclassificeerde somatische of psychische ziektes of aandoeningen hulp bij zelfdoding en euthanasie, verleend onderscheidenlijk toegepast door een arts, onder omstandigheden gerechtvaardigd kunnen zijn. Dat zou overigens ook niet stroken met de in die rechtspraak gestelde eis dat de arts moet hebben gehandeld overeenkomstig wetenschappelijk verantwoord medisch inzicht en overeenkomstig in de medische ethiek geldende normen, alsmede met de vakkennis waarover hij uit hoofde van zijn beroep moet worden geacht te beschikken. Van een dergelijk handelen kan immers geen sprake zijn indien het hulpvragen betreft die niet een ziekte of aandoening tot oorsprong hebben omdat de specifieke deskundigheid van een arts zich zowel wat

de diagnostiek als de behandeling betreft uit haar aard niet tot dergelijke hulpvragen uitstrekt. In dat verband ligt het in de rede om bij afgrenzing van die deskundigheid aansluiting te zoeken bij de in de medische beroepsgroep gehanteerde classificaties van somatische en psychische ziektes en aandoeningen.

Het hof is zich er van bewust dat hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen is gedaan in een strafrechtelijke zaak waarin de vraag centraal stond of een arts, die hulp bij zelfdoding verleent zich met vrucht kan beroepen op een noodtoestand bij afwezigheid van medisch geclassificeerde somatische of psychische ziektes. Dit is een andere zaak dan de onderhavige waarin het begrip “ziekte” centraal staat in een erfrechtelijke kwestie. Evenwel leidt het hof uit vorenaangehaald arrest af dat een “lijden aan het leven”, zonder dat daaraan een somatische of psychische aandoening ten grondslag ligt, niet wordt gekwalificeerd als een ziekte.

De vraag is dan ook of aan het ‘lijden aan het leven” van [de overledene] geheel of mede is te wijten aan een somatische of psychosomatische aandoening.

10. Het hof maakt uit het door [geïntimeerde] overgelegde rapport van prof. dr. W.H.L. Hoefnagels het volgende op.

In het rapport wordt ingegaan op de volgende vragen:

1. Aan welke ziekten en aandoeningen heeft [de overledene] geleden, met name in de periode direct voorafgaand aan haar overlijden?

2. Heeft [de overledene] een of meer medische behandelingen ondergaan van eventuele ziekten en aandoeningen, direct voorafgaand aan haar overlijden?

3. Waaruit bestonden die medische behandeling en door wie werd deze uitgevoerd?

Daartoe heeft prof. Hoefnagels de verpleegkundige rapporten doorgenomen die dagelijks werden opgesteld door medewerkers van het Bureau Individuele Verpleging en Verzorging (IVV) die de thuiszorg van [de overledene] hebben geleverd van 1 september 2000 tot aan het overlijden van [de overledene] op [..] 2000.

Professor Hoefnagels beantwoordt de vragen aldus: er was geen sprake van een ziekte die rechtstreeks of indirect heeft geleid tot haar overlijden, anders dan de dehydratatie en cachexie die het gevolg waren van het door haar zelfstandig, vrijwillig en weloverwogen genomen besluit om geen voedsel en vocht in te nemen. Zij leed niet aan een ziekte. Strikt genomen kan er van een medische behandeling dan ook geen sprake zijn.

11. De huisarts van [de overledene][,] schrijft in een brief van 10 juni 2004 aan advocatenkantoor Van Doorne:

u hebt mij op verzoek van [de ]. [geïntimeerde] gevraagd of mijn patiënte, [(de overledene)], geboren [in] 1904 en overleden [in] 2000, in januari 2000 leed aan een lichamelijke of geestelijke ziekte.

Ik heb de patientenkaart van [de overledene] geraadpleegd en kan u mededelen, dat zij mij die maand niet geconsulteerd heeft en dat zij voor zover mij bekend in die periode ook niet elders onder behandeling was. De laatste keer dat [de overledene] in 1999 contact opnam met mijn praktijk was begin juni.

12. Het hof maakt uit deze rapporten op dat van een somatische aandoening dan wel een psychische aandoening ten gevolge waarvan [de overledene] zou “lijden aan het leven” niet is gebleken. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit het tegendeel blijkt.

Naar aanleiding van het beroep dat [de appellanten] nog hebben gedaan op het rapport van prof. dr. R.G. J. Westendorp van 3 februari 2005 merkt het hof het volgende op. Dit rapport is overigens opgesteld, zo blijkt daaruit, zonder kennisneming van medische gegevens betreffende [de overledene]. Met betrekking tot de vraag of de aandoening die veelal wordt aangeduid als “lijden aan het leven” is te beschouwen als een ziekte, merkt prof. Westendorp op dat dan moet worden uitgezocht welk probleem daarachter kan schuilen. De beslisboom leidt tot drie principiële categorieën:

1. is er een verminderde draagkracht van de patiënt, dat wil zeggen: een actieve rol voor opsporing van ziekten of beperkingen met het doel het lijden hieraan te verminderen?

2. is er sprake van een terminaal lijden op basis van een langer bestaande uitbehandelde ziekte?

3. is er sprake van een uitzichtloze situatie van een reeds bekende ziekte waarvoor geen goede behandelingsmethode meer voorhanden is?

13. Uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen volgt dat het hof uit de stukken niet de gevolgtrekking kan maken dat een van deze vragen positief kan worden beantwoord. Het hof meent dan ook dat uit dit rapport niet kan volgen dat sprake is van een ziekte.

14. Op grond van het vorenstaande komt het hof tot het oordeel dat in dit geval “lijden aan het leven” niet kan worden gekwalificeerd als een ziekte in de zin van artikel 4: 953 (oud) BW. Het hof merkt daarbij nog op, dat het voorstelbaar is dat iemand, die op een zeer hoge leeftijd is gekomen, niet meer wenst te leven en dat deze wens gerespecteerd moet worden.

15. [de appellanten] hebben voorts nog betoogd dat artikel 4: 953 (oud) BW ruim dient te worden uitgelegd en dat “lijden aan het leven”, als dit niet een ziekte is, toch onder de werking van dit wetsartikel kan worden geschaard. Het hof kan [de appellanten] daarin niet volgen. Het zou in strijd zijn met de rechtszekerheid indien ook andere verschijnselen dan ziekte onder dit wetsartikel worden gebracht. Beschermingsbepalingen dienen beperkt te worden uitgelegd nu het om een uitzondering op de handelingsbekwaamheid gaat en derhalve dient aan de in de wet geformuleerde voorwaarden voor nietigheid van een uiterste wil de hand te worden gehouden.

16. Het hof zal het aanbod tot getuigenbewijs en het verzoek tot het doen horen van deskundigen passeren, nu dit, gelet op de overgelegde en hiervoor besproken stukken, op grond waarvan het hof zich voldoende geïnformeerd acht, niet ter zake dienende is.

17. De slotsom is dan ook dat bij [de overledene] niet sprake was van een ziekte. Reeds daarom is niet voldaan aan de voorwaarden die artikel 4: 953 (oud) BW stelt.

Dit een en ander leidt tot de gevolgtrekking dat de grieven XVI tot en met XVIII geen doel treffen. Het hof komt dan niet toe aan een bespreking van de andere twee vereisten.

Nu het beroep van [de appellanten] op toepasselijkheid artikel 4:953 lid 1 (oud) BW niet slaagt, hebben zij geen belang meer bij behandeling van de overige grieven, tot grief XXV, aangezien deze – ook bij gegrondbevinding – niet tot een andere beslissing zullen leiden.

Grieven XXV tot en met XXVII

18. De door [de appellanten] opgeworpen grieven hebben niet geleid tot een andere beslissing dan waartoe de rechtbank is gekomen, zodat zij terecht het door [de appellanten] gevorderde heeft afgewezen en zij [de appellanten] eveneens terecht heeft verwezen in de kosten in eerste aanleg zoals zij heeft gedaan. De grieven XXV tot en met XXVII treffen geen doel.

Bewijsaanbod

19. In de memorie van grieven hebben [de appellanten] hun bewijsaanbod herhaald. Het hof heeft dit aanbod reeds ten dele verworpen bij de behandeling van de grieven XVI tot en met XVIII. Voor het overige hebben [de appellanten] geen belang bij hun bewijs, zodat ook in zoverre hun aanbod dient te worden verworpen.

Conclusie

20. Het bovenstaande brengt mee dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd en dat appellanten, als de in het ongelijk stelde partij, hoofdelijk in de kosten dienen te worden veroordeeld.

3. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis door de rechtbank te ‘s-Gravenhage tussen partijen op 24 november 2004 gewezen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt appellanten hoofdelijk in de kosten van het geding in hoger be¬roep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot deze uitspraak begroot op € 2.973,--, gespeci¬ficeerd als volgt:

- vastrecht € 291,--,

- salaris advocaat € 2.682,--;

verklaart dit arrest ten aanzien van de beslissing over de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders gevorderd is.

Dit arrest is gewezen door mrs. Stille, Labohm en Mink, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 december 2008 in aanwezigheid van de griffier.