Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BG5149

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-10-2008
Datum publicatie
24-11-2008
Zaaknummer
22-004155-07 PO
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontnemingszaak. Het hof stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op:

2.168.422,95

200.000,00 +

2.368.422,95 gulden = € 1.074.743,48, afgerond tot:

€ 1.074.740,-.

Het hof legt de veroordeelde tevens de verplichting op het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat aan de Staat te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004155-07 PO

Parketnummer: 13-120116-03

Datum uitspraak: 20 oktober 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Amsterdam

zitting houdende te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam, zittinghoudende te Dordrecht van

29 mei 2007 in de ontnemingszaak tegen de veroordeelde:

[veroordeelde]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres]

Procesgang

Bij arrest van dit gerechtshof van 9 mei 2008 is de veroordeelde - voor zover hier van belang - ter zake van het in zijn strafzaak onder 7 en 8 bewezenverklaarde, gekwalificeerd als:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

Afpersing,

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest.

De rechtbank Amsterdam, zitting houdende te Dordrecht, heeft bij vonnis van 29 mei 2007 het wederrechtelijk door de veroordeelde verkregen voordeel vastgesteld op € 1.905.876,04 en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van ditzelfde bedrag.

Namens de veroordeelde is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 24 september 2007, 16 en 21 november 2007, 8 februari 2008, 25 april 2008 en 8 september 2008.

Het hof heeft de behandeling van de zaak op 21 november 2007 aangehouden teneinde - onder meer - de verdediging in de gelegenheid te stellen haar grieven tegen het vonnis op schrift te stellen en het openbaar ministerie de gelegenheid te geven daarop eveneens schriftelijk te reageren.

Het standpunt van de verdediging is vervolgens neergelegd in een conclusie van antwoord, die op 14 februari 2008 bij het hof is ingekomen, waarna de advocaat-generaal op 28 maart 2008 een conclusie van repliek heeft ingediend.

Vordering van het openbaar ministerie

De oorspronkelijke, bij de rechtbank aanhangig gemaakte vordering van het openbaar ministerie hield in dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van

€ 1.905.120,- ter ontneming van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel uit de in zijn strafzaak bewezenverklaarde feiten. Ter zitting van de rechtbank heeft de officier van justitie de ontnemingsvordering verhoogd tot een bedrag van € 2.188.732,65.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de veroordeelde naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vaststelt op € 1.905.876,04 en voor hetzelfde bedrag de betalingsverplichting aan de veroordeelde oplegt.

Verzoek tot het horen van de getuige II

Ter terechtzitting in deze ontnemingszaak van 8 september 2008 heeft het hof het verzoek tot het horen van deze getuige afgewezen op gronden als vermeld in het proces-verbaal van die zitting. Voor zover de veroordeelde bij gelegenheid van het laatste woord een hernieuwd verzoek tot het horen van deze getuige heeft gedaan, overweegt het hof dat ter staving van dat verzoek geen nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden naar voren zijn gebracht, noch anderszins zijn gebleken, die het hof tot een ander oordeel brengen. Voor het overige is het verzoek onvoldoende onderbouwd. Het verzoek wordt derhalve als niet noodzakelijk afgewezen.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Beoordeling van de vordering

Naar het oordeel van het hof heeft de veroordeelde tot het hierna vermelde bedrag wederrechtelijk voordeel verkregen door middel van of uit de baten van de in zijn strafzaak bewezenverklaarde feiten.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de veroordeelde vorenbedoeld voordeel heeft verkregen op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en ontleent aan de inhoud daarvan tevens de schatting van bedoeld voordeel.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

Motivering van de op te leggen maatregel

Ter zake van het onder 7 bewezenverklaarde:

In zijn strafzaak is de veroordeelde (kort weergegeven) veroordeeld voor het medeplegen van afpersing van III van een bedrag van vier miljoen gulden.

Het hof slaat bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel voor wat betreft voornoemde afpersing in het bijzonder acht op het proces-verbaal met bijlagen van verbalisant IV, d.d. 6 oktober 2007, genaamd "bijlage N", inhoudende een beschrijving van de geldstromen, die zijn voortgevloeid uit genoemde afpersing van deze vier miljoen gulden. Dat proces-verbaal is ter terechtzitting in deze ontnemingszaak van 16 november 2007 op verzoek van de advocaat-generaal door het hof aan het dossier toegevoegd.

In zijn conclusie van repliek heeft de advocaat-generaal betoogd dat het volledige bedrag van vier miljoen gulden aan de veroordeelde moet worden toegerekend omdat de veroordeelde over dat bedrag de feitelijke macht had. De raadsman staat op het standpunt dat de veroordeelde slechts over een deel van dit bedrag de beschikking heeft gekregen.

Het hof overweegt als volgt.

In een ontnemingszaak moet in het geval van mededaderschap vastgesteld worden welk deel van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel in het vermogen van de betrokkene is gevloeid. De ontnemingsmaatregel strekt er immers toe dat de betrokkene het voordeel dat hij zelf daadwerkelijk wederrechtelijk heeft verkregen, wordt ontnomen.

Nu uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende naar voren is gekomen met welke andere en met hoeveel personen de veroordeelde de bewezenverklaarde afpersing heeft gepleegd en daarmee de omvang van het voordeel van elk der daders niet te berekenen of toe te rekenen is, is een pondspondsgewijze verdeling niet mogelijk.

Het hof zal dan ook beoordelen of de veroordeelde, zoals de rechtbank heeft geoordeeld en de advocaat-generaal heeft gesteld, zeggenschap had over, dan wel kon beschikken over het gehele bedrag, in de gegeven situatie dat het afgeperste geld, kort gezegd, door II en met tussenkomst van een ander op een rekening van een bedrijf van I is overgemaakt, van welke rekening de veroordeelde geen gemachtigde was. Indien hiervan sprake is, zal het hof dat bedrag als uitgangspunt nemen voor het aan de veroordeelde toe te rekenen voordeel.

Voor deze beoordeling baseert het hof zich op het onderzoek ter terechtzitting en de aldaar aan de orde gestelde verklaringen van - hierna met name genoemde - getuigen, zoals die zijn neergelegd in de verschillende processen-verbaal in de strafzaak tegen de veroordeelde. De veroordeelde wordt daarin veelal aangeduid met zijn voornaam, I., dan wel achternaam, M.

Op 17 mei 2000 is door III opdracht gegeven tot het overmaken van een bedrag van vier miljoen gulden van zijn bedrijf V naar de derdengeldrekening van notaris VI, onder vermelding van "AFKOOP W.INCL. KOSTEN/BELASTINGEN ETC. T.B.V. A.". Op 24 mei 2000 heeft notaris VI vervolgens - na verrekening van kosten - van deze derdengeldrekening een bedrag van 3.999.634,95 gulden overgemaakt aan VII, waarvan II de directeur was.

II heeft verklaard te hebben geweten (na het storten van het bedrag van 3.999 634,95 gulden op rekening van VII) "dat I het bedrag door III had laten storten en dat hij wist dat het geld niet klopte en crimineel was".1

II heeft voorts verklaard dat hij begreep dat het geld afkomstig was om een misdrijf te versluieren.2

Bij de politie en de rechter-commissaris heeft II vervolgens op diverse momenten en in verschillende bewoordingen verklaard dat I over de vier miljoen gulden kon beschikken. Verwezen wordt naar de volgende voorbeelden uit de - zakelijk weergegeven - verklaringen van II:

- Op de vraag wat er met de vier miljoen gulden moest gebeuren die op de rekening van VII binnenkwam, zei I dat er geen beslissing zonder zijn medeweten genomen mocht worden.3

- I gaf hem met betrekking tot de Spuistraat-gelden steeds opdrachten om overboekingen te doen.4

- "I zei mij in persoon wat ik met het geld moest doen".5

- I zei dat het zijn geld was dat hij, II, gebruikt had, toen hij een deel van het geld ten eigen bate had besteed.

- Hij, II, moest aan I volledig verantwoording afleggen over de rekening.6

- Hij, II, had niets meer te zeggen in zijn BV, alles was van I.7

II heeft tevens verklaard dat, toen die vier miljoen gulden binnenkwam, hij dacht dat hij een (naar het hof begrijpt: voor de Spuistraat aanbetaald) bedrag van circa 750.000 gulden zou kunnen houden. II moest echter in plaats daarvan van de veroordeelde van die 750.000 gulden de kosten betalen die er nog bij VII liepen.8

II heeft ten slotte verklaard dat er vele betalingen zijn gedaan voor I, bijvoorbeeld als I in Hong Kong zat.9 Zo moest hij in opdracht van de veroordeelde drie miljoen gulden naar een spaarrekening overmaken.10 Deze drie miljoen gulden moest hij vervolgens naar verschillende rekeningen boeken. Hij moest hieraan meewerken en kon tegen 1 geen nee zeggen.11 II verklaart verder "dat de overboeking van de 1,4 miljoen gulden naar het bedrijf IX moest van I 1.12 Dat wilde hij (hof: de veroordeelde) zo en dan doe je dat ook". II vervolgt dat hij in de periode na de overboeking naar IX regelmatig in opdracht van I cash geld opnam bij de Rabo Eemnes, wat hij dan vervolgens aan I gaf die buiten zat te wachten. Het ging om bedragen van 40.000 en 50.000 en zelfs een keer 100.000 gulden.13

In de strafzaak heeft het hof14 in zijn arrest overwogen dat vanaf de bankrekening van VII (van II) een bedrag van circa 1.400.000,- gulden is overgemaakt naar een guldenrekening van IX Investments Ltd. op naam van VIII. Deze VIII is door de rechter-commissaris als getuige gehoord en heeft verklaard over een aantal doorboekingen, waaronder een doorboeking op 1 augustus 2000 van 500.000,- gulden naar Bank Leumi te Tel Aviv (Israël) ten gunste van M. 1, zijnde de vrouw van de veroordeelde.15 De veroordeelde was een gemachtigde voor deze rekening. Ter terechtzitting in hoger beroep in de strafzaak heeft de veroordeelde hierover bovendien verklaard dat deze 500.000,- gulden naar zijn rekening in Israel is overgemaakt.16

Ook heeft VIII even verder in zijn verklaring gezegd dat op 7 augustus 2000 495.000,- gulden is overgemaakt naar de rekening van X. VIII heeft verklaard dat dit geld was dat X aan II had geleend en dat hij (VIII), namens II, er op deze manier voor zorgde dat X zijn geld terugkreeg. X heeft hieromtrent verklaard17: dat hij met 1 mee moest naar Zwitserland; dat hij daar hoorde dat er 495.000 gulden op zijn rekening was binnengekomen; dat hij met 1 de bank in ging en daar 271.000 gulden cash opnam; dat 1 deze in ontvangst nam en dat later ook een tweede keer ten behoeve van 1 geld van deze rekening is gehaald ten bedrage van 150.000,- gulden.

Voorts is van de rekening van IX Investment een bedrag van circa 299.000,- gulden naar de derdenrekening van "XI Advocaten" overgemaakt onder vermelding van "1".

De veroordeelde heeft ter terechtzitting in hoger beroep in de strafzaak over voornoemde 271.000,- en 299.000,- gulden een verklaring afgelegd, die naar het oordeel van het hof, in het licht van voornoemde verklaringen en geldstroombeschrijvingen, steun biedt voor het oordeel dat de verdachte metterdaad over deze bedragen kon beschikken. Zo heeft de veroordeelde over het bedrag van 271.000 gulden verklaard dat hij 'erbij was' toen de in Zwitserland opgehaalde 271.000 gulden aan derden werden overhandigd.18 En over "het bedrag van 300.000,- gulden" (het hof: de veroordeelde bedoelt hier kennelijk het voornoemde bedrag van 299.000,- gulden) heeft de veroordeelde verklaard dat hij van dit geld zijn huis en hypotheek heeft betaald.19

Het hof heeft in zijn arrest in de strafzaak overwogen dat de stellingen van de verdachte (thans de veroordeelde) met betrekking tot de geldbedragen die bij hem zijn terechtgekomen en met name de redenen van de aan hem gedane betalingen niet nader door hem zijn onderbouwd, althans niet aannemelijk zijn geworden.20

In het licht van bovenstaande overwegingen, oordeelt het hof dat in deze ontnemingszaak niet aannemelijk is geworden dat de door de veroordeelde ontvangen bedragen niet afkomstig zijn uit de afgeperste vier miljoen gulden. Het hof overweegt dat de behandeling van de ontnemingszaak en hetgeen door en namens de veroordeelde naar voren is gebracht, het hof op deze punten niet tot andere inzichten heeft gebracht. Voorts worden de verklaringen van de getuige II, die in de strafzaak waar het de (onder 7 en 8) tenlastegelegde en bewezenverklaarde gedragingen betreft, als consistent, authentiek en overtuigend zijn beoordeeld, ondersteund door voornoemde verklaring van VIII, de verklaring van de veroordeelde zelf21, alsmede door enkele schriftelijke stukken, die als bijlagen bij het eerdergenoemde proces-verbaal "bijlage N" zijn gevoegd.

Uit voornoemde feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van het hof worden afgeleid dat de veroordeelde volledige zeggenschap had over het op de rekening van VII, als gevolg van de afpersing van III, ontvangen bedrag van 3.999.634,95 gulden.

Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof op grond van het onderzoek ter terechtzitting en meer in het bijzonder het meergenoemde proces-verbaal "bijlage N", echter aanleiding om niet dit totale bedrag van 3.999.634,95 gulden, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat, als betalingsverplichting aan de veroordeelde op te leggen. Ten aanzien van de hoogte van het bedrag dat in het kader van deze ontnemingszaak redelijkerwijs aan de veroordeelde kan worden toegerekend, overweegt het hof als volgt:

In voornoemd proces-verbaal "bijlage N" heeft verbalisant IV geconcludeerd, dat van de afgeperste vier miljoen gulden, een bedrag van 2.281.400,- gulden aan de veroordeelde moet worden toegerekend. Voorts wordt er in dat proces-verbaal van uitgegaan dat II van het afgeperste bedrag 1.387.388,38 (afgerond 1.387.388,-) gulden heeft overgehouden. Aan wie het verschil van 331.212,- gulden (tussen de som van de twee genoemde bedragen en het afgeperste bedrag van vier miljoen gulden) kan worden toegerekend, is, zo relateert deze verbalisant, "tot op heden" onbekend. In datzelfde proces-verbaal komt naar voren dat de boekhouder van II, Tuyp, heeft becijferd dat een bedrag van 1.500.000,- gulden aan II kan worden toegerekend.

Naar het oordeel van het hof dient, voor wat betreft het aan de veroordeelde toe te rekenen voordeel dat is verkregen uit de afgeperste vier miljoen gulden, het door verbalisant IV aan de veroordeelde toegerekende bedrag van 2.281.400,- gulden22 als uitgangspunt te gelden. Tevens zal het hof als aan II toe te rekenen bedrag dat deze feitelijk uit de afgeperste vier miljoen gulden zou hebben verkregen, uitgaan van het door de boekhouder Tuyp aan II toegerekende bedrag van 1.500.000,- gulden. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat dit bedrag door de veroordeelde aan II is geschonken of door toedoen en met medeweten van de veroordeelde aan II als opbrengst is toegedeeld. Het hof zal in het voordeel van de veroordeelde voorts het door IV benoemde verschilbedrag in mindering brengen.

Samenvattend dient het bedrag waarop het in de strafzaak onder 7 bewezenverklaarde feit aan wederrechtelijk voordeel van de veroordeelde naar het oordeel van het hof te worden geschat op:

3.999.634,95

1.500.000,00 -

331.212,00 -

2.168.422,95 gulden.

Ter zake van het onder 8 bewezenverklaarde (afpersing van II):

De veroordeelde heeft ter terechtzitting van dit hof in de strafzaak verklaard dat II op 18 april 2002 door tussenkomst van notaris VI200.000,- gulden aan hem heeft overgemaakt.23 Bij zijn arrest van 9 mei 2008 in de strafzaak heeft het hof geoordeeld dat deze betaling heeft plaatsgevonden als gevolg van afpersing van II door de veroordeelde. Naar het oordeel van het hof dient dit bedrag dan ook in het kader van deze ontnemingszaak als wederrechtelijk verkregen voordeel te worden ontnomen.

Berekening van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen stelt het hof het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op:

2.168.422,95

200.000,00 +

2.368.422,95 gulden = € 1.074.743,48, afgerond tot:

€ 1.074.740,-.

Het hof zal de veroordeelde tevens de verplichting opleggen het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat aan de Staat te betalen.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op

€ 1.074.740,--

(één miljoen vierenzeventigduizend en zevenhonderdveertig euro)

Legt aan de veroordeelde, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van

€ 1.074.740,--

(één miljoen vierenzeventigduizend en zevenhonderdveertig euro)

Dit arrest is gewezen door mr. S.K. Welbedacht,

mr. C.P.E.M. Fonteijn- Van der Meulen en mr. W.F. Groos, in bijzijn van de griffier mr. J.P. Lahr.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 oktober 2008.

1 II, bij de politie, 2 maart 2005, bijlage 1.13

2 II, bij de politie, 7 maart 2005, bijlage 1.211

3 II, bij de politie, 28 april 2005, bijlage 1.30

4 II, bij de rc, 14 juni 2006, bijlage 1.189

5 II, bij de politie, 1 maart 2005 bijlage 1.3

6 II, bij de politie, 28 april 2005, bijlage 1.30

7 II, bij de rc, 14 juni 2006, bijlage 1.197

8 II, bij de politie, 28 april 2005, bijlage 1.29

9 II, bij de rc, 14 juni 2006, bijlage 1.189

10 II, bij de politie, 2 maart 2005, bijlage 1.13

11 II, bij de politie, 7 maart 2005, bijlage 1.211

12 II, bij de politie, 2 maart 2005, bijlage 1.13, en ook 3 maart 2005, bijlage 1.30

13 II, bij de politie, 28 april 2005, bijlage 1.30, en ook in vergelijkbare bewoordingen bij de rc, 14 juni 2006, bijlage 1.189

14 Pagina 23

15 VIII bij de rc op 29 augustus 2005. Zie in dit verband ook het pv IV d.d. 10 oktober 2007, zoals op de terechtzitting van

16 november 2007 (pagina 5 proces-verbaal) aan het dossier toegevoegd, pagina 2.

16 Verdachte ttz hof, septemberzittingen, pag. 29

17 X bij de politie op 28 september 2005, bijlage 17.17-17.18

18 Verdachte ttz hof, septemberzittingen, pag. 28

19 Verdachte ttz hof, septemberzittingen, pag. 28

20 Arrest, pagina 24, 2e alinea

21 Zie de verklaring van de veroordeelde over onder meer de 500.000 gulden, zie proces-verbaal van de zitting van 8 september 2008

22 Proces-verbaal IV, bijlage N, zie pagina 1

23 Verdachte ttz hof van 14 september 2007, zie proces-verbaal september zittingen