Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BE9471

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-06-2008
Datum publicatie
29-08-2008
Zaaknummer
BK-07/00215
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen houdt het antwoord op de vraag verdeeld of de onroerende zaak met € 774.788 te hoog is gewaardeerd, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

nummer BK-07/00215

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 27 juni 2008

op het hoger beroep van [belanghebbende] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 9 februari 2007, nummer AWB 06/51, betreffende de hierna vermelde beschikking.

1. Beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De heffingsambtenaar van de gemeente Schouwen-Duiveland (hierna: de Inspecteur) heeft bij beschikking van 26 februari 2005 de zogeheten WOZ-waarde van de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] (gemeente Schouwen-Duiveland) naar het waardepeil van 1 januari 2003 vastgesteld op € 774.788, welke waarde voor de jaren 2005 en 2006 geldt.

1.2. Bij uitspraak op het door belanghebbende tegen de waardevaststelling gemaakte bezwaar heeft de Inspecteur de beschikking gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

2. Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. De griffier heeft in verband daarmee van belanghebbende een griffierecht geheven van € 105.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 20 juni 2008, gehouden te Den Haag. Daar zijn beide partijen verschenen. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht en gebruiker van de aan de [a-straat 1] te [Z] gelegen onroerende zaak (hierna: de onroerende zaak).

3.2. De onroerende zaak betreft een in het jaar 2003 gebouwde vrijstaande woning (1408 m³) met garage (316 m³), serre (36 m³), ondergrond en tuin. De kaveloppervlakte is 1310 m².

3.3. Op grond van de WOZ-regelgeving, te weten de regelgeving in de hoofdstukken III en IV van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet), is bij de onderwerpelijke beschikking de waarde van de onroerende zaak (hierna ook: de WOZ-waarde) vastgesteld op € 774.788 per 1 januari 2003.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Partijen houdt het antwoord op de vraag verdeeld of de onroerende zaak met € 774.788 te hoog is gewaardeerd, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.

4.2. Belanghebbende staat aanvankelijk een WOZ-waarde voor die tussen de € 336.000 en € 441.950 ligt; ter zitting heeft hij desgevraagd verklaard dat de onroerende zaak op 1 januari 2003 meer dan € 500.000 waard is, doch aanzienlijk minder dan € 774.788.

4.3. De Inspecteur houdt staande dat de WOZ-waarde € 774.788 is.

4.4. Voor de standpunten van partijen en voor de gronden waarop zij hun standpunten doen steunen, wordt verder verwezen naar de stukken van het geding.

5. Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vaststelling van de WOZ-waarde op een aanzienlijk lager bedrag dan € 774.788.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

6. Beoordeling van het hoger beroep

6.1. De rechtbank heeft naar 's Hofs oordeel met juistheid beslist dat de waarde van de onroerende zaak met € 774.788 niet te hoog is vastgesteld. Met al hetgeen hij in beroep en hoger beroep omtrent de onroerende zaak en de door hem opgevoerde vergelijkingsobjecten heeft aangevoerd en aan stukken, in het bijzonder het taxatierapport van 31 maart 2006, heeft ingebracht, mede ter weerlegging van de door belanghebbende in stelling gebrachte argumenten, acht het Hof de Inspecteur, op wie te dezen de bewijslast rust, er alleszins in geslaagd voldoende feiten en omstandigheden aannemelijk te maken, tegenover de betwisting ervan door belanghebbende, die in redelijkheid de conclusie rechtvaardigen, zulks met inachtneming van de uitgangspunten in artikel 17, tweede lid, van de Wet, dat aan de onroerende zaak niet een lagere waarde dan € 774.788 is toe te kennen.

6.2. Zo acht het Hof overtuigend aangetoond dat met het vaststellen van de WOZ-waarde op € 774.788 in ruimschoots voldoende mate rekening is gehouden met alle relevante factoren betreffende de onroerende zaak - waaronder ook de door belanghebbende opgesomde specifieke aspecten - zowel als zodanig als ten opzichte van de in het taxatierapport van 31 maart 2006 vermelde vergelijkingsobjecten ten tijde van de respectieve verkoopdata. Het Hof is met de Inspecteur van oordeel dat een vergelijking van de onroerende zaak met de vergelijkingsobjecten een waarde voor de onroerende zaak oplevert van € 774.788, zo niet een nog hogere waarde.

6.3. De conclusie dat met € 774.788 zeker niet een te hoge waarde aan de onroerende zaak is toegekend, vindt naar 's Hofs oordeel in het bijzonder ook bevestiging in het gegeven dat het in het taxatierapport van 31 maart 2006 vermelde vergelijkingsobject [a-straat 2], dat evenals de onroerende zaak (in meer of mindere mate) door belanghebbende zelf is gebouwd, waarvan de woning een inhoud heeft van 725 m³ en de kaveloppervlakte 1010 m² is, begin 2003 is verkocht voor een bedrag van € 795.000. Ter zitting heeft belanghebbende, geconfronteerd met dat gegeven, niets te berde gebracht op grond waarvan daarover in redelijkheid anders kan worden geoordeeld.

6.4. Belanghebbende heeft naar 's Hofs oordeel met hetgeen hij in beroep en in hoger beroep heeft aangevoerd en aan stukken heeft ingebracht geenszins feiten en omstandigheden aangevoerd dan wel, tegenover de betwisting ervan door de Inspecteur, aannemelijk gemaakt waaruit enig beletsel van inhoudelijke of formele aard is te putten voor het handhaven van de WOZ-waarde op € 774.788. Belanghebbende heeft zodoende het van hem te verlangen tegenbewijs niet geleverd.

6.5. Het vorenoverwogene voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. Bijgevolg moet worden beslist als hierna is vermeld.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. J.T. Sanders, U.E. Tromp en P.M. Verhagen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 27 juni 2008 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

3

nummer BK-07/00215

Uitspraak