Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BG3998

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-10-2008
Datum publicatie
12-11-2008
Zaaknummer
105.006.273/01 , 07/408(oud)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schade ten gevolge van last onder dwangsom; formele rechtskracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 105.006.273/01

Rolnummer (oud) : 07/408

Rolnummer rechtbank : 06-14

arrest van de eerste civiele kamer d.d. 7 oktober 2008

inzake

[naam],

wonende te Cadzand (gemeente Sluis),

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. E. Grabandt te 's-Gravenhage,

tegen

DE GEMEENTE SLUIS,

zetelende te Oostburg (gemeente Sluis),

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Gemeente,

advocaat: mr. H.J.A. Knijff te 's-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 2 maart 2007 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 24 januari 2007, door de rechtbank Middelburg gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] twee grieven tegen het vonnis aangevoerd, welke door de Gemeente bij memorie van antwoord zijn bestreden. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1 Bij brief van 22 november 1991 is de Gemeente akkoord gegaan met de vestiging door [appellant] van een groenvoorzieningsbedrijf op het perceel met kadastraal nummer 498, gelegen aan de Zuidzandseweg 17/17a te Cadzand. In 1997 heeft [appellant] het achtergelegen perceel met kadastraal nummer 502 (verder: perceel 502) in eigendom verkregen. Op dat perceel rust een agrarische bestemming. [appellant] heeft in 1998 de Gemeente verzocht een gedeelte van perceel 502 te mogen gebruiken voor zijn groenvoorzieningsbedrijf. De Gemeente heeft bij brief van 10 juli 1998 (verzonden 29 september 1998) gereageerd als volgt.

Naar aanleiding van uw bovenvermelde brief delen wij u mee, dat wij de vestiging van uw hoveniersbedrijf in planologische zin zullen regelen in het toekomstige bestemmingsplan “Kustgebied”. Momenteel is van toepassing het bestemmingsplan “Buitengebied, 8e herziening”. Een hoveniersbedrijf komt niet overeen met de in dat bestemmingsplan vastgelegde bestemming “Landbouw”. Een en ander betekent voor u (…) dat ons college in principe met uw plan kan instemmen.

Wij moeten daarbij een voorbehoud maken. Voordat uw bedrijf in het bestemmingsplan “Kustgebied” is bestemd, kunt u niet overgaan tot de bouw van de aangegeven loods. Met een ruime interpretatie van de voorschriften kunnen wij de boomkwekerij, het parkeren en het aanleggen van verharding rangschikken onder de geldende bestemming. Dat geldt echter niet voor de loods.

(…)

1.2 De rechtbank Middelburg, sector bestuursrecht, heeft naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van een derde bij voorlopige voorziening van 25 februari 2004 geoordeeld dat de activiteiten die op het bewuste perceel zijn en worden ontplooid, in strijd zijn met de agrarische bestemming die erop rust. De rechtbank heeft daarbij de Gemeente opgedragen binnen vier weken na de dagtekening van de uitspraak zodanige maatregelen te treffen dat het groenvoorzieningsbedrijf van [appellant] zijn bedrijfsactiviteiten ter plekke staakt.

1.3 De Gemeente heeft bij brief van 8 april 2004, met verwijzing naar dat vonnis, aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd tot het per omgaande verwijderen en verwijderd houden van alle op perceel 502 opgeslagen materialen. Tegen dit besluit heeft [appellant] bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van het advies van de Adviescommissie Bezwaarschriften heeft de Gemeente bij besluit van 12 januari 2005 medegedeeld (zakelijk weergegeven) de last onder dwangsom aldus te hebben gewijzigd, dat [appellant] voor 1 februari 2005 dient over te gaan tot het verwijderen van alle (los opgeslagen) materialen, zoals bestratings- en (boom-)kweekmateriaal, en de op perceel 502 aanwezige erfverharding, met uitzondering van een aangegeven strook, dient te verwijderen. In het besluit is geen sprake van een schadevergoeding aan [appellant]. [appellant] heeft tegen het besluit, zoals gewijzigd, geen beroep ingesteld.

2. [appellant] heeft bij de rechtbank gevorderd dat deze de Gemeente zal veroordelen aan hem € 43.225,- te betalen. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat hij schade heeft geleden doordat hij zijn bedrijfsactiviteiten noodgedwongen heeft moeten stopzetten en dat de Gemeente die schade aan hem dient te vergoeden omdat zij jegens hem onrechtmatig handelt door het door de brieven van 22 november 1991 en 10 juli 1998 opgewekte vertrouwen te schenden, althans door hem geen schadevergoeding te betalen nu zij haar onvoorwaardelijke toezeggingen schendt op grond van publiekrechtelijke verplichtingen. De rechtbank heeft de vordering afgewezen.

3. De eerste grief richt zich tegen de overwegingen van de rechtbank, inhoudende dat [appellant] al in de administratieve procedure een schadeclaim heeft ingediend, dat naar aanleiding van dat verzoek is beslist, dat de beslissing van de Gemeente formele rechtskracht heeft gekregen en dat [appellant] zich daarom niet meer tot de burgerlijke rechter kan wenden. [appellant] brengt naar voren dat hij bij de Gemeente in het kader van de procedure betreffende de last onder dwangsom geen verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend en dat daarover niet is beslist. Hij stelt dat hij daarom gerechtigd is deze kwestie aan de burgerlijke rechter voor te leggen. De tweede grief richt zich tegen de beslissing van de rechtbank. Voor de onderbouwing ervan verwijst [appellant] naar zijn onderbouwing van de eerste grief. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4. De grieven kunnen [appellant] niet baten. Het feit dat hij zijn bedrijf heeft moeten stopzetten, is, voor zover de Gemeente daarbij is betrokken, uitsluitend het gevolg van het besluit van de Gemeente om hem een last onder dwangsom op te leggen. Nu [appellant] tegen dat besluit geen rechtsmiddel heeft aangewend, moet de burgerlijke rechter ervan uitgaan dat dat besluit, zowel wat zijn inhoud als wat de wijze van totstandkoming ervan betreft, rechtmatig is. De enkele omstandigheid dat hij ten gevolge van dat besluit kosten heeft moeten maken of schade heeft geleden, maakt dat besluit niet onrechtmatig. Bijzondere omstandigheden die in het onderhavige geval tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zijn gesteld noch gebleken. De grond waarop [appellant] zich beroept om schadevergoeding te verkrijgen had hij bij de bestuursrechter moeten inbrengen; zij vormt in de onderhavige procedure voor de burgerlijke rechter niet een bijzondere omstandigheid als hier bedoeld. Nu een onrechtmatige daad van de Gemeente overigens niet is gesteld of gebleken, heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding terecht afgewezen en is hij terecht in de proceskosten veroordeeld.

5. Nu de grieven falen, zal het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigen. Daarbij past een kostenveroordeling van [appellant].

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Middelburg van 24 januari 2007;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Gemeente tot op heden vastgesteld op € 1.295,- aan verschotten en € 1.631,- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.V. van den Berg, J. Kramer en G. Dulek-Schermers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 oktober 2008 in aanwezigheid van de griffier.