Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BE9449

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-03-2008
Datum publicatie
29-08-2008
Zaaknummer
BK-07/00060
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het geschil spitst zich toe op de vraag of het bezwaar van belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, welke vraag door belanghebbende bevestigend en door de Inspecteur ontkennend wordt beantwoord. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij het bezwaar voldoende heeft gemotiveerd.

Het Hof is, gelet op de gedingstukken en het ter zitting verhandelde, niet alleen van oordeel dat het bezwaar van belanghebbende ontvankelijk is, maar ook dat de Inspecteur opnieuw uitspraak op bezwaar dient te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/1335

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

tweede meervoudige belastingkamer

14 maart 2008

nummer BK-07/00060

UITSPRAAK

op het hoger beroep van de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Haaglanden, tegen de uitspraak van de rechtbank ’s Gravenhage van 21 december 2006, nummer AWB 06/2439 OB, betreffende na te noemen aan de commanditaire vennootschap [belanghebbende] te [Z] opgelegde naheffingsaanslag.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1 Aan belanghebbende is over het tijdvak van 1 januari 1998 tot en met 31 december 1998 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van € 30.248.

1.2 Bij uitspraak op het door belanghebbende tegen de naheffingsaanslag gemaakte bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.3 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de Inspecteur opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen.

2. Loop van het geding in hoger beroep

2.1 De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.2 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 31 januari 2008, gehouden te Den Haag. Daar zijn beide partijen verschenen.

3. Vaststaande feiten

Het Hof gaat in hoger beroep uit van de door de rechtbank in haar uitspraak vastgestelde feiten.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1 Het geschil spitst zich toe op de vraag of het bezwaar van belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, welke vraag door belanghebbende bevestigend en door de Inspecteur ontkennend wordt beantwoord.

4.2 Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij het bezwaar voldoende heeft gemotiveerd.

4.3 De Inspecteur heeft zich ter zitting alsnog neergelegd bij het standpunt van belanghebbende.

5. Beoordeling van het hoger beroep

5.1 Het Hof is, gelet op de gedingstukken en het ter zitting verhandelde, niet alleen van oordeel dat het bezwaar van belanghebbende ontvankelijk is, maar ook dat de Inspecteur opnieuw uitspraak op bezwaar dient te doen.

5.2 Het hoger beroep is mitsdien ongegrond, zodat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6. Proceskosten en griffierecht

6.1 Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 644 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (2 punten à € 322 x 1 (gewicht van de zaak)). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

6.2 Omdat de uitspraak van de rechtbank in stand blijft, zal de griffier van het Hof ter zake van het hoger beroep van de Inspecteur een griffierecht heffen van € 428.

7. Beslissing

Het Gerechtshof:

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank; en

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, die zijn vastgesteld op € 644, onder aanwijzing van de Staat als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Sanders, Tromp en Van Walderveen. De beslissing is op 14 maart 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.

(Van den Bogerd) (Sanders)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.