Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BG7105

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-10-2008
Datum publicatie
19-12-2008
Zaaknummer
105.012.694/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Begrip voor de tijdelijke omstandigheden waarin de man ten gevolge van de scheiding van partijen terecht kwam: tijdelijk geen draagkracht wordt door het hof aanvaardbaar geacht.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Burgerlijk Wetboek Boek 1 404
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2009/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 22 oktober 2008

Zaaknummer : 105.012.694.01

Rekestnummer : 265-H-08

Rekestnr. rechtbank : FA RK 06-6967

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. D.G.M. van den Hoogen,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.M. van Wijk.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 14 februari 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 20 november 2007.

De vrouw heeft op 25 april 2008 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 21 augustus 2008 en 28 augustus 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Op 5 september 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is, voor zover in hoger beroep van belang, – uitvoerbaar bij voorraad – bepaald dat de man met ingang van 1 oktober 2006 als uitkering tot levensonderhoud van de vrouw zal betalen € 298,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van na te noemen minderjarige kinderen van partijen € 155,- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw ten laste van de man, alsmede de ingangsdatum van de alimentatieplicht van de man jegens de vrouw en van de man jegens de minderjarige kinderen van partijen.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de vrouw ten aanzien van de partneralimentatie af te wijzen en ten aanzien van de kinderalimentatie te bepalen dat deze ingaat op 20 november 2007, dan wel een beslissing te nemen als het hof juist acht.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt – kort weergegeven – de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. Ter zitting is het hof gebleken dat het geschil in hoger beroep zich beperkt tot de vraag of de man in de periode van 1 oktober 2006 tot 1 oktober 2007 voldoende draagkracht heeft gehad om alimentatie te betalen. Partijen hebben te kennen gegeven dat zij overeenstemming hebben bereikt over de hoogte van de alimentatiebedragen over de periode na 1 oktober 2007. Het hof leest het verzoek van de man in hoger beroep aldus, dat hij verzoekt de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw en de bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen over de periode 1 oktober 2006 tot 1 oktober 2007 op nihil te bepalen.

Het hof zal om proceseconomische redenen eerst de tweede grief beoordelen.

5. De man stelt in de tweede grief dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de man met terugwerkende kracht tot 1 oktober 2006 de kinder- en partneralimentatie dient te voldoen. De man voert hiertoe aan dat hij door psychische problemen, veroorzaakt door het uiteengaan van partijen, niet in staat was om te solliciteren, zodat hij in de periode na het uiteengaan geen verdiencapaciteit had. De man is thans in therapie en is aan het werk als vrachtwagenchauffeur. De man stelt dat het op grond van het vorenstaande niet redelijk is de ingangsdatum van de alimentatieplicht te bepalen op 1 oktober 2006.

6. De vrouw betwist dat de man in de periode 1 oktober 2006 tot 1 oktober 2007, geen draagkracht en geen verdiencapaciteit had. Hiertoe voert de vrouw aan dat ook zij psychische problemen heeft gehad na het uiteengaan van partijen, maar dat zij gedwongen was om naar werk te zoeken, teneinde in haar levensonderhoud en dat van de kinderen te kunnen voorzien. De vrouw stelt dat dat van de man ook verwacht had kunnen worden.

7. Het hof oordeelt als volgt. De man is tijdens de samenleving van partijen werkzaam geweest als vrachtwagenchauffeur. Ter zitting heeft de man nader verklaard dat hij ten tijde van het uiteengaan van partijen werkloos was omdat het bedrijf waarvoor hij werkte failliet was gegaan en hij bij de bedrijfsovername niet werd overgenomen. Voorts heeft de man verklaard dat hij ten tijde van de procedure bij de rechtbank weer is gaan solliciteren en dat hij sinds 5 december 2007 als vrachtwagenchauffeur/verhuizer bij een verhuisbedrijf werkzaam is. Zijn inkomen bedraagt thans € 1.861,- bruto per maand. Het netto equivalent daarvan bedraagt € 1.350,- per maand. De man heeft ter zitting desgevraagd nader uiteengezet dat hij gedurende zijn werkloosheid om emotionele en psychische redenen geen werkloosheidsuitkering heeft aangevraagd. De man voelde zich niet in staat om het papierwerk dat een aanvraag voor een uitkering met zich mee brengt te regelen. Ter verwerking van alle gebeurtenissen is de man in 2007 in therapie gegaan.

8. Gelet op de verklaringen van de man ter zitting ten aanzien van (de afwezigheid van) zijn verdiencapaciteit in de periode 1 oktober 2006 tot 1 oktober 2007, acht het hof het voldoende aannemelijk dat het uiteengaan van partijen voor de man ingrijpende emotionele en psychische gevolgen heeft gehad, waardoor de man (tijdelijk) niet in staat is geweest te werken, althans, een hoger inkomen te verdienen dan een inkomen op bijstandsniveau. Het hof is derhalve van oordeel dat de man in de periode vanaf 1 oktober 2006 tot 1 oktober 2007 geen draagkracht, dan wel onvoldoende verdiencapaciteit had om alimentatie te betalen. Naar het hof begrijpt hebben partijen een regeling getroffen over de partner- en kinderalimentatie over de periode met ingang van 1 oktober 2007. De tweede grief van de man slaagt derhalve.

9. Nu met het slagen van de tweede grief aan de man in de periode 1 oktober 2006 tot 1 oktober 2007 geen onderhoudsverplichting zal worden opgelegd en partijen voor de periode na 1 oktober 2007 overeenstemming hebben bereikt, behoeft de eerste grief, waarin de behoefte van de vrouw aan de orde wordt gesteld, geen bespreking meer.

10. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de man met ingang van 1 oktober 2006 tot 1 oktober 2007 te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw op nihil;

bepaalt de door de man met ingang van 1 oktober 2006 tot 1 oktober 2007 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen op nihil;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, Mink en Mulder, bijgestaan door mr. Vermaas-Koetsier als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2008.