Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BF2217

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-09-2008
Datum publicatie
24-09-2008
Zaaknummer
105.004.228/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opslag van prepol bij Vopak. Prepol polymeriseert. Vordering tot vergoeding van kosten van verwijdering en vernietiging toewijsbaar. Veemcondities toepasselijk. Opdrachtgever is akkoord gegaan met wijze van opslag in de open lucht en

heeft slechts beperkte produktinformatie verstrekt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 105.004.228/01

Rolnummer (oud) : 06/16

Zaak-rolnummer rechtbank : HA ZA 02-2695

arrest van de tweede civiele kamer d.d. 16 september 2008

inzake

VOPAK LOGISTIC SERVICES PERNIS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

appellante,

hierna te noemen: Vopak,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt te ’s-Gravenhage,

tegen

ALTUGLAS INTERNATIONAL B.V., voorheen genaamd ATOGLAS B.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Altuglas,

advocaat: aanvankelijk mr. E.D. Drok, thans mr. R.G. Snouckaert van Schauburg te ‘s Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 23 november 2005 is Vopak in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 13 oktober 2004 en 24 augustus 2005, door de Rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen.

Bij memorie van grieven heeft Vopak onder overlegging van een productie zes grieven aangevoerd.

Bij memorie van antwoord heeft Altuglas onder overlegging van één productie de grieven bestreden.

Partijen hebben schriftelijk gepleit. Beide partijen hebben schriftelijke pleitnotities in het geding gebracht.

Ten slotte hebben partijen de processtukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat uit van de feiten die de rechtbank in 1.1 tot en met 1.21 van het tussenvonnis van 13 oktober 2004 heeft vastgesteld, nu die als zodanig in hoger beroep niet worden bestreden.

2. Het gaat om het volgende.

2.1 In de loop van juni 2000 zijn Vopak (een bedrijf dat opdrachten aanvaardt tot opslag en bewaring van zaken) en Altuglas (een bedrijf dat polymethylmethacrylaat-platen produceert) overeengekomen dat op het terrein van Vopak 21 containers van Altuglas met prepol (methylmethacrylaat (MMA) + hulpstoffen + pigmenten) werden opgeslagen.

2.2 Op 21 juni 2000 heeft Altuglas aan Vopak (Distripak) een faxbericht gestuurd waarin onder meer het volgende staat vermeld:

“Zoals telefonisch besproken bijgaand het datasheet voor MMA.

De vaten bevatten prepolymeer (MMA + hulpstoffen + pigmenten) gestabiliseerd met hydrochinon.”

In de bijlage (datasheet voor MMA; verder: gevarenkaart) staat onder meer geschreven:

“OVERIGE KENMERKEN

(...)

De stof polymeriseert gemakkelijk bij verwarming en onder invloed van licht of verontreinigingen. (...)

GEVAREN/VERSCHIJNSELEN

Brand: zeer brandgevaarlijk

Explosie: damp met lucht explosief

Inademen: keelpijn, hoesten kortademigheid, duizeligheid. (...)

OPSLAG

brandveilig, koel, inhibitor toevoegen.”

2.3 Op 21 juni 2000 heeft Vopak per fax als volgt gereageerd op het faxbericht genoemd onder 2.2:

“Met referte aan uw fax van heden geven wij u onderstaand onze tarieven voor de opslag en behandeling van cntrs. en pallets MMA (...)

(...)

Bovengenoemde tarieven zijn geldig tot en met 31-12-2000.

Werkzaamheden worden uitgevoerd volgens de algemene voorwaarden van Vopak Logistic Services Pernis BV waarvan een kopie op aanvraag.(...)”

2.4 Op 22/23 juni 2000 zijn de eerste 11 containers prepol aan Vopak verzonden.

2.5 Op 3 juli 2000 heeft Altuglas in overleg met Vopak het prepol in deze 11 containers geherstabiliseerd met inhibitor omdat enige (kennelijk andere) vaten waren gesprongen.

2.6 In een telefaxbericht d.d. 8 juli 2000 van Altuglas aan Vopak staat onder meer het volgende vermeld:

“In opdracht van de rijksinspectie in Groningen hebben wij in Meppel gesprongen vaten afgevoerd naar Leto.

De complete inhoud van de containers is toen nagekeken, wat naar U toegestuurd is, was op dat moment in goede staat. Nu bij de herstabilisering blijkt dat er nog meer vaten in de tussentijd gesprongen zijn lijkt het me logisch dat ook deze afgevoerd worden naar Leto.”

2.7 Bij brief d.d. 31 oktober 2000 heeft Vopak aan Altuglas onder meer geschreven:

“Met referte aan ons telefoongesprek van heden geven wij u onderstaand onze tarieven voor de opslag en behandeling van cntrs. en pallets MMA imo 3 unno 1247:

Opslag van IBCs kan in openlucht op onze container parking, de vraag is of u dit wel wilt indien het om gevaarlijk product gaat. In geval van afval zal het u klant waarschijnlijk minder schelen dat de verpakking er minder goed gaat uitzien ten gevolge van de weersomstandigheden. Graag uw advies.”

2.8 Bij faxbrief d.d. 16 november 2000 heeft Altuglas Vopak het volgende bericht:

“Vandaag worden bij U 11 IBC containers met prepol aangeleverd.

Tot nader order gebeurt dit elke week donderdag, het aantal containers zal variëren tussen de 7 en 10 stuks.”

2.9 Op 30 juli 2001 heeft zich een incident voorgedaan waarbij bepaalde IBC’s (Intermediate Bulk Container; specifieke verpakkingstanks) zijn gaan polymeriseren (vloeibare prepol wordt hard en barst uit de opslageenheid/IBC), waardoor een container waarin deze IBC’s zich bevonden, is gaan lekken. Vopak heeft op 30 juli 2001 Altuglas telefonisch gemeld dat er een container lekte.

2.10 In een fax d.d. 31 juli 2001 van Vopak aan Altuglas staat het volgende geschreven:

“Op 30-07-2001 is er door ons personeel geconstateerd dat er vloeistof lekte uit een cntr.(s) waarin uw product in opslag stond. Door ons zijn toen de wettelijk voorgeschreven instructies uitgevoerd. Wij houden u verantwoordelijk voor alle ontstane kosten / kosten welke nog ontstaan en behouden ons het recht voor te zijner tijd op deze kwestie terug te komen.

2.11 Na overleg tussen partijen hebben zij op 31 juli 2001 een offerte gevraagd bij het bedrijf Reym met betrekking tot het verwijderen van de gepolymeriseerde prepol. Dit bedrijf heeft op 31 juli 2001 een plan van aanpak verzonden. Vervolgens heeft Vopak dit bedrijf opdracht gegeven de gepolymeriseerde prepol te verwijderen.

2.12 In een faxbericht d.d. 3 augustus 2001 heeft Vopak Altuglas erop gewezen dat er op 2 augustus 2001 weer een lekkage was in de IBC’s die voor rekening van Altuglas opgeslagen stonden. Zij heeft Altuglas meegedeeld dat dit al de tweede keer was binnen een week en dat de goederen van Altuglas zo spoedig mogelijk dienden te worden verwijderd.

2.13 In een brief van Altuglas aan Vopak d.d. 3 augustus 2001 staat onder meer het volgende geschreven:

“Hier is duidelijk geworden dat de 40 ft containers waarin de prepol is opgeslagen 4 hoog worden opgestapeld. Dit betekent dat, met name de bovenste container extreem wordt blootgesteld aan zonlicht. De betreffende container bleek ook als bovenste container te zijn opgeslagen. Tevens bleek dat in het midden van de container de IBC’s twee hoog zijn opgeslagen.”

2.14 Vopak heeft bij e-mailbericht d.d. 9 augustus 2001 Altuglas voorgesteld om SGS Redwood Nederland B.V. (verder: SGS) als onafhankelijk onderzoeker te benoemen om monsters te trekken van alle IBC’s van de incidentcontainer. Altuglas heeft dit voorstel geaccepteerd.

2.15 In een brief d.d. 10 augustus 2001 van Altuglas aan Vopak heeft zij gereageerd op de hiervoor onder 2.10 en 2.13 genoemde faxberichten van Vopak. Zij wijst er in deze brief op, dat er geen acuut gevaar bestaat dat er met de andere containers soortgelijke gebeurtenissen verwacht kunnen worden en dat een opslagtemperatuur van meer dan 30 graden een mogelijke oorzaak van de polymerisatie is geweest. Altuglas heeft vervolgens haar aansprakelijkheid voor de ontstane situatie van de hand gewezen.

2.16 Bij brief d.d. 13 augustus 2001 bericht SGS aan Vopak als volgt (waarbij onder MEHQ dient te worden verstaan: inhibitor);

“Bovenstaand leidt tot de conclusie dat er daadwerkelijk MEHQ aanwezig is in de monsters. Echter, gezien het lage rendement, kan geen uitspraak worden gedaan over het werkelijk gehalte MEHQ in de monsters.”

2.17 In een mailbericht d.d. 17 februari 2004 van mr. G. Elenbaas (verder: Elenbaas) optredend namens Vopak aan de heer [S] van SGS vraagt Elenbaas [S] te bevestigen of het juist is dat, afgezien van de waarde in IBC no 9 waarin een waarde van 8 mg/kg was gemeten, de waarden die zijn vastgesteld in de andere IBC’s 3 mg/kg dan wel lager waren.

2.18 In een mailbericht d.d. 17 februari 2004 van [S] aan Elenbaas staat geschreven dat deze gegevens juist zijn.

2.19 In een ongedateerde brief van SGS aan Elenbaas, die in kopie aan de heer Mutsers van Altuglas is gezonden, staat onder meer het volgende vermeld.

“Onderwerp mailwisseling 13-17 februari 2004 (...)

Destijds (tussen 13 en 17 februari jl.) hebben wij een mailwisseling gehad, waarin U vroeg of wij wilden controleren of U de door ons gerapporteerde waardes correct had vertaald in “normale Nederlandse bewoordingen”. Dit heb ik destijds als correct beoordeeld en hier blijf ik nog steeds achter staan.

Echter, van een bepaald niet onbelangrijke vermelding in ons rapport 217522.1 wordt echter geen melding gemaakt. In het SGS-rapport wordt namelijk melding gemaakt, dat de door ons uitgevoerde analyse een rendement had van slechts 4 %. Dit rendement van 4% is vast komen te staan, door MEHQ (inhibitor) toe te voegen aan enkele monsters. Na analyse is gebleken dat er slechts 4% van de toegevoegde inhibitor terug werd gevonden met gebruikte methode.

Wij hebben met ons rapport aangetoond, dat er wel degelijk inhibitor in het product aanwezig was. De hoogte van de resultaten 0.8-3 ppm zijn behaald met een methode, die slechts een rendement had van 4%, de werkelijke waardes kunnen dus veel hoger zijn, maar dat is niet met zekerheid te zeggen.”

2.20 In de Veemcondities Amsterdam-Rotterdam (verder: de Veemcondities) is het volgende opgenomen:

“Artikel 4

(...)

1. Alle geschillen die tussen het veem en de opdrachtgevers (...) mochten ontstaan, zullen hetzij in hoogste ressort worden beslist door (...), hetzij door de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam of Amsterdam, zulks ter keuze van de partij die een geschil aanhangig wenst te maken.

(...)

Artikel 10

Aansprakelijkheid opdrachtgever

1. De opdrachtgever is tegenover het veem (...) aansprakelijk (...) voor schade welke voortvloeit uit niet tevoren medegedeelde gebreken aan de zaken (...), ook indien deze schade zonder zijn schuld is ontstaan. (...)

2. Onverminderd het hiervoor bepaalde, zal de opdrachtgever het veem vrijwaren tegen aanspraken van derden, (...) die voortvloeien uit de aard of gesteldheid van de opgeslagen zaken, tenzij de schade het gevolg is van opzet of grove schuld van het veem zelve.

(...)

Artikel 14

Toestand van zaken bij aankomst

1. Zaken moeten, tenzij anders is aangegeven, in goede staat en indien verpakt, in goed verpakte toestand aan het veem afgeleverd worden.

(...)

3. Tot opslag ontvangen zaken die een zorgvuldig veemhouder indien hij geweten zou hebben dat ze na inontvangstname gevaar zouden kunnen opleveren, met het oog daarop niet voor opslag zou hebben willen ontvangen, mogen door hem op ieder ogenblik worden verwijderd, vernietigd dan wel op andere wijze onschadelijk gemaakt.

(...)

5. De veemhouder is terzake geen enkele schadevergoeding verschuldigd en de opdrachtgever is aansprakelijk voor alle kosten en schaden voor de veemhouder, voortvloeiende uit de aanlevering voor opslag, uit de opslag zelve of uit de maatregelen, tenzij die kosten en schaden dan wel de noodzaak tot het treffen van zodanige maatregelen het uitsluitende gevolg zijn van schuld aan de zijde van het veem.”

(...)

Artikel 23

Bijzondere wijze van behandeling van zaken

(...)

3.Het veem is echter gerechtigd een maatregel direkt, op kosten en voor risico van de opdrachtgever te nemen, het opruimen, het verwijderen, het vernietigen of het op andere wijze onschadelijk maken daaronder begrepen, wanneer door het nalaten daarvan verlies en/of schade aan de zaken zelf of aan andere zaken, of aan de bewaarplaats of aan werktuigen, dan wel nadeel voor personen te vrezen is of wanneer een maatregel uit andere hoofde vereist, dan wel geïndiceerd is, zulks ter beoordeling van het veem. Het veem stelt de opdrachtgever van de genomen maatregelen terstond in kennis, zonder dat deze op grond van het niet voldoen aan deze verplichting enige aanspraak tegenover het veem kan doen gelden.

(...)”

2.21 In een e-mailbericht van 28 mei 2002 van de heer Munsters van Altuglas aan Vopak staat onder meer het volgende vermeld:

“Volgens jullie en onze opgave zijn dan alle IBC’s en drums opgehaald door ons. (...)

Gaarne ontvangen wij een bevestiging van jullie dat alle prepol B is opgehaald.”

2.22 In een brief d.d. 10 mei 2004 van Vopak aan Altuglas staat onder meer het volgende vermeld:

“Op 11 november 2003 hebben wij U middels een aangetekende brief gevraagd de op ons terrein aanwezige containers met vaten prepol te verwijderen. Tot op heden heeft u hieraan helaas geen gehoor gegeven.

Middels deze brief willen wij u dringend verzoeken de containers alsnog te verwijderen uiterlijk vóór 21 mei 2004. Mochten de containers niet verwijderd worden voor de gestelde datum zullen wij conform de Veemcondities Amsterdam-Rotterdam op uw kosten overgaan tot vernietiging van de containers. (...)

Wij verwijzen o.m. naar artikel 14 van de genoemde Veemcondities welke bepaalt dat ontvangen zaken welke na in ontvangstname gevaar blijken op te leveren, door ons op ieder moment mogen worden verwijderd, vernietigd dan wel op andere wijze onschadelijk gemaakt. Daarnaast zijn wij in geen enkel opzicht aansprakelijk voor schade en/of verlies ten gevolge van de natuurlijke hoedanigheid van de zaak, kwaliteitsverandering, innerlijk bederf etc. (zie art.20 van de Veemcondities).”

2.23 Vopak heeft in eerste aanleg een aantal vorderingen ingesteld. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. Hiertegen is Vopak in hoger beroep gekomen.

3.1 De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

3.2 De rechtbank heeft in 3.1 tot en met 3.4 van haar tussenvonnis van 13 oktober 2004 overwogen dat de algemene voorwaarden van Vopak en de Veemcondities van toepassing zijn en de rechtbank zich bevoegd acht van het geschil kennis te nemen. Het hof is het met deze overwegingen van de rechtbank geheel eens.

3.3 De vordering van Vopak betreft vergoeding van kosten van verwijdering en vernietiging van IBC’s en container, alsmede vergoeding van nevenkosten. Kennelijk is de vordering (mede) gebaseerd op art. art. 23 lid 3 van de Veemcondities. Dit blijkt uit de toelichting op grief V.

3.4 Allereerst moet worden beoordeeld of er sprake was van een situatie waarop art. 23 van de Veemcondities betrekking heeft. Prepol is een zeer brandgevaarlijke en explosiegevoelige stof. Daarbij komt dat de overheid eind juli/begin augustus 2001 prepol zag als een afvalstof. In de als productie 25 bij het schaderapport van Cunningham Lindsey Marine B.V., verder te noemen Cunningham Lindsey, overgelegde uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is overwogen, dat er ten aanzien van prepol sprake is van een afvalstof. Weliswaar heeft Altuglas gesteld dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State later in een door Altuglas tegen het ministerie van VROM opgestarte beroepsprocedure heeft bepaald dat prepol niet kan worden aangemerkt als een afvalstof, dat neemt niet weg dat in 2001 door de overheid prepol als een afvalstof werd beschouwd. Op pagina 10 van het rapport Cunningham Lindsey staat beschreven dat er sprake was van een gevaarlijke situatie en op pagina 14 van het rapport staat beschreven dat als niet onmiddellijk een juiste actie was ondernomen, het waarschijnlijk was dat de plaatselijke autoriteiten Vopak zouden straffen en/of haar vergunning om gevaarlijke stoffen op te slaan, zouden intrekken. Altuglas heeft dit niet gemotiveerd weersproken en het hof acht dit ook aannemelijk gezien de incidenten van 30 juli 2001 en 2 augustus 2001, gezien de gevaarlijkheid van prepol en gezien het feit dat door de overheid prepol toen als afvalstof werd beschouwd. Aan een sommatie van Vopak tot verwijdering van IBC’s en vaten wilde of kon Altuglas niet voldoen.

3.5 Hieruit leidt het hof af dat er sprake was van een situatie waarop art. 23 lid 3 van de Veemcondities betrekking heeft. Dit betekent dat ingevolge art. 23 lid 3 van de Veemcondities Altuglas voor de door Vopak gevorderde kosten van verwijdering en vernietiging aansprakelijk is tenzij een beroep op deze bepaling in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Over de vraag of dit laatste het geval is, overweegt het hof het volgende.

3.6 Door partijen zijn twee mogelijke oorzaken genoemd voor de incidenten van 30 juli 2001 en 2 augustus 2001: de prepol zou onvoldoende inhibitor bevatten en de wijze van opslag buiten onder de brandende zon. Indien onvoldoende inhibitor de oorzaak zou zijn voor de beide incidenten, valt Vopak niets te verwijten, omdat Altuglas verantwoordelijk was voor zowel het toevoegen van voldoende inhibitor aan de prepol, als het op peil houden van het inhibitorgehalte van de prepol. Als de wijze van opslag buiten onder de brandende zon de oorzaak van de beide incidenten zou zijn, geldt het volgende.

3.7 Altuglas is akkoord gegaan met opslag van IBC’s in de open lucht. Dit blijkt uit de brief van Vopak van 31 oktober 2000 aan Altuglas. In deze brief werpt Vopak de vraag op of Altuglas opslag van IBC’s in de open lucht wel wil indien het om een gevaarlijk product gaat. Weliswaar noemt Vopak in de brief slechts het gevolg voor de aanblik van de verpakking en niet voor de temperatuur van de prepol, hoewel de door Altuglas aan Vopak verstrekte gevarenkaart spreekt over koele opslag. Bedacht dient echter te worden dat Altuglas dagelijks werkte met prepol en Vopak nog nooit prepol had opgeslagen, zodat Altuglas geacht wordt de samenstelling en eigenschappen van prepol beter te kennen dan Vopak. Bovendien wordt Altuglas, en niet Vopak, geacht te hebben geweten hoeveel inhibitor was toegevoegd. Hieruit leidt het hof af dat Altuglas beter in staat was om te beoordelen of opslag in de open lucht van containers met IBC’s met prepol verantwoord was.

3.8 Verder had Vopak nog nooit prepol opgeslagen, maar had Vopak wel ervaring met het opslaan van MMA. Uit de fax van Altuglas van 21 juni 2000 aan Vopak blijkt dat prepol bestaat uit MMA + hulpstoffen + pigmenten. Altuglas heeft gesteld dat zij de Material Safety Data Sheet (MSDS) in juni 2000, voorafgaand aan de opslag aan Vopak zou hebben verschaft, maar zij heeft na betwisting door Vopak niet nader onderbouwd op welke wijze zij deze MSDS aan Vopak zou hebben verschaft. Daarom gaat het hof aan de stelling van Altuglas dat zij in juni 2000 de MSDS zou hebben verschaft, voorbij. Altuglas heeft gesteld dat zij de samenstelling van prepol uitgebreid met Vopak zou hebben doorgenomen. Zij heeft na betwisting door Vopak echter niet gesteld wie namens Altuglas met wie namens Vopak de samenstelling van prepol uitgebreid zou hebben doorgenomen. Het hof gaat dan ook voorbij aan de stelling van Altuglas dat zij de samenstelling van prepol uitgebreid zou hebben doorgenomen. Altuglas heeft gesteld dat Vopak gezegd zou hebben meer informatie niet nodig te hebben. Zij heeft echter niet onderbouwd wie namens Vopak gezegd zou hebben meer informatie niet nodig te hebben. Daarom gaat het hof voorbij aan de stelling dat Vopak gezegd zou hebben meer informatie niet nodig te hebben.

3.9 Altuglas heeft gesteld dat prepol praktisch dezelfde eigenschappen zou hebben als MMA en dat de eigenschappen die verband houden met opslag en polymerisatie bij prepol en MMA gelijk zijn. Zij heeft echter niet gesteld waaruit dit blijkt. Zij heeft ook niet gesteld op grond waarvan dit voor Vopak, die slechts wist dat prepol bestond uit MMA + hulpstoffen + pigmenten, kenbaar was. De conclusie is dat Altuglas bij aanvang van de overeenkomst onvoldoende productinformatie over prepol aan Vopak heeft verstrekt.

3.10 Nu Altuglas akkoord is gegaan met opslag in de open lucht en slechts beperkte productinformatie aan Vopak heeft verstrekt, is het hof van oordeel dat Altuglas in belangrijke mate (mede) schuld heeft aan de incidenten van 30 juli 2001 en 2 augustus 2001 indien de oorzaak van deze beide incidenten gelegen is in het buiten opslaan onder de brandende zon. Dit betekent dat ook in dat geval het beroep van Vopak op art. 22 lid 3 van de Veemcondities niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

3.11 Nu, ook als de oorzaak van de beide incidenten van 30 juli 2001 en 2 augustus 2001 is gelegen in het buiten opslaan in de brandende zon, Altuglas in belangrijke mate (mede) schuld heeft, is geen sprake van grove schuld aan de zijde van Vopak.

3.12 De vordering van € 156.191,04 betreft kosten van verwijdering van IBC’s uit de container SCXU 544159/6 en vernietiging van IBC’s en container naar aanleiding van de incidenten van 30 juli 2001 en 2 augustus 2001. De vordering is gespecificeerd in bijlage 53 bij het rapport van Cunningham Lindsey. De omvang van deze vordering is door Altuglas niet gemotiveerd betwist. Naar het oordeel van het hof is deze vordering op grond van art. 22 lid 3 van de Veemcondities toewijsbaar.

3.13 De overige posten die staan vermeld op pagina 24 van het rapport Cunningham Lindsey, zijn na betwisting door Altuglas door Vopak niet nader onderbouwd. Vopak heeft ook niet gesteld wat het verband is tussen de incidenten van 30 juli 2001 en 2 augustus 2001 enerzijds en deze posten anderzijds. Deze posten zijn dan ook niet toewijsbaar.

3.14 De drie op pagina 25 van het rapport van Cunningham Lindsey vermelde posten terzake koeling, totaal € 3.402,67, zijn na betwisting door Altuglas, door Vopak niet nader onderbouwd. De stelling van Altuglas dat de kosten van koeling ad € 1.134,45 niet aan Altuglas kunnen worden doorberekend aangezien dit werkzaamheden zijn die passen binnen de verplichting die Vopak heeft om de prepol zorgvuldig te bewaren, is door Vopak niet gemotiveerd weersproken.Vopak heeft verder ook niet gesteld waarom Altuglas voor deze kosten aansprakelijk zou zijn. Deze op pagina 25 van het rapport genoemde posten zijn niet toewijsbaar.

3.15 Op pagina 28 van het rapport van Cunningham Lindsey worden 12 bij Vopak geclaimde reparatiekosten vermeld tot een totaalbedrag van € 6.402,46 terzake 12 met nummer genoemde containers. Vopak heeft deze reparatiekosten gevorderd. In het rapport staat dat aan de lessor schadebegrotingen zijn opgevraagd, dat Cunningham Lindsay na ontvangst van de schadebegrotingen de redelijkheid van de claims zal beoordelen en het resultaat van deze beoordeling in een addendum op het rapport zal vermelden. Het hof heeft geen addendum op het rapport aangetroffen. Altuglas heeft de reparatiekosten betwist en gesteld dat deze schade nimmer aan Altuglas is gemeld, zodat Altuglas deze ook niet heeft controleren. Hierna heeft Vopak de gevorderde reparatiekosten niet nader onderbouwd en niet gesteld wat het resultaat van de beoordeling van de redelijkheid van de claims is geweest, en of zij de claims heeft betaald. Deze vordering is niet toewijsbaar.

3.16 De gevorderde kosten van juridische bijstand ad € 17.909,28 heeft Vopak na betwisting niet nader onderbouwd. De vordering tot betaling van deze kosten is dan ook niet toewijsbaar. Het hof vermoedt dat in het gevorderde bedrag van € 17.909,28 eveneens zijn begrepen de kosten terzake het (slecht voorbereide) verloren gegane kort geding, die natuurlijk nooit ten laste van Altuglas kunnen worden gebracht.

3.17 Vopak heeft aanvullend gevorderd € 22.478,56, bestaande in huur en bewaarloon ad € 12.818,56 van containers SCZU 735075-9 en SCZU 770254-6 en vernietigingskosten ad € 9.660,-. Altuglas heeft gesteld dat deze twee containers niet voorkomen op de facturen die Vopak aan Altuglas terzake bewaarloon heeft verzonden en heeft betwist dat in deze containers van Altuglas afkomstige prepol heeft gezeten. Hierna heeft Vopak bij antwoordakte vermeerdering van eis het volgende gesteld. Op 20 augustus 2003, direct na vaststelling van de aanwezigheid van de twee containers, heeft Vopak hiervan aan Altuglas melding gemaakt. De inhoud van de twee vaten was deels gepolymeriseerd en derhalve heeft Vopak aan Altuglas direct verzocht om de vaten zo spoedig mogelijk op te komen halen. Daarop heeft Bart Mutsters van Altoglas op 28 augustus 2003 een bezoek aan Vopak gebracht. Vopak heeft Bart Mutsters een inventarislijst met alle 29 containers van Altuglas overhandigd. Bart Mutsters heeft de twee containers samen met Piet Stam en Margreeth Servais van Vopak geïnspecteerd, waarna Bart Mutsters toezegde zo snel mogelijk actie te zullen nemen om deze containers te laten verwijderen. In plaats van de nodige actie te ondernemen zond Altoglas op 5 september 2003 aan Vopak een schrijven waarin wordt gesteld dat Vopak een incomplete en onvolledige administratie voert. Daarna stelt Altuglas schade te hebben geleden omdat het product dat deels gepolymeriseerd is, niet meer als grondstof is aan te wenden en moet worden vernietigd. Om bovenstaande problematiek op te lossen, heeft op uitnodiging van Vopak op 2 oktober 2003 een gesprek tussen partijen plaats gevonden, waarbij de advocaat van Altuglas (mr. Laan) aanwezig was. Reeds tijdens dat gesprek vroeg Altoglas zich af of Vopak voornemens was de geleden schade ten aanzien van de twee containers aan de reeds lopende procedure toe te voegen. Uit de hierboven omschreven omstandigheden blijkt dat Vopak de aanwezigheid van de twee containers wel degelijk gedocumenteerd heeft gemeld bij Altuglas.

3.18 Dit alles is door Altuglas in hoger beroep niet gemotiveerd weersproken. Dit betekent dat het verweer van Altuglas tegen de vordering van € 22.478,56 faalt. De vordering tot betaling van € 22.478,56 is toewijsbaar.

3.19 De stelling dat Vopak Altuglas op 18 januari 2002 per aangetekende brief ten tweede male heeft gesommeerd de schade c.q. kosten van opruiming binnen 7 dagen te vergoeden, en, omdat Altuglas na sommatie niet is overgegaan tot betaling, vanaf 25 januari 2002 in verzuim is en vanaf deze datum wettelijke rente is verschuldigd, is door Altuglas niet weersproken. Dit betekent dat Altuglas wettelijke rente verschuldigd is over de bij dagvaarding gevorderde bedragen vanaf 25 januari 2002. Over het bedrag van € 22.478,56 is wettelijke rente verschuldigd vanaf 23 juni 2004, de dag dat deze post in rechte is gevorderd.

3.20 Het hof gaat voorbij aan de bewijsaanbiedingen van partijen, aangezien geen van beide partijen relevante, voldoende onderbouwde stellingen heeft geponeerd die bewijs behoeven.

3.21 Uit het bovenstaande volgt dat het eindvonnis van 24 augustus 2005 moet worden vernietigd. Aangezien het tussenvonnis van 13 oktober 2004 geen te executeren beslissingen bevat, hebben partijen geen belang bij een beslissing ten aanzien van dit tussenvonnis en zal het hof een beslissing ten aanzien van dit tussenvonnis achterwege laten. De vordering van Vopak is tot een bedrag van € 156.191,04 + € 22.478,56 = € 178.669,60, vermeerderd met wettelijke rente over € 156.191,04 vanaf 25 januari 2002 en over € 22.478,56 vanaf 23 juni 2004, toewijsbaar en dient voor het overige te worden afgewezen. Het hof zal Altuglas als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in beide instanties veroordelen.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het eindvonnis van de Rechtbank Rotterdam van 24 augustus 2005

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Altuglas om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Vopak te betalen € 178.669,60, vermeerderd met de wettelijke rente over € 156.191,04 vanaf 25 januari 2002 en over € 22.478,56 vanaf 23 juni 2004 tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Altuglas in de proceskosten in eerste aanleg, tot 24 augustus 2005 aan de zijde van Vopak begroot op € 12.002,18, waarvan € 4.002,18 aan verschotten en € 8.000,- aan salaris van de procureur;

veroordeelt Altuglas in de proceskosten in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Vopak begroot op € 12.328,93, waarvan € 5.802,93 aan verschotten en € 6.526,- aan salaris van de procureur;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. Schuering, M.C.M. van Dijk en L.M. Croes en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 september 2008 in aanwezigheid van de griffier.