Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BE9493

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-08-2008
Datum publicatie
01-09-2008
Zaaknummer
105.012.267--01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Beding van niet-wijziging in echtscheidingsconvenant. Artikel 1:159 lid 3 BW. Nieuwe gezinssituatie van de man, zowel op zich als in samenhang met de consequenties daarvan, geen ingrijpende wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:159 lid 3 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2008, 104 met annotatie van I.J. Pieters
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 13 augustus 2008

Zaaknummer : 105.012.267/01

Rekestnummer : 1703-R-07

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 07-307

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. R.Th.R.F. Carli,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur voorheen mr. J.S. Dijkstra, thans mr. M.L. Groen.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 28 november 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 3 september 2007 van de rechtbank Rotterdam.

De vrouw heeft op 16 januari 2008 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 5 december 2007 en 17 juni 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Op 26 juni 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. E.B. van den Ouden, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. R. Vromans. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de man, tot wijziging van de beschikking van 9 mei 2005 van de rechtbank Rotterdam in die zin dat, primair, de daarbij aan hem opgelegde partnerbijdrage ad € 1.187,-- wordt vastgesteld op nihil en, subsidiair, de partnerbijdrage wordt vastgesteld op € 600,-- per maand, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) van de vrouw.

2. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad, alsnog te bepalen dat de oorspronkelijk door de rechtbank Rotterdam bij beschikking van 9 mei 2005 vastgestelde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw ten bedrage van € 1.187,-- per maand (het hof leest: dient te worden gewijzigd), zulks met ingang van 1 januari 2007, waarbij die primair vastgesteld wordt op nihil en subsidiair verminderd wordt tot een bedrag van € 600,-- per maand, althans op een zodanig bedrag als het hof zal vermenen te behoren.

3. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep, althans dit beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Wijziging van omstandigheden

4. De man stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat sprake is van zodanige wijziging van omstandigheden dat hij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het in het echtscheidingsconvenant van 6 april 2005 opgenomen beding van niet-wijziging ter zake van de partneralimentatie kan worden gehouden. In zijn eerste grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij slechts het samenwonen met een nieuwe partner als wijziging van omstandigheden had aangevoerd. De man stelt dat hij tevens twee andere wijzigingen had aangevoerd, te weten het feit dat hij te maken heeft gekregen met hoge reiskosten en met een hogere schuldenlast. Thans voert de man (wederom) drie wijzigingen van omstandigheden aan: I. de man is per 1 november 2005 gaan samenwonen met een nieuwe partner waarmee hij inmiddels is gehuwd. Door dit huwelijk is hij tevens onderhoudsplichtig geworden voor zijn huidige echtgenote, die niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, en daarnaast is de man onderhoudsplichtig geworden voor een op 24 december 2006 uit dit huwelijk geboren kind;

II. de man is verhuisd (gaan wonen bij zijn huidige echtgenote) als gevolg waarvan hij te maken heeft gekregen met aanzienlijke reiskosten woon-werkverkeer, te weten € 631,-- per maand; en III. de man heeft te maken met een hogere schuldenlast dan waarvan partijen destijds bij het sluiten van het convenant waren uitgegaan: hij betaalt geen € 400,-- per maand in verband met de aflossing van een huwelijkse schuld, doch € 500,-- per maand.

De man stelt dat voormelde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang voldoende zijn om de door hem verzochte nihilstelling, dan wel vermindering van de partneralimentatie toe te wijzen.

5. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de door de man gestelde wijzigingen van omstandigheden geen dusdanige wijzigingen betreffen dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan zijn alimentatieverplichting behoeft te worden gehouden. De vrouw stelt dat met de door de man genoemde wijzigingen reeds rekening is gehouden ten tijde van het sluiten van het convenant, omdat deze wijzigingen voorzienbaar waren, immers de man had destijds al een relatie met zijn huidige echtgenote. Daarnaast stelt de vrouw dat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden die het opzijzetten van het beding van niet-wijziging rechtvaardigt, omdat de wijzigingen zien op een eigen keuze van de man die niet aan de vrouw mag worden tegengeworpen, dan wel omdat de wijzigingen nauwelijks effect hebben op de draagkracht van de man. De vrouw voert hiertoe aan dat de huidige echtgenote van de man in staat moet worden geacht in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, zodat zij de helft van de woonlasten voor haar rekening kan nemen, hetgeen de draagkracht van de man niet vermindert en voorts voert zij aan dat de man blijkens zijn loonstroken een reiskostenvergoeding ontvangt van zijn werkgever, zodat ook de nieuwe reiskosten geen wijziging van omstandigheden opleveren. Wat betreft de hogere aflossing van de huwelijkse schuld stelt de vrouw dat dit evenzeer een eigen keuze van de man betreft, nu hij met de schuldeiser ook een lager bedrag aan aflossing zou kunnen afspreken zo lang de alimentatieverplichting nog voortduurt.

6. Het hof overweegt als volgt.

Partijen zijn bij echtscheidingsconvenant van 6 april 2005 een partneralimentatie voor de vrouw overeengekomen van € 1.187,-- bruto per maand. In het convenant is voorts, voor zover hier van belang, opgenomen dat aan de alimentatieverplichting een termijn is verbonden van vier jaar. Verder zijn partijen met betrekking tot de partneralimentatie een beding van niet-wijziging overeengekomen. Een beding van niet-wijziging houdt in dat de overeengekomen alimentatie niet kan worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden. Alleen indien sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de verzoeker van de wijziging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding van niet-wijziging mag worden gehouden, als bedoeld in artikel 1:159 lid 3 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), kan het beding terzijde worden geschoven. In verband met de rechtszekerheid kan slechts in een uitzonderingssituatie sprake zijn van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:159 lid 3 BW en in de rechtspraak worden dan ook zware eisen gesteld aan de stelplicht van de verzoeker. Van belang is of de mogelijke wijziging van een bepaalde omstandigheid tijdens de onderhandelingen over het convenant ter sprake is gekomen en of de vrouw heeft begrepen en heeft mogen begrijpen dat de man het risico van die wijziging voor zijn rekening nam. Uit de rechtspraak volgt dat in het algemeen de omstandigheid dat de gezinssituatie van de man is gewijzigd, niet wordt beschouwd als een zo uitzonderlijke omstandigheid dat deze bij het aangaan van het beding door partijen niet onder ogen zal zijn gezien. In het onderhavig geval blijkt dit ook uit hetgeen uit de tekst van het convenant volgt en uit hetgeen partijen ter zitting over de totstandkoming van het convenant hebben verklaard. Immers, de man had reeds ten tijde van het sluiten van het convenant een relatie met zijn huidige echtgenote, zoals door de vrouw onweersproken is gesteld. Daarbij komt dat, bezien in samenhang met de overige afspraken ter zake van de financiële gevolgen van de echtscheiding, een duidelijke keuze blijkt te zijn gemaakt voor een beding van niet-wijziging en het effect daarvan voor de risicoverdeling tussen partijen, nu partijen aan de duur van de alimentatieverplichting een termijn hebben verbonden (van vier jaar) en pensioenverevening hebben uitgesloten, terwijl partijen twaalf jaar gehuwd zijn geweest en de vrouw tijdens het huwelijk geen, dan wel nauwelijks, eigen inkomsten had, zodat voormelde afspraken niet zonder meer in de rede lagen.

7. Het hof is dan ook van oordeel dat de nieuwe gezinssituatie van de man geen zodanig ingrijpende wijziging van omstandigheden met zich brengt, dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding van niet-wijziging kan worden gehouden.

8. Ook ten aanzien van de reiskosten waarmee de man thans te maken heeft, is het hof van oordeel dat geen sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden die een wijziging van de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw rechtvaardigt. Het hof overweegt daartoe dat de reiskosten een gevolg zijn van de nieuwe gezinssituatie van de man en bovendien een eigen keuze van de man betreffen waarvan de consequenties voor zijn rekening en risico komen. Evenmin levert de omstandigheid dat de man te maken heeft met een hoger bedrag aan aflossing van een huwelijkse schuld dan destijds door partijen in aanmerking was genomen naar het oordeel van het hof een zodanige wijziging van omstandigheden op dat het beding van niet-wijziging terzijde kan worden geschoven. Het hof acht, los van de vraag of de man niet tijdelijk een lagere aflossing zou kunnen bedingen bij de schuldeiser, een verschil van € 100,-- per maand aan lasten niet een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:159 lid 3 BW.

9. Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van het hof geen sprake is van een volkomen wanverhouding tussen wat partijen bij het sluiten van het convenant voor ogen stond en wat zich in werkelijkheid heeft afgespeeld, alsook dat geen sprake is van een situatie die door partijen tijdens het sluiten van het convenant niet onder ogen is gezien. Dit brengt mee dat naar het oordeel van het hof de door de man gestelde wijzigingen van omstandigheden noch apart, noch in onderlinge samenhang bezien, de conclusie kunnen dragen dat na de totstandkoming van de overeenkomst zich een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan, dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding van niet-wijziging mag worden gehouden. Nu geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:159 lid 3 BW dient het verzoek van de man te worden afgewezen.

Draagkracht van de man

10. Nu het hof tot het oordeel is gekomen dat het verzoek van de man reeds dient te worden afgewezen op grond van het feit dat geen sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan het beding van niet-wijziging terzijde zou kunnen worden geschoven, behoeft de partneralimentatie niet opnieuw getoetst te worden aan de wettelijke maatstaven. Dit betekent dat de grieven van de man met betrekking tot zijn draagkracht, het indienen van stukken ter onderbouwing van zijn draagkracht en de ingangsdatum, geen verdere behandeling behoeven.

Conclusie

11. Het bovenstaande brengt mee dat de grieven van de man falen, zodat het hof, zij het onder aanvulling c.q. verbetering van gronden, de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Pannekoek-Dubois en Mertens-de Jong, bijgestaan door mr. Wijkstra als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 augustus 2008.