Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BG6139

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-12-2008
Datum publicatie
05-12-2008
Zaaknummer
22-004625-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ambtelijke corruptie; aannemen steekpenningen

Met onvoldoende zekerheid is komen vast te staan dat aan de criteria voor het opdracht- of leidinggeven - met name ook aan het aanvaardingscriterium - is voldaan. De verdachte dient derhalve van het aan hem ten laste gelegde - voor zover in hoger beroep nog aan de orde en niet verjaard - te worden vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004625-05

Parketnummer: 10-000020-02

Datum uitspraak: 5 december 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken in de rechtbank Rotterdam van 9 juni 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1945,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 10 oktober 2007, 18 en 20 februari 2008, 3, 16 en 23 juni 2008, 5, 12 en 21 november 2008.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het in hoger beroep aan de orde zijnde feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals op de terechtzittingen in eerste aanleg op vorderingen van de officier van justitie van 7 oktober 2004, 28 februari 2005 en 24 mei 2005 ter terechtzitting gewijzigd. Van de inleidende dagvaarding en wijzigingen is een kopie in dit arrest gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg heeft de rechtbank de dagvaarding partieel nietig verklaard ten aanzien van de feiten 1, 3, 4, 6, 7, 8 en 10. Voorts heeft de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging voor zover het betreft de feiten 3, 6, 7 en 10 geheel, feit 19 deels, te weten voor zover betrekking hebbende op de periode tot 27 april 1997, en de feiten 21 en 22 deels, te weten voor zover betrekking hebbende op de periode vanaf 1 januari 1998. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de onder 1, 2, 4, 5, 8, 9, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17 en 20 tenlastegelegde feiten en de onder 21 en 22 tenlastegelegde feiten voor zover betrekking hebbende op de periode tot 1 januari 1998 en de verdachte ter zake van het onder feit 19 voor het overige tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 180 uren met aftrek van voorarrest, zodat 156 uren, subsidiair 78 dagen vervangende hechtenis, resteren. Tot slot heeft de rechtbank beslist omtrent het beslag zoals nader in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte en door het openbaar ministerie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Bij akte van 26 september 2007 is het appel door het openbaar ministerie ingetrokken.

Omvang van het hoger beroep

In hoger beroep is enkel aan de orde het hoger beroep van de verdediging, welk beroep blijkens de appelakte van 23 juni 2005 beperkt is tot de beslissing met betrekking tot feit 19, kort gezegd: omkoping van [de ambtenaar].

Het hof is van oordeel dat de onderhavige tenlastelegging beschouwd dient te worden als een impliciet cumulatieve tenlastelegging waarin meerdere omkopingsfeiten zijn tenlastegelegd, in de zin van gevoegde strafbare feiten, waarop artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering van toepassing is. Dientengevolge zijn de omkopingshandelingen waarvan de verdachte is vrijgesproken (giften, te weten (bezoek)kosten van de uitgaansgelegenheid Okura en een golfset (ter waarde van ƒ 4.965,95)) niet meer aan de orde in hoger beroep.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van het hof onderworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Verjaring

Op de gronden door de rechtbank aangevoerd komt ook het hof tot het oordeel dat artikel 177 oud van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, dat uitgegaan dient te worden van een oude strafbedreiging van 2 jaren en een verjaringstermijn van 6 jaren en dat de verjaringstermijn gestuit is door de inbewaringstelling van de verdachte op 28 april 2003. Eén en ander brengt met zich dat de feiten gepleegd vóór 28 april 1997 zijn verjaard, derhalve de omkopingshandelingen middels de giften, te weten de (reis- en/of verblijf)kosten van de (golf)reis naar Zwitserland, de (bezoek)kosten van de uitgaansgelegenheid YabYum en een geldbedrag van ƒ 5.000 of daaromtrent, althans geld, en dat het openbaar ministerie ten aanzien van die feiten niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte dient te worden verklaard.

Gevoerde verweren

Gelet op hetgeen hieronder overwogen en de hierna te nemen beslissing van het gerechtshof zal het hof uit proceseconomische overwegingen de door de verdediging gevoerde verweren onbesproken laten.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Aan de verdachte wordt verweten dat hij (tezamen en in vereniging met anderen) opdracht heeft gegeven tot dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan de tenlastegelegde omkoping, door de besloten vennootschap [bedrijf X] gepleegd. Deze omkoping zou hebben bestaan uit het aanbieden van (reis- en/of verblijf)kosten van een (golf)reis naar Schotland en/of Ierland aan [de ambtenaar], hoofd (afdeling) realisatie werken bij de Directie [provincie] van Rijkswaterstaat.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep het uitdrukkelijke standpunt ingenomen dat de verdachte als feitelijk leidinggever aan de ten laste gelegde omkoping kan worden aangemerkt. Van belang hierbij is, dat naar vaste jurisprudentie van feitelijk leiding geven aan een verboden gedraging, begaan door een rechtspersoon, sprake is indien:

1. de rechtspersoon als dader van het strafbare feit kan worden aangemerkt en

2. de verdachte maatregelen ter voorkoming van de verboden gedraging achterwege laat, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden is en hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen, zodat hij die gedraging opzettelijk bevordert.

(zie onder andere de uitspraken van de Hoge Raad van 16 december 1986, NJ 1987, 321 en NJ 1987, 32, 21 januari 1992, NJ 1992, 414, en tevens 18 januari 1994, DD 94, 206)

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat [de ambtenaar] samen met de [technisch directeur van bedrijf X, hierna: technisch directeur], op 3 juli 1997 naar Edinburgh is gevlogen in het vliegtuig van de [bedrijf X]. Beiden hebben gedurende twee nachten in Schotland verbleven en hebben daar één dag gegolfd. Vervolgens zijn zij op 5 juli 1997 naar Cork gevlogen waar zij gedurende enkele uren een tunnel hebben bezocht, waar [de firma Y] (een dochteronderneming van [bedrijf X]) een werk had. Daarna zijn de [technisch directeur] en [de ambtenaar] weer teruggereisd naar Nederland.

De [technisch directeur] heeft op 7 mei 2003 en op 12 mei 2003 bij de Rijksrecherche verklaard dat het bezoek aan de tunnel slechts een dekmantel voor het reisje zou zijn. Werkelijk doel van de reis was het fêteren van [de ambtenaar]. Het zou gaan om een soort "gentlemen's agreement". [De ambtenaar] mocht op kosten van [bedrijf X] allemaal leuke dingen doen. Onuitgesproken was het de bedoeling dat hij hierdoor beslissingen zou nemen die gunstig zouden uitpakken voor [bedrijf X]. Meer in concreto was het de bedoeling dat, door [de ambtenaar] uitgebreid in de watten te leggen, [bedrijf X] de opdracht voor het Ras-Zuid project zou krijgen (processen-verbaal van verhoor van 7 mei 2003 en 12 mei 2003, zaaknummer 20010156, respectievelijk pagina 268 en verder in de ordner Deel I algemeen en pagina 497 en verder in de ordner reis Schotland/Ierland, beiden onderdeel van het Dudokdossier).

Bij de Rijksrecherche heeft de [technisch directeur] voorts verklaard dat de verdachte van het fêteren van [de ambtenaar] zou hebben geweten (zie voornoemd proces-verbaal van verhoor van 7 mei 2003). Het initiatief voor de reis naar Schotland en Ierland zou van [verdachte] dan wel van diens medeverdachte [leidinggevende bij bedrijf X] afkomstig zijn. Volgens de [technisch directeur] vloog hij samen met [de ambtenaar] tijdens het reisje naar Schotland/Ierland met het privévliegtuig van de verdachte, van welk vliegtuig hij niet zonder toestemming van de verdachte gebruik kon maken (zie voornoemd proces-verbaal van verhoor van 12 mei 2003) en heeft hij de verdachte desgevraagd ook over de gang van zaken rond het reisje ingelicht bij brief (proces-verbaal van verhoor van 11 juni 2003, met als bijlage voornoemde brief, zaaknummer 20010156, pagina 90 en verder in de ordner Deel I algemeen van het Dudokdossier).

Later is de [technisch directeur] teruggekomen op deze verklaringen en heeft hij gesteld dat het om een puur zakelijke reis ging en zeker niet om een snoepreisje ter omkoping van [de ambtenaar]. Wat daarbij opvalt is, dat er grote discrepanties bestaan tussen de verschillende verklaringen die de [technisch directeur] heeft afgelegd over het doel van de reis naar Schotland en Ierland.

Het hof heeft in het bijzonder twijfels over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de [technisch directeur] voor zover deze verklaringen betrekking hebben op de rol van de verdachte bij de tenlastegelegde omkoping. Toen de [technisch directeur] deze verklaringen aflegde had hij een zakelijk conflict met de verdachte en diens medeverdachte [leidinggevende bij bedrijf X]. Dit conflict had geleid tot ontslag van de [technisch directeur] en tot een gerechtelijke procedure. Het is goed mogelijk dat deze omstandigheid van invloed is geweest op de verklaringen die de [technisch directeur] heeft afgelegd over de beweerdelijke rol van de verdachte bij de omkopingen.

Het hof stelt voorts vast dat er in het dossier onvoldoende steunbewijs aanwezig is voor de voor de verdachte belastende verklaringen van de [technisch directeur], voor zover deze verklaringen betrekking hebben op de opdrachtgevende of leidinggevende rol van de verdachte bij de tenlastegelegde omkoping. Het hof overweegt dienaangaande in het bijzonder dat de door de advocaat-generaal genoemde brief aan '[naam]' onvoldoende duidelijk is en voor velerlei uitleg vatbaar, zodat deze brief onvoldoende als steunbewijs kan dienen en voorts, dat uit de stukken1 is gebleken, dat het vliegtuig waarmee de [technisch directeur] en [de ambtenaar] naar Schotland en Ierland zijn gevlogen niet het privévliegtuig van de verdachte betrof, maar een zakenjet. Evenmin kan naar 's hofs oordeel de verklaring van [seniormanager bij KPMG] van 21 maart 2003 - die bij repliek door de advocaat-generaal is overgelegd ter voeging in het dossier - dienen als steunbewijs; de door de advocaat-generaal aangehaalde citaten - evengoed als de rest van het verhoor - hebben immers geen betrekking op omkoping van [de ambtenaar], zoals ook door de verdediging is opgemerkt.

Het hof zal daarom de belastende verklaringen van [technisch directeur] niet bezigen voor het bewijs van het ten laste gelegde opdracht- of leidinggeven aangezien het hof deze niet betrouwbaar genoeg acht en deze onvoldoende bevestiging vinden in andere bewijsmiddelen.

Tot slot overweegt het hof dat de betekenis die de advocaat-generaal toeschrijft aan het - kort gezegd - niet-verschijnen van de verdachte ter terechtzitting en het zwijgen van de verdachte, onvoldoende onderbouwd is. De conclusie die de advocaat-generaal daaraan verbindt, wordt dan ook niet door het hof gevolgd en één en ander leidt niet tot een andere waardering van het bewijs.

Nu op grond van de resterende stukken van het dossier en op grond van het onderzoek ter terechtzitting met onvoldoende zekerheid is komen vast te staan dat aan de criteria voor het opdracht- of leidinggeven - met name ook aan het aanvaardingscriterium - is voldaan, dient de verdachte van het aan hem ten laste gelegde - voor zover in hoger beroep nog aan de orde en niet verjaard - te worden vrijgesproken.

Beslag

Ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen, zoals vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen met bijlagen, zal het hof de teruggave gelasten aan de verdachte.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte ter zake van de tenlastegelegde feiten voor zover gepleegd in de periode voor 28 april 1997 (giften, te weten de (reis- en/of verblijf)kosten van een (golf)reis naar Zwitserland, (bezoek)kosten van de uitgaansgelegenheid YabYum en een geldbedrag van ƒ 5.000 of daaromtrent, althans geld).

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde voor het overige heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de voorwerpen, zoals vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen met bijlagen.

Dit arrest is gewezen door mr. J.M. Reinking, mr. A.L.J. van Strien en mr. R.C. Langeler, in bijzijn van de griffier mr. E.J.M. van der Laan.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 5 december 2008.

1 Zie onder andere het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot reis Schotland, zaaknummer 20010156, d.d.16 april 2003 met bijlagen, pagina 304 e.v. in ordner Deel I van het Dudokdossier.