Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BG5071

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-08-2008
Datum publicatie
01-12-2008
Zaaknummer
105.006.501.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hebben betalingen, door de man aan de vrouw gedaan, betrekking op de kosten van de huishouding.

Bewijsaanbod van de man terzake door de rechtbank ten onrechte verworpen.

Geen reden om in relatiekwesties zoals de onderhavige, de verjaringstermijn ruim te nemen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 99
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 356
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2009/43
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector familie

Zaaknummer : 105.006.501./01

Rolnummer (oud) : 2007/0636

Rolnummer rechtbank : 49632/HA ZA 05-483

arrest van de familiekamer d.d. 28 augustus 2008

inzake

[appellant],

wonende te Oudelande,

appellant tevens incidenteel gëintimeerde,

hierna te noemen: de man,

procureur: mr. M.L. Kleyn,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te Oudelande,

geïntimeerde tevens incidenteel appellant,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur: mr. W. Heemskerk.

Het geding

Bij exploot van 14 mei 2007 is de man in hoger beroep gekomen van het vonnis van 25 april 2007 van de rechtbank te Middelburg tussen de partijen gewezen.

Bij vonnis van 15 augustus 2007 van de rechtbank Middelburg heeft de rechtbank een fout hersteld betreffende het vonnis van 25 april 2007.

Bij vonnis van 10 oktober 2007 van de rechtbank te Middelburg heeft de rechtbank bepaald dat hoger beroep is toegelaten tegen het in het geschil tussen partijen gewezen vonnis in conventie van 25 april 2007.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.

Bij memorie van grieven (met producties) heeft de man vijf grieven aangevoerd.

Bij memorie van antwoord (met producties) heeft de vrouw de grieven bestreden. Tevens heeft zij incidenteel hoger beroep ingesteld onder aanvoering van één grief.

Bij memorie van antwoord in het incidentele hoger beroep heeft de man de grief bestreden.

De partijen hebben hun procesdossiers aan het hof overgelegd en arrest gevraagd.

In het procesdossier van de vrouw ontbrak de memorie van antwoord in het incidentele hoger beroep.

Beoordeling van het principale en incidentele hoger beroep

Vordering man in appel

1. De man heeft gevorderd, het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van de vrouw in eerste aanleg in conventie alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, althans als ongegrond af te wijzen en in reconventie de vorderingen van de man alsnog toe te wijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding in beide instanties, waaronder uitdrukkelijk begrepen de kosten van procureurssalaris.

Vordering vrouw in incidenteel appel.

2. De vrouw heeft gevorderd, bij arrest voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank te Middelburg van 25 april 2007 deels te vernietigen op de wijze als verwoord in de aangevoerde grief met toelichting, met bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank te Middelburg van 25 april 2007 voor het overige, met veroordeling van de man in de kosten van het incidentele appel.

Feiten

3. Tegen de feiten zoals door de rechtbank vastgesteld in het vonnis van 25 april 2007 is geen grief gericht, zodat het hof ook van die feiten uitgaat.

Geldlening vrouw aan man

4. De vrouw heeft gesteld dat zij aan de man een bedrag heeft geleend van ƒ 120.000,-, hetgeen is vastgelegd in een overeenkomst van geldlening van 5 februari 1999. Deze overeenkomst van geldlening is door de vrouw in het geding gebracht.

5. De man heeft onder meer gesteld dat de handtekening onder de overeenkomst van geldlening niet van hem afkomstig is.

6. In rechtsoverweging 4.2 van het bestreden vonnis van 25 april 2007 heeft de rechtbank overwogen dat door middel van een deskundigenonderzoek moet worden vastgesteld of de handtekening onder de overeenkomst van geldlening afkomstig is van de man. De deskundige dient een schriftexpert te zijn. De rechtbank heeft overwogen dat aan de deskundige de navolgende vraag moeten worden voorgelegd:

1. Is de handtekening onder de geldleningovereenkomst als bedoeld onder 2.1 en overgelegd als productie 1 bij de dagvaarding, van de man?

De deskundige dient de originele handtekening van de man te vergelijken met de handtekening onder de geldleningovereenkomst.

7. Voorts heeft de rechtbank in het bestreden vonnis overwogen dat partijen bij akte dienen aan te geven of zij kunnen instemmen met de vraagstelling en aangeven of zij benoeming van één dan wel drie deskundigen wensen en hun voorkeur uitspreken voor de perso(o)n(en) van de deskundige(n). Partijen hebben zich hierover nog niet uit gelaten.

Betalingen door de vrouw aan de man.

8. De vrouw heeft gesteld dat zij de geldlening aan de man in delen ter beschikking heeft geteld. In de periode van 18 september 1995 tot 1 april 1997 heeft de vrouw aan de man in totaal overgeboekt een bedrag van ƒ 118.056,92. Op de bankafschriften is als omschrijving aangegeven:

1. house rent;

2. boat;

3. loan.

Vast staat dat de vrouw voor een bedrag van ƒ 48.000,- heeft overgeschreven met de vermelding loan.

9. In rechtsoverweging 4.10 van het bestreden vonnis heeft de rechtbank overwogen dat de vrouw in de gelegenheid zal worden gesteld om nader bewijs te leveren van haar stelling dat de overige bedragen ƒ 118.056,92 – ƒ 48.000,-= ƒ 70.056,92 eveneens betrekking hebben op de lening die de vrouw aan de man heeft versterkt. De vrouw heeft het bewijs nog niet geleverd.

Kosten van de huishouding

10. De man heeft in de grieven 1 en 4 van zijn hoger beroep gesteld dat de bedragen die de vrouw aan hem heeft overgeboekt ( het hof begrijpt het bedrag van ƒ 118.056,92) betrekking hebben op een bijdrage die de vrouw heeft geleverd ter dekking van de gemeenschappelijke huishouding.

11. De man heeft daartoe onder meer aangevoerd:

1. Partijen hadden gezamenlijk behoorlijke lasten. Zij beschikten gezamenlijk over een wagenpark met een wisselend aantal auto`s.

2. De man droeg de lasten van de dagelijkse gang van de huishouding van de woning te Arnemuiden.

3. Het bedrag dat de vrouw op zijn bankrekening overboekte werd direct overgemaakt naar zijn betaalrekening.

4. Partijen verbleven in hoofdzaak in Nederland en niet in de woning van de vrouw in Noorwegen.

5. De gezamenlijke kosten bleven en werden ook vrijwel voortdurend door de man bekostigd.

6. De vrouw heeft aan de man pas in december 1999 aangekondigd dat de relatie definitief voorbij was.

7. De man had geen invloed op de omschrijving die de vrouw vermelde op de overschrijvingen.

12. De man is van mening dat de rechtbank ten onrechte zijn bewijsaanbod heeft gepasseerd, inhoudende dat de man door middel van getuigen wenst te bewijzen dat de betalingen door de vrouw aan hem betrekking hadden op de kosten van de huishouding.

13. De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd weersproken. De vrouw heeft daartoe onder meer aangevoerd:

1. Door de vrouw wordt ontkend dat zij met de man heeft samengewoond.

2. Er is nimmer sprake geweest van een wagenpark, er was slechts één auto die kon rijden.

3. Partijen hebben nimmer gezamenlijke verzekeringen gehad.

4. De man had zijn woning en zijn spullen en de vrouw had haar woning in Noorwegen.

5. Onjuist is de stelling van de man dat partijen in hoofdzaak in de woning van de man in Nederland verbleven. Gedurende een periode van zes maanden is het voorgekomen dat de vrouw gedurende haar verlof periodes bij de man verbleef.

6. De vrouw houdt er rekening mee dat het best mogelijk zou kunnen zijn dat de man het geldbedrag dat hem maandelijks werd geleend heeft overgemaakt naar zijn Postbankrekening.

7. Slechts bij een enkele gelegenheid heeft de man de vrouw vergezeld in Noorwegen.

8. De affectieve en fysieke relatie tussen partijen was medio 1996 op initiatief van de vrouw beëindigd.

9. De man heeft zelf verklaard dat hij niet of nauwelijks lasten had, zodat het de rechtbank niet aannemelijk is voorgekomen dat de vrouw heeft moeten bijdragen in de kosten van de door de man beweerdelijk bestaande gemeenschappelijke huishouding, met het bedrag van ƒ 2000,- per maand.

14. Het hof overweegt als volgt. Uit de gewisselde stukken volgt dat partijen gedurende enige tijd een affectieve relatie met elkaar hebben gehad. Voorts acht het hof het aannemelijk dat de vrouw gedurende enige tijd in de woning van de man heeft verbleven alsmede dat de man gedurende enige tijd gebruik heeft gemaakt van de woning van de vrouw in Noorwegen. Uit de gewisselde stukken volgt eveneens dat de vrouw in de periode dat partijen een relatie met elkaar hadden bedragen naar de rekening van de man overschreef met de vermelding: loan, boat, house rent. In de periode dat de vrouw deze bedragen naar de man overboekte was de overeenkomst van geldlening in ieder geval nog niet schriftelijk opgesteld. De overeenkomst van geldlening is volgens de vrouw op 5 februari 1999 door partijen ondertekend. Gezien dit feitencomplex en het uitdrukkelijke aanbod van de man dat hij bereid is om door middel van getuigen te bewijzen dat de aan hem overgeboekte bedragen bijdragen betroffen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding zal het hof de man toelaten tot zijn bewijsaanbod. Grief 1 en grief 4 treffen derhalve doel.

Wilsgebreken en verjaring

15. De rechtbank heeft overwogen dat in het midden kan blijven of de geldleningovereenkomst vernietigbaar is wegens wilsgebreken. Indien de geldleningovereenkomst wordt vernietigd werkt deze vernietiging terug tot het tijdstip waarop de rechtshandeling is verricht. Het bedrag dat door de vrouw is betaald, is dan onverschuldigd betaald en de vrouw heeft dan recht op terugbetaling.

16. De man stelt in grief 2 dat de vrouw niet als grondslag van haar vordering heeft gekozen onverschuldigde betaling. De vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling kan niet worden toegewezen aangezien deze is verjaard.

17. Volgens de vrouw begint de verjaringstermijn van 5 jaar pas te lopen, als aan twee voorwaarden is voldaan, te weten bekendheid met de vordering en bekendheid met de schuldenaar. In de visie van de vrouw begint de verjaring - inzake de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling - te lopen nadat de overeenkomst van geldlening is vernietigd.

18. Het hof overweegt als volgt. Het hof is van oordeel dat grief 2 om proceseconomische redenen in de huidige stand van de procedure nog geen bespreking behoeft.

Verjaring reconventionele vordering

19. De man stelt dat hij bij akte uitdrukkelijk naar voren heeft gebracht dat enig beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De man is van mening dat in relatiekwesties er aanleiding is om de verjaringstermijn ruim te nemen.

20. De vrouw heeft een aantal verjaringen opgevoerd, daar de reconventionele vorderingen van de man primair behelsden een vordering tot afgifte van zaken en veroordeling tot betaling van een geldsom. Er was sprake van verschillende wettelijke verjaringen, die echter allen een verjaringstermijn van 5 jaar kenden. Bij het instellen van de vordering in reconventie waren deze aanspraken reeds lange tijd verjaard. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld, dat alsdan dus slechts een natuurlijke verbintenis is overgebleven. Een natuurlijke verbintenis valt niet te verrekenen met een opeisbare vordering. Volgens de vrouw is een verjaringstermijn een fatale termijn en kan deze niet worden opgerekt op basis van de omstandigheden van het geval. Ten aanzien van de Harley Davidson motorfiets is de vordering tot afgifte van de man verjaard op grond van artikel 3:99 BW. De vrouw heeft op 19 maart 2000 de eigendom van de roerende zaak verkregen, zodat zij tot aan de eis in reconventie gedurende drie jaren onafgebroken het bezit van deze zaak heeft gehad.

21. Het hof overweegt als volgt. De schuldenaar kan zich op de bevrijdende verjaring beroepen zonder dat hem kwade trouw kan worden tegengeworpen. De bestaansredenen van het instituut der verjaring zijn hoofdzakelijk gelegen in de wens, de schuldenaar te beschermen en de belangen van de gemeenschap te bevorderen. De verjaring strekt tot bescherming van de schuldenaar, doordat zij hem beveiligt tegen verouderde aanspraken. Zonder dit instituut zou de debiteur tot in lengte van dagen kunnen worden aangesproken voor een schuld. Het instituut van de verjaring strekt tevens in het belang van de gemeenschap. De verjaring bevordert immers de rechtszekerheid en daarmede het algemeen welzijn. Volgens de man is er in relatiekwesties aanleiding om de verjaringstermijn ruim te nemen. In het onderhavige geval is er naar het oordeel van het hof geen rechtens relevante rechtsgrond aan te wijzen op grond waarvan de verjaringstermijn verlengd dient te worden. De voormalige relatie tussen de man en de vrouw rechtvaardigt niet dat de verjaringstermijn wordt verlengd: een dergelijke verlenging acht het hof in strijd met de beginselen van het instituut van de verjaring.

22. In eerste aanleg heeft de vrouw reeds gesteld – blz. 12 conclusie van antwoord in reconventie – dat zij de aan haar toebehorende ongerestaureerde motorfiets heeft meegenomen. De vrouw heeft geen spullen meegenomen die niet aan haar in eigendom toebehoorden. In appel herhaalt de vrouw haar stelling dat de motorfiets aan haar toebehoorde, ondanks het feit dat de groene kaart van de motor op naam van de man stond. Uit de feiten volgt dat de motorfiets op 19 maart 2000 door de vrouw bij de man is opgehaald. De man heeft bij de politie geen aangifte gedaan dat de vrouw onrechtmatig de motorfiets heeft meegenomen, tevens heeft de man de vrouw niet gesommeerd tot teruggave van de motorfiets. Op basis van deze feiten gaat het hof er vanuit dat de vrouw bevoegd was om de motorfiets op te halen en heeft zij daarmee zich het bezit verschaft van de motorfiets. Ook de vordering ter zake de motorfiets is verjaard. De grieven 3 en 5 treffen geen doel.

Incidentele appel.

23. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen gaat het hof om proceseconomische redenen thans nog niet in op het incidentele appel.

Proceseconomie

24. Gezien het feit dat een aantal grieven van de man doel treffen, zal het hof om proceseconomische redenen de zaak conform artikel 356 Rv aan zich houden.

Recapitulatie

25. De man zal worden toegelaten tot bewijs van zijn stelling dat de aan hem overgeboekte bedragen een bijdrage betroffen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.

26. Het hof wenst dat een schriftdeskundige onderzoekt of de handtekening van de man onder de overeenkomst van geldlening – die is overgelegd bij de inleidende dagvaarding – van hem afkomstig is.

27. Partijen dienen bij akte aan te geven of zij kunnen instemmen met de vraagstelling en aangeven of zij benoeming van één dan wel drie deskundigen wensen en hun voorkeur uitspreken voor de perso(o)n(en) van de deskundige(n).

28. De vrouw wordt in de gelegenheid gesteld om nader bewijs te leveren van haar stelling dat de overige bedragen

ƒ 118.056,92 – ƒ 48.000,-= ƒ 70.056,92 eveneens betrekking hebben op de lening die de vrouw aan de man heeft versterkt.

29. Het hof zal een raadsheer-commissaris benoemen ten overstaan van wie het getuigen verhoor zal plaatsvinden.

Beslissing

bepaalt dat de zaak weer wordt uitgeroepen ter rolle van dinsdag 28 oktober 2008 opdat:

1. de man bij akte een opgave doet van de getuigen die hij wenst te horen ter zake de in rechtsoverweging 25 genoemde bewijsopdracht.

2. de man en de vrouw bij akte zich uit laten ter zake het deskundigenonderzoek zoals vermeld in de rechtsoverwegingen 26 en 27.

3. de vrouw bij akte zich uit laat op welke wijze zij bewijs wenst te leveren ter zake hetgeen is gesteld in rechtsoverweging 28.

benoemt tot raadsheer-commissaris mr. Labohm en bij diens afwezigheid mr. Dusamos ten overstaan van wie het getuigenverhoor zal plaatsvinden.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van den Wildenberg, Dusamos en Labohm en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 augustus 2008 in aanwezigheid van de griffier.