Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BG2213

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-10-2008
Datum publicatie
31-10-2008
Zaaknummer
105.000.370/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Regres door brandverzekeraar op schadeveroorzaker. Bindend Besluit Regres. Opzet. Opzetclausule in AVP.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 511
RAV 2009, 7
S&S 2011/57
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 105.000.370/01

Rolnummer (oud) : 01/0405

Rolnummer rechtbank : 21047 / HA ZA 98-2119

arrest van de vierde civiele kamer d.d. 28 oktober 2008

inzake

de naamloze vennootschap

Schadeverzekering Maatschappij Erasmus N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

appellante,

hierna te noemen: Erasmus,

advocaat: mr. U.W.G. Thöle,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. H.J.A. Knijff.

Het geding

Bij exploot van 9 april 2001 is Erasmus in hoger beroep gekomen van het eindvonnis van 10 januari 2001 van de rechtbank Dordrecht gewezen tussen Erasmus als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde. Bij memorie van grieven heeft Erasmus twee grieven tegen het vonnis aangevoerd die door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord zijn bestreden. Ten slotte hebben partijen hun procesdossiers overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

2. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 1.1 tot en met 1.5 van het tussenvonnis van 15 december 1999 feiten vastgesteld. Aangezien tegen de vaststelling van de feiten geen grieven zijn aangevoerd of anderszins bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep van die feiten uitgaan.

3. Het gaat in deze zaak – samengevat – om het volgende. Op 19 februari 1996 is als gevolg van onrechtmatig handelen van onder meer [geïntimeerde] brand ontstaan op het sportpark Schildman te Hendrik Ido Ambacht waardoor een berghok c.q. garage van tennisvereniging [naam] volledig is verwoest. De schade aan de opstal bedraagt € 4.405,75. De schade aan de inventaris bedraagt € 23.580,69. De tennisvereniging was tegen de gevolgen van brand verzekerd bij Erasmus. Op grond van deze verzekering heeft Erasmus een bedrag van in totaal € 20.826,70 aan de tennisvereniging uitgekeerd. Daarnaast heeft zij expertisekosten gemaakt ten bedrage van € 3.020,54.

4. Erasmus heeft in eerste aanleg gevorderd dat [geïntimeerde] bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis wordt veroordeeld tot betaling aan Erasmus van een bedrag van € 23.847,24 te vermeerderen met wettelijke rente daarover vanaf 129 februari 1996 (het hof begrijpt: 19 februari 1996) tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede veroordeling tot betaling van een bedrag van € 2.498,17 aan buitengerechtelijke incassokosten. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat [geïntimeerde] zich kan beroepen op het Bindend Besluit Regres 1984 (hierna: BBR), waarin verhaal door de verzekeraar op niet bedrijfs- of beroepsmatig handelende personen wordt uitgesloten (art. 1 BBR). Tevens heeft zij geoordeeld dat de uitzondering op deze regel in geval van opzettelijk veroorzaakte schade (art. 3 sub a BBR) niet opgaat. Op grond van een en ander heeft de rechtbank de vordering afgewezen. Het appel is gericht tegen afwijzing van de vordering.

5. Grief I is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Erasmus jegens [geïntimeerde] gehouden is overeenkomstig het bepaalde in het BBR te handelen. Erasmus onderbouwt dit standpunt met de stelling dat het BBR alleen tussen assuradeuren onderling geldt zodat particulieren formeel daarop geen beroep kunnen doen. Voorts neemt zij de stelling in dat indien particulieren menen dat een verzekeraar ten onrechte verhaal zoekt, de weg naar de Verzekeringskamer, althans het Verbond van Verzekeraars, openstaat, wat in onderhavig geval niet is gebeurd. Ten slotte stelt Erasmus dat het BBR niet tot consequentie kan hebben dat een uit subrogatie voortvloeiend vorderingsrecht teniet wordt gedaan. Dat laatste is slechts mogelijk, zo luidt nog steeds de stelling van Erasmus, als daaraan een overeenkomst ten grondslag ligt, wat in onderhavig geval niet aan de orde is.

6. De grief faalt. Het BBR is een regeling van algemene aard, gericht op het beperken van verhaal door brandverzekeraars, die zich tevens uitstrekt naar niet bij het opstellen daarvan betrokken derden, in het bijzonder degene die door de verzekeraar voor het ontstaan van de schade aansprakelijk wordt gesteld (zie HR 16 mei 2003, NJ 2003, 470 en HR 27 februari 2004, NJ 2005, 498). Dit brengt mee dat de verhouding tussen de regresnemende verzekeraar en de door die verzekeraar aansprakelijk gestelde derde (mede) door deze regeling wordt beheerst. Hieraan doet niet af dat het BBR, zoals Erasmus stelt, erop is gericht om de onderlinge concurrentieverhouding tussen assuradeuren te regelen. Ook het gegeven dat bij klachten de weg naar de Verzekeringskamer of het Verbond van Verzekeraars open staat, doet aan genoemde werking van het BBR niet af. Eveneens wordt de stelling dat een particulier slechts door middel van een overeenkomst aan het BBR kan worden gebonden verworpen, nu met het BBR de werking ten opzichte van genoemde derden is gegeven. Ten slotte wordt het argument dat (een bepaling uit) het BBR niet tot consequentie kan hebben dat een uit subrogatie voortvloeiend vorderingsrecht van de verzekeraar teniet wordt gedaan, verworpen. Kern van de regeling is immers dat zij juist in een beperking van deze uit subrogatie voorvloeiende regresrechten voorziet. Een en ander voert tezamen genomen tot de conclusie dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat Erasmus ook jegens [geïntimeerde] gehouden is overeenkomstig het bepaalde in het BBR te handelen.

7. Grief II is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat op grond van art. 1 jo art. 3 BBR Erasmus geen verhaal heeft op [geïntimeerde] omdat geen sprake is van opzet zoals in deze regeling bedoeld. Erasmus beroept zich in dit verband op de afgelegde verklaringen van de betrokken jongens, waaronder [geïntimeerde] (overgelegd bij productie 1 bij conclusie van repliek), waaruit volgens haar kan worden afgeleid dat willens en wetens brand is gesticht zodat sprake is van opzet in de zin van een noodzakelijkheids- of zekerheidsbewustzijn. Voorts neemt zij de stelling in dat, indien opzet niet kan worden vastgesteld, in ieder geval sprake is van voorwaardelijk opzet. Ook deze vorm van opzet valt volgens Erasmus onder het begrip opzet in de zin van art 3 sub a BBR. In dit verband verwijst zij naar een door de branche uitgebrachte brochure die een toelichting geeft op de inmiddels in werking getreden nieuwe regresregeling, de Bedrijfsregeling Brandregres (2000). Deze brochure bevat in art. 7.4 de volgende definitie.

"Opzet

Opzettelijk en tegen een persoon of zaak gericht wederrechtelijk handelen of nalaten, waardoor schade ontstaat of wordt veroorzaakt.

Aan het opzettelijk karakter van dit wederrechtelijk handelen of nalaten doet niet af dat de desbetreffende persoon zodanig onder invloed van alcohol of andere stoffen verkeert, dat hij/zij niet in staat is zijn/haar wil te bepalen."

Nu in de toelichting niet wordt aangegeven dat deze definitie verschilt van het opzetbegrip uit art. 3 sub a van het BBR dient het BBR, zou luidt nog steeds de stelling van Erasmus, in het licht van deze toelichting te worden geïnterpreteerd.

8. Het hof zal het tweede onderdeel van de grief eerst behandelen. Ten aanzien van het in het BBR gebruikte opzetbegrip stelt het hof voorop dat een algemene regeling als het BBR, die zich uitstrekt naar niet bij het opstellen daarvan betrokken derden, naar objectieve maatstaven moet worden uitgelegd. Het komt daarbij dan ook niet aan op de bedoelingen van de bij het opstellen betrokken partijen voor zover deze niet kenbaar zijn uit de tekst of uit voor derden toegankelijke bronnen (HR 16 mei 2003, NJ 2003, 470).

9. Het hof is van oordeel dat voor de uitlegging van het begrip 'opzet' in het BBR, anders dan Erasmus betoogt, geen steun kan worden gevonden in de toelichting van de nieuwe regresregeling Bedrijfsregeling Brandregres (2000). Deze regeling is immers niet van toepassing op het onderhavige geschil. Het ligt naar het oordeel van het hof daarentegen in de rede om bij de uitlegging van het begrip opzet in het BBR (mede) betekenis toe te kennen aan een gepubliceerde toelichting op het BBR van de Vereniging van Assuradeuren, die het BBR heeft opgesteld en onderling verbindend heeft verklaard. Naar aanleiding van de zinsnede'door wiens opzet of met wiens goedvinden schade is ontstaan' (art. 3 sub a BBR) wordt in deze toelichting het volgende opgemerkt (WPNR 5767 (1986), p. 10):

"Eén van de achterliggende uitgangspunten van de regeling is geweest dat alleen verhaald wordt in gevallen die dusdanig maatschappelijk laakbaar zijn dat ook een schuldverzekering als de AVP (de aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren, hof) er geen dekking voor biedt. Op dit punt trekken brand- en aansprakelijkheidsverzekeraars dezelfde grens. Het is niet gewenst dat er een grensgebied bestaat waarin een brandverzekeraar op de AVP-verzekeraar kan verhalen: uiteindelijk is dit een vestzak-broekzak situatie. Brandverzekeraars verhalen in principe alleen op particulieren in enkele gevallen waarbij de AVP dekking niet meer aanwezig is."

Uit deze passage volgt dat met het BBR wordt beoogd om regres door een gesubrogeerde brandverzekeraar op een particuliere schadeveroorzaker alleen mogelijk te maken waar een aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren geen dekking biedt in verband met de mate van schuld aan de schade. Nu tussen partijen niet in geschil is dat onder het opzetbegrip in (toenmalige) aansprakelijkheidsverzekeringen voor particulieren niet wordt begrepen ‘voorwaardelijk opzet’, dient het betoog van Erasmus dat het opzetbegrip van de BBR tevens voorwaardelijk opzet omvat te worden afgewezen. Een en ander voert tot de conclusie dat dit onderdeel van de grief faalt.

10. Ten aanzien van het beroep van Erasmus op opzet aan de zijde van [geïntimeerde] overweegt het hof als volgt. In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen dient voor de uitleg van het begrip 'opzet' in art. 3 sub a BBR aansluiting te worden gezocht bij het begrip opzet in opzetclausules in (toenmalige) aansprakelijkheidsverzekeringen. Van opzet is derhalve slechts sprake indien de verzekerde de in feite toegebrachte schade heeft beoogd of zich ervan bewust was dat die schade het gevolg van zijn gedraging(en) zou zijn.

Ten aanzien van de brandstichting heeft [geïntimeerde] het volgende verklaard (productie 1 bij conclusie van repliek, ongenummerd p. 6):

"Ik weet wel dat er iets in de brand ging; dat was een papiertje; het was een chipszakje. Ik geloof dat ik dat papiertje heb aangestoken. Dat ging een paar keer uit. Om de beurt hebben we een paar keer geprobeerd dat aan te steken. Op een gegeven ogenblik brandde het stukje papier. We hebben dat op een soort tafeltje of bak gelegd. Met een doos hebben we toen dat vuurtje gedoofd. Toen het brandde waren die vlammetjes niet erg hoog. Met de doos hebben we dat vuurtje uit gemaakt. Het kan goed zijn dat tijdens het uitslaan er wat vonkjes her en der heen gesprongen zijn. Ik snap alleen niet wat er in de fik heeft kunnen gaan. Het kan dus ook best zo zijn dat er na ons wat anderen daar geweest zijn. Ik weet zeker dat dat plastic chipszakje uit was toen wij naar buiten gingen."

In het licht van de hiervoor genoemde maatstaf, en gelet op de inhoud van de verklaring van [geïntimeerde], is het hof van oordeel dat van opzet aan de zijde van [geïntimeerde] geen sprake is. Uit zijn verklaring kan immers niet worden afgeleid dat hij de schade heeft beoogd of zich ervan bewust was dat de schade het gevolg van zijn handelen zou zijn. Een en ander brengt mee dat ook dit onderdeel van de grief faalt.

11. De slotsom is dat de grieven falen, zodat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen met veroordeling van Erasmus in de kosten van dit hoger beroep.

12. Het bewijsaanbod van Erasmus wordt als te vaag en niet gespecificeerd gepasseerd.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt Erasmus in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 1.754,71 waarvan te voldoen:

(a) aan de griffier van het hof € 1.573,21, te weten € 415,21 voor in debet gesteld griffierecht en € 1.158,-- voor salaris advocaat, waarmee de griffier zal handelen overeenkomstig het bepaalde in art. 243 Rv;

(b) aan [geïntimeerde] € 181,50 voor niet in debet gesteld griffierecht;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.Th. van der Hoeven-Oud, P.M. Verbeek en L. Reurich en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 oktober 2008 in aanwezigheid van de griffier.