Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BE9419

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-06-2008
Datum publicatie
28-08-2008
Zaaknummer
BK-07/00204
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in hoger beroep uitsluitend in geschil of de opgelegde boeten terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd, welke vraag door belanghebbende ontkennend en door de Inspecteur bevestigend wordt beantwoord.

Het betreft voor meerdere jaren een vergrijpboete en een verzuimboete. Het Hof oordeelt dat het opleggen van de onderhavige vergrijpboete en de verzuimboeten geen schending van het ne-bis-in-idembeginsel oplevert nu de boeten voor verscheidene gedragingen zijn opgelegd. Het Hof heeft, daarbij acht slaande op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, geen aanleiding gevonden om een hoger percentage dan 10 toe te passen v.w.b. de undue delay. Naar ’s Hofs oordeel bestaat er – in samenhang bezien met de connexe procedure bij partijen bekend onder nummer BK-07/00205 – daartoe verwijst het Hof naar ondermeer het arrest van de Hoge Raad van 7 april 2005, nr. 37 984, LJN: AO9006 – geen aanleiding tot een verdergaande vermindering van de opgelegde boete dan de rechtbank al heeft gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-1815
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-07/00204

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer d.d. 27 juni 2008

op het hoger beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X Klantenservice B.V.] , statutair gevestigd te ’s-Gravenhage (hierna: belanghebbende), tegen de (mondelinge) uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 januari 2007, nr. AWB 06/1216 LB/PVV, betreffende na te noemen beschikking.

Beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1 Aan belanghebbende is over het tijdvak van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2003 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd tot een bedrag van € 93.392. Tegelijk met de naheffingsaanslag zijn aan be¬langheb¬ben¬de bij beschikking boe¬ten op¬ge¬legd naar een totaalbedrag van € 12.196.

1.2 Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren tegen de naheffingsaanslag en de boeten gedeeltelijk toegewezen en heeft hij de naheffingsaanslag nader vastgesteld op € 77.190 en het totaalbedrag aan boeten op € 9.547.

Het totaalbedrag van de boeten is als volgt gespecificeerd:

Jaar 2000 2001 2002 2003

Verzuimboete 10% 3.500 1.000 1.000 1.000

Vergrijpboete 25% 375 700 986 986

1.3 Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar tegen de boeten beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en haar beslissing luidt als volgt:

”De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak (het Hof leest: uitspraken) op bezwaar;

- vermindert de vergrijpboete tot € 2.742;

- vermindert de verzuimboete voor het jaar 2000 tot € 3.150;

- vermindert de verzuimboete voor het jaar 2001 tot € 900;

- vermindert de verzuimboete voor het jaar 2002 tot € 900;

- vermindert de verzuimboete voor het jaar 2003 tot € 900;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 322, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiseres te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 276 vergoedt.”

Loop van het geding in hoger beroep

2.1 Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 422. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 15 mei 2008, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1 De Inspecteur heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonbelasting/premie volksverzekeringen over de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2003. De uitkomsten van dit onderzoek zijn neergelegd in een (definitief) controlerapport van de Inspecteur van 25 maart 2005. Een kopie van het controlerapport behoort tot de gedingstukken.

3.2 Uit het boekenonderzoek is onder meer naar voren gekomen dat belanghebbende het verstrekken van huisvesting aan haar werknemers niet tot het loon heeft gerekend en dat belanghebbende onbelaste reiskostenvergoedingen heeft verstrekt aan werknemers die op minder dan 10 kilometer van de arbeidsplaats woonden. Belanghebbende heeft daartoe gebruik gemaakt van een routeplanner welke bij de berekening van de afstand uitsluitend uitging van de cijfers in de postcode. In een aantal andere gevallen is er in het geheel geen verklaring voor gegeven waarom belanghebbende de werknemer, ondanks de zeer korte afstand tot de plaats van werkzaamheden, een vrije vergoeding heeft verstrekt. Ook heeft belanghebbende in gevallen waarin de routeplanner een veel kortere afstand dan 10 kilometer aangaf, vergoedingen uitbetaald zonder daarop loonbelasting en premie volksverzekeringen in te houden.

3.3 Naar aanleiding van de bevindingen bij het boekenonderzoek zijn met dagtekening

26 april 2005 aan belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag en boetebeschikkingen opgelegd. De vergrijpboete is op grond van artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) opgelegd en ziet uitsluitend op de correcties ter zake van de reiskostenvergoedingen. De verzuimboeten zijn op grond van artikel 67c van de AWR opgelegd en zien op de overige door verweerder aangebrachte correcties. De vier verzuimboeten hebben betrekking op de kalenderjaren 2000 tot en met 2003.

3.4 De Inspecteur heeft op grond van artikel 28, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 in dit geval het tijdvak waarover de loonbelasting moet worden betaald, dat wil zeggen; het aangiftetijdvak, gesteld op een kalendermaand. De Inspecteur heeft, conform het daartoe door hem gevoerde beleid, de door hem geconstateerde verzuimen gekoppeld aan een kalenderjaar.

3.5 Na bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag en de boetebeschikkingen verminderd tot op de volgende bedragen:

Na bezwaar 2000 2001 2002 2003 totaal

reiskostenvergoeding € 1.500 € 2.800 € 3.945 € 3.945 € 12.190

overige correcties € 35.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 65.000

------------ ------------- ------------ ------------ ------------

naheffingsaanslag € 36.500 € 12.800 € 13.945 € 13.945 € 77.190

verzuimboeten (10%) € 3.500 € 1.000 € 1.000 € 1.000 € 6.500

vergrijpboete (25%) € 375 € 700 € 986 € 986 € 3.047.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1 Tussen partijen is in hoger beroep uitsluitend in geschil of de opgelegde boeten terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd, welke vraag door belanghebbende ontkennend en door de Inspecteur bevestigend wordt beantwoord.

4.2 Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1 Belanghebbende heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en uiteindelijk tot vermindering van de opgelegde boeten tot nihil.

5.2 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Overwegingen omtrent het geschil

Vergrijpboete

6.1 Op grond van artikel 67f van de AWR geldt dat indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige te wijten is dat belasting, welke op aangifte moet worden voldaan, niet dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald, dit een vergrijp vormt ter zake waarvan verweerder een boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van het niet betaalde bedrag.

6.2 Vaststaat dat belanghebbende ten onrechte onbelaste reiskostenvergoedingen heeft verstrekt aan werknemers die op minder dan 10 kilometer van de arbeidsplaats woonden. Voorts staat vast dat belanghebbende voor het bepalen van de reisafstand een – niet nauwkeurige – routeplanner heeft gebruikt, die bij de berekening van de reisafstand uitsluitend uitging van de cijfers in de postcodes. Daarnaast heeft belanghebbende ook onbelaste reiskostenvergoedingen verstrekt waarin de routeplanner een kortere afstand dan 10 kilometer aangaf. Naar de Inspecteur heeft gesteld en belanghebbende niet, althans onvoldoende, heeft weersproken, acht het Hof aannemelijk dat de enkelereisafstand in veel gevallen sterk afweek van de werkelijke reisafstand van de werknemers.

6.3 De hiervóór vermelde feiten en omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van het Hof de conclusie dat het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is voldaan. Dat oordeel sluit in dat - anders dan belanghebbende heeft gesteld - geen sprake is van een pleitbaar standpunt of van afwezigheid van alle schuld. Het Hof verwijst daartoe naar hetgeen in 3.2 hiervoor is vastgesteld. Een vergrijpboete van 25 percent – zoals de Inspecteur eerder heeft opgelegd – acht het Hof in dit geval in beginsel passend en geboden. Hetgeen belanghebbende daartegen heeft aangevoerd, doet aan voormeld oordeel niet af. Zij heeft gesteld dat de keuze voor de door haar gebruikte routeplanner vooraf met de Inspecteur is afgestemd. Ter zitting heeft zij verwezen naar een mondelinge verklaring van één van haar werknemers hierover. Daarvan blijkt niet uit de gedingstukken. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur acht het Hof de gestelde afstemming niet aannemelijk. Voorts kan, gezien het controlerapport van 25 maart 2005, niet de conclusie worden getrokken dat de Inspecteur, zoals belanghebbende heeft gesteld, de vergrijpboete onvoldoende heeft gemotiveerd.

Verzuimboeten

6.4 Ingevolge het bepaalde in artikel 67c van de AWR kan ingeval niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig de belasting is betaald een verzuimboete worden opgelegd met een maximum van

€ 4.537. Ingevolge paragraaf 24 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: BBBB) wordt ingeval niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig de belasting is betaald omdat er te weinig belasting is aangegeven een verzuimboete opgelegd van 10% met een maximum van € 4.537.

6.5 Artikel 19, eerste lid, van de AWR bepaalt dat in de gevallen waarin voldoening van in een tijdvak verschuldigd geworden of afdracht van in een tijdvak ingehouden belasting op aangifte is voorgeschreven, de belasting- dan wel inhoudingsplichtige gehouden is de belasting binnen één maand na het einde van dat tijdvak overeenkomstig de aangifte te betalen.

6.6 De Inspecteur heeft voor de jaren 2000 tot en met 2003 per kalenderjaar derhalve vier verzuimboeten opgelegd met een totaalbedrag van € 11.404. Belanghebbende neemt het standpunt in dat slechts één verzuimboete kan worden opgelegd welke niet meer mag bedragen dan € 4.537, omdat de Inspecteur slechts één naheffingsaanslag heeft opgelegd. Voorts neemt zij het standpunt in dat ten onrechte geen verzuimenreeks wordt gehanteerd en dat er sprake is van een ”dubbele bestraffing”. Het Hof leidt, anders dan belanghebbende, uit artikel 67c, tweede lid, van de AWR niet af dat voor het aantal verzuimboeten moet worden aangesloten bij het aantal naheffingsaanslagen. Het artikel vermeldt immers als beboetbare gedraging het niet, niet geheel of niet tijdig afdragen van de verschuldigde belasting. Een dergelijke handeling kan worden gepleegd evenzoveel malen als aangifte moet worden gedaan. Het standpunt van belanghebbende dat het boetevak derhalve samenvalt met het naheffingstijdvak, wordt door het Hof niet onderschreven. In beginsel zijn er in het onderhavige 48 tijdvakken van een maand. De Inspecteur heeft zich bij het vaststellen van de verzuimen en het daarop volgend beboeten van de verzuimen beleidsmatig beperkt en wel in dier voege dat hij slechts voor vier achtereenvolgende kalenderjaren een zodanige boetebeschikking heeft genomen. Dusdoende heeft de Inspecteur aan het bepaalde in artikel 67c van de AWR geen onjuiste invulling gegeven.

6.7 Belanghebbende heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de Inspecteur de belopen boeten dient te verminderen nu sprake is van een repeterend karakter. Het Hof kan belanghebbende daarin niet volgen. Van een ”dubbele bestraffing”, een ”repeteren” dan wel een verzuimenreeks als aldaar vermeld, is naar het oordeel van het Hof geen sprake.

Noch uit de wettekst, noch uit de parlementaire geschiedenis met betrekking tot artikel 67c van de AWR kan worden afgeleid dat de Inspecteur gehouden is een verzuimenreeks te hanteren. Paragraaf 24, noch paragraaf 25 van het BBBB voorziet daarin niet.

Ne bis in idem

6.8 Het Hof merkt nog op dat het opleggen van de onderhavige vergrijpboete en de verzuimboeten geen schending van het ne-bis-in-idembeginsel oplevert nu de boeten voor verscheidene gedragingen zijn opgelegd. Ook uit dien hoofde zijn er geen termen de belopen boeten geheel of gedeeltelijk te verminderen.

Undue delay; ambtshalve

6.9 Voorts heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat indien al termen aanwezig zijn om de vergrijpboete respectievelijk de verzuimboeten op te leggen een verdergaande vermindering wegens undue delay dan 10 percent dient plaats te vinden. Verzocht wordt een percentage van 50 in aanmerking te nemen. Dienaangaande overweegt het Hof dat belanghebbende, op wiens weg het ligt daartoe feiten en omstandigheden aan te dragen en – bij betwisting daarvan door de Inspecteur – aannemelijk te maken, zulks heeft nagelaten. Het Hof heeft, daarbij acht slaande op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, geen aanleiding gevonden om een hoger percentage dan 10 toe te passen. Ook in zoverre faalt het hoger beroep.

6.10 De in hoger beroep bestreden uitspraak van de rechtbank is op 23 januari 2007 gedaan en op 30 januari 2007 in afschrift aan partijen gezonden. Ten tijde van het doen van de uitspraak van het Hof op 27 juni 2008 zijn 17 maanden verstreken. Naar ’s Hofs oordeel bestaat er – in samenhang bezien met de connexe procedure bij partijen bekend onder nummer BK-07/00205 – daartoe verwijst het Hof naar ondermeer het arrest van de Hoge Raad van

7 april 2005, nr. 37 984, LJN: AO9006 – geen aanleiding tot een verdergaande vermindering van de opgelegde boete dan de rechtbank al heeft gedaan.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.T. Sanders, U.E. Tromp en B. van Walderveen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 27 juni 2008 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.