Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BF0694

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-07-2008
Datum publicatie
12-09-2008
Zaaknummer
07/00597
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Na verwijzing door de HR is thans niet langer in geschil dat de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst niet geldig is gesloten en dat partijen niet langer zijn gebonden aan de inhoud van de vaststellingsovereenkomst.

Tussen partijen is in geschil of de navorderingsaanslag dient te worden verminderd tot op € 174 aan enkelvoudige belasting, en of de boetebeschikking kan worden vastgesteld op € 87, zoals de Inspecteur betoogt, of dat de navorderingsaanslag en de boetebeschikking op nihil dienen te worden gesteld, zoals belanghebbende betoogt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/51.7 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-07/00597

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 15 juli 2008

op het beroep van mevrouw [belanghebbennde] te [Z] tegen het niet tijdig doen van uitspraak op het bezwaar tegen de na te noemen navorderingsaanslag door de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Particulieren/Ondernemingen Zaandam van de Belastingdienst, thans de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Holland-Noord.

Navorderingsaanslag, boetebeschikking, bezwaar en het verdere loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 18.998 (€ 8.621), waarbij de Inspecteur tevens een boete heeft opgelegd van 100 percent. Bij de tegelijkertijd bij het opleggen van de navorderingsaanslag genomen beschikking heeft de Inspecteur de boete geheel kwijtgescholden.

1.2. Op het tegen de navorderingsaanslag gerichte bezwaar van belanghebbende heeft de Inspecteur niet tijdig uitspraak gedaan.

1.3. Belanghebbende is tegen het niet tijdig doen van uitspraak door de Inspecteur in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam. Dat Gerechtshof heeft bij uitspraak van

13 mei 2005, nummer P03/03663, LJN: AT5629, het beroep ongegrond verklaard.

1.4. Op het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie heeft de Hoge Raad bij arrest van 16 november 2007, nr. 42.257, LJN: BA2267, de uitspraak van voornoemd Gerechtshof vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

1.5. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk uit te laten naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad, van welke gelegenheid de Inspecteur wel doch belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt.

1.6. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 3 juni 2008, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende en haar echtgenoot zijn geboren in 1943. In 1993 hebben zij gezamenlijk een bankrekening geopend bij de Kredietbank Luxemburg te Luxemburg (hierna: KBL) onder rekeningnummer xxx.xxx. Belanghebbende heeft het saldo van die bankrekening en de daarop genoten interest voor een reeks van jaren niet in haar aangiften voor de inkomsten- en vermogensbelasting opgenomen.

3.2. Belanghebbende heeft met betrekking tot de verzwegen bankrekening met de Inspecteur een vaststellingsovereenkomst gesloten. Dienaangaande is haar de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd. De hoogte van de aanslag en het volledig kwijtschelden van de boete berust op de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst. Nadien heeft belanghebbende de rechtsgeldigheid van de vaststellingovereenkomst betwist. Thans is niet langer in geschil dat de vaststellingsovereenkomst niet geldig is gesloten en dat partijen niet langer zijn gebonden aan de inhoud van de vaststellingsovereenkomst.

3.3. De na te vorderen enkelvoudige vermogensbelasting voor het jaar 1998 bedraagt ƒ 385 (€ 174).

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of de navorderingsaanslag dient te worden verminderd tot op € 174 aan enkelvoudige belasting, en of de boetebeschikking kan worden vastgesteld op € 87, zoals de Inspecteur betoogt, of dat de navorderingsaanslag en de boetebeschikking op nihil dienen te worden gesteld, zoals belanghebbende betoogt.

4.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken. Zij hebben hun standpunten ter zitting toegelicht, doch aldaar aan de door hen in de gedingstukken gegeven uiteenzettingen geen grieven of weren toegevoegd.

Overwegingen omtrent het geschil

5.1. Naar het oordeel van het Hof brengt de vernietiging van de vaststellingsovereenkomst niet met zich dat de onderhavige navorderingsaanslag dient te worden verminderd tot op nihil. Vaststaat dat ook zonder vaststellingsovereenkomst voor het onderhavige jaar vermogensbelasting zou zijn verschuldigd. Aangezien het bedrag aan nagevorderde belasting over dit jaar op zichzelf tussen partijen niet in geschil is, zal het Hof de navorderingsaanslag tot op dat bedrag verminderen.

5.2. De Inspecteur heeft bij zijn kwijtscheldingsbesluit de boete geheel kwijtgescholden. De vernietiging van de vaststellingsovereenkomst heeft echter niet tot gevolg dat de Inspecteur geheel of gedeeltelijk kan terugkomen op het genomen kwijtscheldingsbesluit. In zoverre is het gelijk aan belanghebbende.

5.3. Het Hof komt tot de slotsom dat het beroep gegrond is en dat moet worden beslist als hierna vermeld.

Proceskosten en griffierecht

6.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.127 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (3,5 punten ad € 322 per punt x 1 (gewicht van de zaak). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

6.2. Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor het Gerechtshof te Amsterdam gestorte griffierecht van € 31 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond,

- vermindert de navorderingsaanslag tot op € 174 aan enkelvoudige belasting,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het beroep, aan de zijde van belanghebbende gevallen en vastgesteld op € 1.127, onder aanwijzing van de Staat als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden, en

- gelast de Staat een bedrag van € 31 aan griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, J.W. Savelbergh en H.J. van den Steenhoven, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 15 juli 2008 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

3

nummer BK-07/00597

uitspraak