Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BG4288

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-10-2008
Datum publicatie
28-11-2008
Zaaknummer
105.012.833/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling van de behoefte van een minderjarige van wie de ouders nimmer hebben samengeleefd (met de minderjarige) in gezinsverband. Verdeling kosten. Verhouding kinderen uit andere relatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 15 oktober 2008

Zaaknummer : 105.012.833.01

Rekestnummer : 404-R-08

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 07-1506

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. R.J. Ottens,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A.A. van Ochten.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 11 maart 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2007.

De moeder heeft op 5 augustus 2008 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 11 juli 2008, 28 juli 2008 en 29 juli 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Op 13 augustus 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn beide partijen die, bijgestaan door hun advocaten, het woord hebben gevoerd; de advocaat van de vader onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 juni 1997 gewijzigd, in die zin dat de daarin aan de vader opgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van na te noemen minderjarige met ingang van 1 juli 2007 is bepaald op € 400,- per maand en dat deze bijdrage jaarlijks met ingang van 1 januari van het nieuwe jaar wordt gewijzigd ingevolge de wettelijke indexering.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de kinderalimentatie ten behoeve van het minderjarige kind van partijen:

[minderjarige] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], hierna te noemen: [de minderjarige].

Zij woont bij de moeder.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen, en opnieuw beschikkende – voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – te bepalen dat de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 juni 1997 ongewijzigd in stand dient te blijven, het hof begrijpt: het inleidend verzoek van de moeder alsnog af te wijzen, dan wel subsidiair – voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – te bepalen dat de vader met ingang van 1 juli 2007 een alimentatie ten aanzien van [de minderjarige] is verschuldigd voor een bedrag door het hof te bepalen doch dat lager is dan € 400,- per maand.

Wijziging van omstandigheden

3. De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de inkomensdaling van de moeder en de door de moeder gestelde inkomensstijging van de vader beide een gewijzigde omstandigheid opleveren die een wijziging van de beschikking van 24 juni 1997 van de rechtbank ’s-Gravenhage rechtvaardigen. De vader voert hiertoe aan dat het – voor zover de moeder stelt dat haar inkomensdaling een wijziging van omstandigheden oplevert – de eigen keuze van de moeder is geweest om minder te werken zodat dit niet een wijziging van omstandigheden oplevert die een wijziging van de kinderalimentatie rechtvaardigt. Voorts stelt de vader dat zijn financiële situatie nagenoeg gelijk is gebleven ten opzichte van de eerste vaststelling van de kinderalimentatie, zodat ook dit geen wijziging van omstandigheden oplevert.

4. De moeder stelt dat zij niet vrijwillig minder is gaan werken, maar op verzoek van haar werkgever om veiligheids- en gezondheidsredenen. Voorts stelt de moeder dat uit de werkgeversverklaring van de vader blijkt dat hij is gepromoveerd tot floormanager en dat hij daardoor aanzienlijk meer is gaan verdienen. Deze feiten leveren volgens de moeder een wijziging van omstandigheden op, op basis waarvan geconcludeerd kan worden dat de oorspronkelijk vastgestelde bijdrage niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet.

5. Het hof oordeelt als volgt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat het bruto jaarinkomen van de vader in 1996 ƒ 77.294,- (€ 35.075,-) bedroeg. Het inkomen van de vader bedroeg blijkens de door hem overgelegde jaaropgave in 2007 € 68.381,- bruto. Het hof constateert dat het inkomen van de vader aanzienlijk is gestegen. Naar het oordeel van het hof is deze inkomensstijging niet slechts het gevolg van een inflatiecorrectie, maar mede het gevolg van promotie. Wat ook zij van de inkomensdaling van de moeder, het hof is van oordeel dat de inkomensstijging van de vader op zichzelf al een wijziging van omstandigheden oplevert die het rechtvaardigt de bijdrage ten behoeve van [de minderjarige] ten laste van de vader opnieuw te beoordelen.

Behoefte

6. De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de verzochte bijdrage ten behoeve van [de minderjarige] van € 400,- per maand niet bovenmatig is, dan wel dat sprake is van een behoefte van € 400,- per maand. De vader voert hiertoe aan dat hij de kosten van nog drie andere kinderen draagt en dat de vastgestelde behoefte de kosten van de vier kinderen, zoals uit de NIBUD tabellen is af te leiden, overstijgt. Voorts stelt de vader dat de behoefte is vastgesteld op basis van de beide inkomens van partijen, terwijl zij feitelijk nimmer in gezinsverband geleefd hebben. De vader stelt verder dat tevens gekeken dient te worden naar het eigen aandeel van de moeder in de kosten van de kinderen.

7. De moeder stelt dat de rechtbank terecht is uitgegaan van een netto inkomen van partijen van € 3.620,- per maand, een behoefte van [de minderjarige] van € 649,- per maand en een bijdrage ten laste van de vader van € 400,- per maand. Voorts stelt de moeder dat de vader zich heeft verzoend met zijn ex-echtgenote en dat hij derhalve geen kinderalimentatie meer betaalt. Voor zover de vader nog wel kinderalimentatie betaalt ten behoeve van de kinderen uit zijn eerdere huwelijk, stelt de moeder zich op het standpunt dat het voor onderhoud beschikbare bedrag in beginsel gelijkelijk dient te worden verdeeld over de in totaal vier minderjarige kinderen van de vader.

8. Het hof is van oordeel dat de moeder haar stelling dat de vader weer bij zijn voormalige echtgenote woont en derhalve geen kinderalimentatie voor de kinderen uit dat huwelijk betaalt, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, zodat het hof deze stelling van de moeder passeert.

9. De vader heeft gesteld dat de moeder eveneens dient bij te dragen in de kosten van [de minderjarige]. Gelet op de stelling van de vader dat de moeder verwijtbaar een lager inkomen geniet ten opzichte van de periode dat partijen tezamen waren, dient in het kader van de bijdrage in de kosten van [de minderjarige] door de moeder naar het oordeel van het hof bekeken te worden met welk inkomen van de moeder rekening gehouden moet worden. De moeder heeft aangevoerd dat zij noodgedwongen minder is gaan werken. Ter zitting heeft de moeder een brief van haar werkgever van 23 januari 1999 voorgelezen, waarin door de werkgever wordt gemeld dat het ziekteverzuim van de moeder te hoog is en als dat niet zou veranderen, zij in functie zou worden teruggezet. De moeder heeft vervolgens nader verklaard dat zij naar aanleiding van die brief minder is gaan werken in de functie waarin zij destijds werkzaam was, aangezien dit financieel een betere optie was dan geplaatst te worden in een lagere functie. Gelet op de verklaringen van de moeder acht het hof het aannemelijk dat het niet de vrije keuze van de moeder is geweest om minder te gaan werken en dat het derhalve niet aan haar te wijten is dat haar inkomen is gedaald. Het inkomen van de moeder bedraagt thans € 1.700,- netto per maand. Het hof zal derhalve bij het navolgende van dit inkomen van de moeder uitgaan .

10. Voor wat betreft de behoefte van [de minderjarige] overweegt het hof als volgt.

In het algemeen bestaat er geen goede grond om voor de bepaling van de behoefte van een kind dat nimmer in gezinsverband met de beide ouders heeft geleefd, zonder meer aansluiting te zoeken bij de welstand die past bij de financiële ruimte van een fictief gezin, waarvan het gezinsinkomen bestaat uit de som van de netto-inkomsten van de ouders. Voor de bepaling van de behoefte is anderzijds zowel het inkomen van de moeder als dat van de vader van belang.

Het hof begrijpt dat de relatie tussen de partijen slechts van zeer korte duur is geweest. Sedertdien is er het nodige gewijzigd in de financiële omstandigheden van de partijen: de moeder geniet thans een geringer inkomen, het inkomen van de vader is inmiddels aanmerkelijk gestegen.

De vader is eerder gehuwd geweest, uit welk huwelijk drie kinderen zijn geboren. In 1995 is hij, in het kader van een echtscheidingsprocedure, een alimentatie ten behoeve van die kinderen overeengekomen van fl 500,- per kind per maand. Nu niet anders is gesteld of gebleken gaat het hof er van uit dat hiermee volledig in de behoefte van de kinderen werd voorzien, naast een eventuele eigen bijdrage van die moeder, waarover geen enkele informatie is verschaft.

Het hof betrekt bij zijn oordeelsvorming dat de vader thans (in 2007, geïndexeerd) circa € 300,- per kind alimentatie ten behoeve van zijn drie andere kinderen betaalt. De moeder van die kinderen geniet thans een eigen inkomen van ca. € 1.600,- netto per maand, uit welk inkomen zij slechts een geringe eigen bijdrage ten behoeve van haar kinderen zal kunnen voldoen. De moeder van [de minderjarige] heeft thans een inkomen van netto € 1.700,- per maand.

Het hof ziet in het voorgaande, alsmede gelet op het feit dat geen gespecificeerde berekening van de behoefte van [de minderjarige] voorhanden is, aanleiding de behoefte van [de minderjarige] thans (per juli 2007) op hetzelfde bedrag te bepalen als de behoefte van de drie andere kinderen. Dat wil zeggen eveneens op ca € 300,- per maand.

Verdeling kosten

11.Bij gebreke van verdere gegevens van de financiële omstandigheden van de moeders ziet het hof aanleiding de eigen bijdrage van de moeder van [de minderjarige] te bepalen op € 50,- meer dan de totale eigen bijdrage van de moeder van de drie kinderen, zodat de behoefte van [de minderjarige] aan een bijdrage van de vader wordt gesteld op € 250,- per maand.

Draagkracht van de vader

11. De vader stelt dat de rechtbank er ten onrechte van uit is gegaan dat zijn draagkracht de gevraagde alimentatie toelaat. De vader betwist dat hij samenwoont met een partner, zodat daar geen rekening mee gehouden dient te worden. Voorts stelt de vader dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een aflossing op een rekening-courant van € 475,- per maand en voert daartoe aan dat hij bij het aangaan van financiële verplichtingen geen rekening behoefde te houden met een toekomstig verzoek van de moeder tot alimentatieverhoging. De vader acht het verder niet redelijk dat geen rekening is gehouden met zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering. Hij betwist dat deze verzekering vermogensvormend is en voert daartoe aan dat het juist is bedoeld om een inkomensdaling te compenseren in geval van arbeidsongeschiktheid. Ten aanzien van de omgangskosten stelt de vader dat hij de kinderen regelmatig ziet en dat rekening gehouden dient te worden met de werkelijke kosten van omgang.

12. De moeder stelt dat de vader samenwoont met zijn ex-echtgenote. Indien dit niet aangenomen wordt, stelt de moeder dat de vader samen met enkele huurders in een pand in

[woonplaats] woont. Ten aanzien van de aflossing op een rekening courantschuld stelt de moeder dat de vader rekening had moeten houden met zijn onderhoudsplicht jegens [de minderjarige] en dat de vader, indien hij de schuld niet had verhoogd, de schuld inmiddels afgelost had kunnen hebben. Voorts stelt de moeder dat de arbeidsongeschiktheidsverzekering onnodig is afgesloten, aangezien de werkgever van de vader daarvoor reeds een voorziening heeft getroffen. Derhalve meent de moeder dat deze verzekering vermogensvormend is. Ten aanzien van de kosten omgangsregeling stelt de moeder dat met de kinderen uit een eerder huwelijk van de vader geen omgangsregeling is, aangezien hij zich met de moeder van die kinderen heeft verzoend. Indien het hof hieraan voorbij gaat, stelt de moeder dat de vader ter zitting bij de rechtbank heeft verklaard dat hij op weg naar zijn werk bij de kinderen langs gaat. Verder betwist de moeder de stelling van de vader dat zijn kinderen uit een eerder huwelijk slechter af zouden zijn bij een alimentatie voor [de minderjarige] van € 400,- per maand, aangezien de vader te kennen heeft gegeven dat hij voor die kinderen naast de alimentatie nog de helft van het boekengeld, sportclubs en vakantiereizen betaalt. Tot slot stelt de moeder dat de vader extra huurinkomsten ontvangt uit de verhuur van enkele kamers van zijn pand in[woonplaats] en dat de vader jaarlijks in de maand juni een RAU-uitkering ontvangt van zijn werkgever.

13. Het hof oordeelt als volgt. In het kader van de draagkrachtberekening van de vader volgt het hof de door de vader overgelegde berekening (productie 8 bij het beroepschrift). Zoals hiervoor in rechtsoverweging 8 reeds is overwogen, heeft de moeder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de vader samenwoont met zijn voormalige echtgenote, zodat het hof de vader als alleenstaande aanmerkt.

14. Het hof houdt rekening met een bruto jaarinkomen van de vader van € 68.381,-. Het hof houdt tevens rekening met een bedrag van € 202,- per maand huurinkomsten, zoals ter zitting is gebleken. Ten aanzien van de door de vader gestelde kosten omgangregeling is het hof met de rechtbank van oordeel dat een bedrag van € 100,- per maand alleszins redelijk is. Hiertoe overweegt het hof dat de moeder onbetwist heeft gesteld dat de vader de kinderen op weg naar zijn werk bezoekt en dat zijn kosten derhalve niet zo hoog zijn als hij stelt. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de moeder heeft de vader naar het oordeel van het hof niet, althans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij daadwerkelijk een bedrag van € 245,- per maand ter zake de omgangsregeling uitgeeft.

15. De vader heeft voorts gesteld dat hij met een bedrag van € 475,- per maand aflost op een schuld. De moeder stelt dat de vader ten tijde van de procedure in eerste aanleg een bedrag van € 350,- per maand afloste en dat hij nadien de schuld heeft verhoogd, terwijl de vader volgens de moeder rekening had moeten houden met de onderhoudsplicht jegens [de minderjarige]. De schuld waarop de vader aflost betreft (deels) een nog steeds bestaande oude schuld, met de aflossing waarvan bij de eerdere alimentatiebeschikkingen rekening is gehouden. Voor dat deel dient de aflossing voor zijn rekening te komen en niet ten laste van zijn draagkracht. Het hof zal daarom niet volledig met de aflossing rekening houden.

Het hof is van oordeel dat, rekening houdend met een aflossingsbedrag van € 350,- per maand, alsmede met omgangskosten van € 100,- per maand en alle overige – door de moeder al dan niet betwiste – lasten, de vader voldoende draagkracht heeft om een bijdrage in de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] van € 250,- per maand te betalen.

16. Nu de draagkracht van de vader het toelaat om – naast de bijdrage van € 250,- per maand die hij ten behoeve van [de minderjarige] dient te voldoen – onverminderd aan zijn onderhoudsverplichtingen jegens zijn andere kinderen te blijven voldoen, behoeft naar het oordeel van het hof grief 4 van de vader geen bespreking meer.

17. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd. De overige stellingen en weren van partijen leiden naar het oordeel van het hof niet tot een andere beslissing. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 24 juni 1997 van de rechtbank ‘s-Gravenhage - de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] met ingang van 1 juli 2007 op € 250,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, Pannekoek-Dubois en Husson, bijgestaan door mr. Vermaas-Koetsier als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2008.