Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BG5700

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-10-2008
Datum publicatie
01-12-2008
Zaaknummer
BK-08/00001
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BL7174, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of de onderhavige onroerende zaak terecht als zelfstandig object is afgebakend. Voorts is in geschil of belanghebbende terecht als gebruikster is aangemerkt. Belanghebbende beantwoordt beide vragen ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2009/191
FutD 2008-2570
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-08/00001

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer d.d. 17 oktober 2008

op het hoger beroep van de (op 31 december 2006 ontbonden) besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [belanghebbende B.V.], statutair gevestigd te [Z], tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 november 2007, nr. AWB 07/2824 WOZ, betreffende na te noemen beschikking en aanslag.

Beschikking, aanslagen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1 Bij beschikking als bedoeld in hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als

[a-straat 1BEDR] te [Z] (hierna de onroerende zaak), op de waardepeildatum 1 januari 2003 en voor het tijdvak van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 vastgesteld op € 254.072. Voorts is aan belanghebbende voor het jaar 2006, in één geschrift vervat met de beschikking, met betrekking tot de onroerende zaak een aanslag opgelegd in de onroerende–zaakbelasting van de gemeente Pijnacker-Nootdorp naar een heffingsmaatstaf van € 254.072.

1.2 Bij de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Pijnacker-Nootdorp (hierna: de Inspecteur) belanghebbendes bezwaren tegen de beschikking en de aanslag afgewezen.

1.3 Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

2. Loop van het geding

2.1 Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 106. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 4 september 2008, gehouden te Den Haag. Aldaar is de Inspecteur wel, doch namens belanghebbende niemand verschenen. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 30 juli 2008 aan [A] op het adres [b-straat 1] te [Q], onder vermelding van plaats en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. De gemachtigde van belanghebbende heeft op 10 september 2008 telefonisch bevestigd dat hij de vorenbedoelde brief tijdig heeft ontvangen en dat hij de zitting niet wilde bijwonen.

2.3 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

3. Verordening

De raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft in zijn openbare vergadering van

22 december 2005 de Verordening onroerende–zaakbelastingen 2006 vastgesteld. Blijkens de inhoud van de gedingstukken is de Verordening op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt.

4. Vaststaande feiten

Het Hof gaat in hoger beroep uit van de door de rechtbank in haar uitspraak vastgestelde feiten.

5. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

5.1 Tussen partijen is in geschil of de onderhavige onroerende zaak terecht als zelfstandig object is afgebakend. Voorts is in geschil of belanghebbende terecht als gebruikster is aangemerkt. Belanghebbende beantwoordt beide vragen ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

5.2 Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

6. Conclusies van partijen

6.1 Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de aanslag.

6.2 De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

7. Beoordeling van het hoger beroep

7.1 De rechtbank heeft naar ’s Hofs oordeel terecht en op goede gronden beslist dat de onroerende zaak correct als zelfstandige bedrijfsruimte is aangemerkt en dat de onderhavige aanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd.

7.2 Voor zover belanghebbende een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel, omdat de gemeente ”geen gebruikersbelasting kent en/of heft over bedrijfsmatig in gebruik zijnde gedeelten van gebouwen die enkel bestemd zijn voor wonen”, faalt dit. Onzelfstandige bedrijfsruimten in onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen en bedrijfsruimten/onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen en wel zelfstandig bruikbaar zijn, vormen juridisch en feitelijk geen gelijke gevallen. Belanghebbende heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een ongelijke behandeling die op grond van de mate van ongelijkheid van de gevallen niet te rechtvaardigen is.

Ook overigens heeft belanghebbende geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan met betrekking tot de in geding zijnde heffing kan worden geconcludeerd dat sprake is van een verboden discriminatie dan wel van enig andere denkbare schending van het gelijkheidsbeginsel en/of sprake is van een willekeurige en onredelijke belastingheffing welke de wetgever redelijkerwijs niet kan hebben beoogd.

7.3 Het vorenoverwogene voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. Bijgevolg moet worden beslist als hierna is vermeld.

8. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

9. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.T. Sanders, U.E. Tromp en B. van Walderveen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 17 oktober 2008 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.