Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BG5646

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-06-2008
Datum publicatie
01-12-2008
Zaaknummer
BK-06/00319
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de door belanghebbende betaalde heffingsrente ten bedrage van € 24.923 bij zijn aangifte terecht in aftrek is gebracht als kosten ter zake van een werkzaamheid, welke vraag door belanghebbende bevestigend en door de Inspecteur ontkennend wordt beantwoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/9.20 met annotatie van Redactie
FutD 2008-2547
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-06/00319

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 3 juni 2008

op het hoger beroep van [belanghebbende] te [Z] tegen de uitspraak van de rechtbank

's-Gravenhage van 31 oktober 2006, nr. AWB 05/1977, LJN: AZ3097, betreffende na te noemen aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.070 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.328.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 105. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 22 april 2008, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3. Het Hof gaat uit van de door de rechtbank in haar uitspraak onder 2.1 tot en met 2.5 vastgestelde feiten. In hoger beroep zijn geen nadere feiten komen vast te staan.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de door belanghebbende betaalde heffingsrente ten bedrage van € 24.923 bij zijn aangifte terecht in aftrek is gebracht als kosten ter zake van een werkzaamheid, welke vraag door belanghebbende bevestigend en door de Inspecteur ontkennend wordt beantwoord.

4.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zijn belastingschuld een rechtstreeks met zijn creditering samenhangende schuld is en dat met die belastingschuld in feite direct en rechtstreeks een deel van het ondernemingsvermogen van de BV is gefinancierd.

4.3. De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd bestreden en stelt zich op het standpunt dat de verschuldigde inkomstenbelasting en de daarover verschuldigde heffingsrente niet kunnen worden gekwalificeerd als een met een vermogensbestanddeel rechtstreeks samenhangende schuld.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vermindering van de aanslag in dier voege dat het belastbare inkomen uit werk en woning nader wordt vastgesteld op € 29.147.

5.2. De Inspecteur heeft primair geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden uitspraak en subsidiair tot een nadere vaststelling van het belastbare inkomen uit werk en woning op

€ 26.105.

Overwegingen omtrent het geschil

6.1. De inkomstenbelasting die door belanghebbende verschuldigd werd wegens door hem genoten winst in zijn in de BV ingebrachte eenmanszaak is naar haar aard een privé-schuld, die geen bestanddeel vormt van het vermogen van de ingebrachte onderneming. De heffingsrente die werd geheven bij de aanslag waarin die belastingschuld werd geformaliseerd, is onderworpen aan hetzelfde etiketteringsregime als die schuld zelf.

6.2. Het vorenstaande brengt mee dat niet kan worden geoordeeld dat de heffingsrente behoort tot het aan de BV ter beschikking gestelde vermogen. Hieraan doet niet af dat de vordering van belanghebbende op de BV bij de inbreng is ontstaan door creditering van de materieel verschuldigde belasting en premies en de afrondingscreditering.

6.3. Gelet op het vorenoverwogene heeft de rechtbank, wat er zij van de gebezigde gronden, het beroep van belanghebbende terecht ongegrond verklaard.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, J.W. baron van Knobelsdorff en

B. van Walderveen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd.

De beslissing is op 3 juni 2008 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

2

nummer BK-06/00319

uitspraak