Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BG1601

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-10-2008
Datum publicatie
29-10-2008
Zaaknummer
105.012.226/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie; man weigert stukken over te leggen; afwijzing van zijn wijzigingsverzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 15 oktober 2008

Zaaknummer : 105.012.226/01

Rekestnummer : 1662-R-07

Rekestnr. rechtbank : 07-1200

[appellant],

wonende te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg,

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M. van Gemert,

tegen

[belanghebbende],

wonende te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg,

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. R.W.S. Nijman.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 20 november 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 21 augustus 2007.

De man heeft op 3 januari 2008 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vrouw heeft op 29 januari 2008 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 10 december 2007, 26 augustus 2008 en 27 augustus 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 29 januari 2008 en 25 augustus 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Op 5 september 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man, bijgestaan door zijn advocaat. Partijen hebben het woord gevoerd, de raadslieden van partijen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

Nadien zijn, volgens afspraak ter zitting, van de zijde van de man op 12 september 2008 en van de zijde van de vrouw op 18 september 2008 aanvullende stukken bij het hof ingekomen.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking , waarbij de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad en met wijziging in zoverre van de beschikking van dit hof van 18 augustus 2004, de door de man met ingang van 1 april 2007 tot 1 september 2008 te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw heeft bepaald op € 1.099,36 per maand, voor de komende termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en voorts de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 september 2008 heeft bepaald op nihil. Het meer of anders verzochte heeft de rechtbank afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de uitkering tot levensonderhoud (alimentatie) voor de vrouw.

2. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de man, naar het hof begrijpt: het inleidend verzoek van de man, af te wijzen dan wel een beslissing te nemen die het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

3. De man bestrijdt haar beroep en verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het door de vrouw in appel verzochte af te wijzen, te bepalen dat de bestreden beschikking wordt vernietigd voor zover betreffende de proceskosten en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de vrouw wordt veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg, en de bestreden beschikking voor het overige te bekrachtigen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure in hoger beroep.

4. De vrouw verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn incidenteel appel dan wel het incidenteel appel af te wijzen.

5. In de grieven I, II, III en IV, in onderlinge samenhang bezien, betoogt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij geen reden ziet om af te wijken van het eerder door de rechtbank en het hof ingenomen standpunt dat de redelijkheid met zich brengt dat partijen netto evenveel te besteden hebben.

6. De man betoogt dat de rechtbank in de bestreden beschikking in navolging van de rechtbank en het hof in de echtscheidingsprocedure terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat de lasten van partijen buiten beschouwing worden gelaten en partijen een gelijk jus dienen over te houden bij vaststelling van de hoogte van de alimentatie ten behoeve van de vrouw.

7. Het hof overweegt als volgt. Zowel in de echtscheidingsbeschikking van 14 april 2003 als in de beschikking van dit hof van 18 augustus 2004 is het oordeel geweest dat het redelijk is dat partijen evenveel te besteden dienen te hebben. Het hof ziet met de rechtbank in de bestreden beschikking geen aanleiding nu anders te oordelen.

8. De vrouw betoogt dat de rechtbank ten onrechte de door haar te ontvangen AOW heeft gekort op de partneralimentatie.

De vrouw voert hiertoe aan dat haar behoefte hoger is geworden. Voorts voert de vrouw aan dat de financiële situatie van de man is gewijzigd, nu hij samenwoont met een nieuwe partner die in haar eigen onderhoud kan voorzien en het inkomen van de man is toegenomen, ten gevolge waarvan hij meer draagkracht heeft. De rechtbank heeft in dit verband ten onrechte overwogen dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen inkomsten genereert uit zijn eigen bedrijf. De vrouw voert hiertoe aan dat het bedrijf van de man nog altijd in het telefoonboek staat vermeld.

9. De man stelt dat de vrouw door de ontvangst van AOW met ingang van 1 april 2007 er netto op vooruit gegaan. Voorts stelt de man zich op het standpunt dat de door de vrouw aangevoerde omstandigheid dat hij samenwoont geen wijzigingsgrond is. De man voert hiertoe aan dat deze omstandigheid niet relevant is, gelet op voormeld uitgangspunt. Bovendien woonde hij reeds ten tijde van de echtscheidingsprocedure samen met zijn huidige partner en kan zijn partner niet in haar eigen levensonderhoud voorzien. Voorts stelt de man dat hij nog altijd inkomsten uit dezelfde bronnen genereert als ten tijde van de echtscheidingsprocedure. Van inkomsten uit onderneming is geen sprake. De man stelt dat hij zijn onderneming reeds jaren terug heeft gestaakt, hetgeen de vrouw bekend is.

10. Het hof overweegt als volgt. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof de man, tegen de achtergrond van de betwisting van de inkomensgegevens van de man door de vrouw, verzocht pensioengegevens en de aangifte en aanslag Inkomstenbelasting 2007 over te leggen teneinde een jusvergelijking te kunnen maken. De man heeft om hem moverende redenen geweigerd de laatstgenoemde gegevens over te leggen. Het hof heeft hierdoor onvoldoende inzicht in de financiële situatie van de man. De man heeft aldus zijn stelling dat de vrouw minstens evenveel jus heeft als hij niet dan wel onvoldoende onderbouwd. Gelet hierop bestaat onvoldoende grond voor wijziging van de bij beschikking van dit hof van 18 augustus 2004 bepaalde uitkering tot levensonderhoud van de vrouw. De bestreden beschikking dient derhalve te worden vernietigd. Het hof zal op de overige door de man na de zitting in hoger beroep ingebrachte stukken geen acht slaan, nu door het hof niet is verzocht om deze stukken.

Terugbetaling alimentatie

11. In grief V betoogt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat gesteld noch is gebleken dat zij de teveel ontvangen partneralimentatie heeft opgesoupeerd. De vrouw voert hiertoe aan dat zij, mede gelet op haar hogere behoefte dan de partneralimentatie thans bedraagt, maandelijks de partneralimentatie opmaakt. Het was voor haar derhalve niet mogelijk gelden te reserveren. Gelet hierop heeft de rechtbank volgens de vrouw ten onrechte overwogen dat zij er rekening mee had moeten houden dat de partneralimentatie zou kunnen worden gewijzigd.

12. Het hof overweegt als volgt. Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 10 behoeft deze grief geen bespreking meer.

Proceskostenveroordeling

13. In incidenteel appel verzoekt de man het hof de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedures in eerste aanleg en in hoger beroep, nu de vrouw wist, althans behoorde te weten dat de man door haar toedoen onnodig een procedure heeft moeten aanvangen bij de rechtbank en in hoger beroep wederom onnodig op kosten wordt gejaagd door het handelen van de vrouw.

14. Deze grief dient te falen, reeds omdat de man in het ongelijk wordt gesteld.

Nu ook overigens geen grond bestaat voor een afwijking van het in familierechtelijke zaken van toepassing zijnde uitgangspunt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt, zal het hof het verzoek van de man om een veroordeling van de vrouw in de proceskosten afwijzen.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschikkende:

wijst het inleidende verzoek van de man af;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Kamminga en Mulder, bijgestaan door mr. Van Elden als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2008.