Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BE8880

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-08-2008
Datum publicatie
20-08-2008
Zaaknummer
2200072306
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 6 WVW 1994; ongeval met dodelijke afloop

Nadere bewijsoverweging naar aanleiding van een gevoerd verweer met betrekking tot medeschuld van een medeweggebruiker

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000723-06

Parketnummer(s): 11-088275-04

Datum uitspraak: 20 augustus 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 2 februari 2006 in de strafzaak tegen de verdachte:

VERDACHTE,

geboren te / op / 1966,

adres: /.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 6 augustus 2008.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vier jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de tijd waarop het rijbewijs reeds ingevorderd of ingehouden is geweest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte van het primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Zakelijk weergegeven heeft de raadsman daartoe het volgende aangevoerd.

De bestuurder van de (door de verdachte van achteren aangereden) Peugeot 307 is de Toyota Avensis onvoorzichtig althans onoplettend gaan inhalen, waardoor de bestuurder van de Peugeot 307, [getuige 1], medeschuldig is aan het verkeersongeval en de noodlottige gevolgen van dien. Het onvoorzichtige verkeersgedrag van [getuige 1] (die zijn inhaalmanoeuvre heeft ingezet zonder daarbij richting aan te geven, terwijl de auto van de verdachte de Peugeot 307 tot op een afstand van 30 tot 60 meter was genaderd) heeft een zodanige invloed gehad op het ontstaan van het ongeval dat niet kan worden gezegd dat dit aan de schuld (in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994) van de verdachte is te wijten.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de verklaringen van de verdachte (bij de politie en ter terechtzitting in hoger beroep), uit verklaringen van getuigen en uit de zich in het dossier bevindende technische rapportages is naar het oordeel van het hof het volgende vast komen te staan.

- Het ongeval (bestaande uit een tweetal elkaar snel opvolgende botsingen van respectievelijk de door de verdachte bestuurde Peugeot 205 met de door de getuige [getuige 1] bestuurde Peugeot 307 en laatstgenoemde auto met een Toyota Avensis) heeft plaatsgevonden op 6 november 2004, omstreeks 20.45 uur, op de westelijke rijbaan van de Rijksweg A29, ongeveer ter hoogte van hectometerpaal 19,6. Het was op dat moment donker en er was geen openbare straatverlichting aanwezig. Ter plaatse gold een maximumsnelheid van 120 kilometer per uur.

- De A29 bestond op de plaats van het ongeval uit twee rijbanen, die waren gescheiden door een geleiderail-constructie. De rijbaan waarop het ongeluk plaatsvond bestond uit twee rijstroken, die van elkaar waren gescheiden door een onderbroken streep. Links van de linker rijstrook was een redresseer-strook gelegen, welke daar een breedte had van 2,35 meter.

- Ter plaatse was deze rijbaan sinds de nacht van 20 op 21 oktober 2004 voorzien van “Zeer Open Asfalt Beton” (ZOAB), hetgeen bij respectievelijk hectometerpaal 16,2 en 17,4 was aangegeven met borden voorzien van onder meer de aanduiding “Nieuw wegdek, langere remweg”. De verdachte heeft deze borden vóórdat het ongeval plaatsvond op zijn weg gepasseerd.

- De verdachte was op weg naar Dinteloord en reed in zuidelijke richting. Hij had daar een afspraak waarvoor hij te laat dreigde te komen en had volgens eigen zeggen haast. Hij reed om die reden met een snelheid van ongeveer 160 kilometer per uur en had, enkele kilometers vóór het ongeval, reeds een aantal inhaalmanoeuvres uitgevoerd die opvielen door hun gevaarzettend karakter. De getuige [getuige 2] werd door de verdachte met grote snelheid ingehaald, terwijl de verdachte daarbij over de redresseer-strook reed, kennelijk omdat [getuige 2] (na een eigen inhaalmanoeuvre) nog niet helemaal op de rechter weghelft was teruggekeerd. Ook de getuige [getuige 3] was zelf bezig met een inhaalmanoeuvre, maar zij voelde zich kennelijk genoodzaakt deze af te breken omdat de auto van de verdachte zo snel naderde en de door [getuige 3] bestuurde auto passeerde toen zij nog maar net op de rechter weghelft terug was.

- De verdachte wist dat zijn auto niet beschikte over een Anti-Blokkeer Systeem (ABS) en dat het ontbreken van dit systeem onder bepaalde omstandigheden risico’s met zich kan brengen. De verdachte was ter plaatse bekend en wist bovendien dat het wegdek daar bestond uit nieuw ZOAB. Hij had ook waargenomen dat het wegdek vochtig was.

- Vervolgens heeft de verdachte de door de getuige [getuige 1] bestuurde Peugeot 307 waargenomen die zich op de rechter rijstrook kort achter de Toyota Avensis bevond. De verdachte is met onverminderde snelheid op de linker rijstrook gaan rijden toen hij ongeveer 200 meter van de Peugeot 307 was verwijderd. Op een gegeven moment is [getuige 1], die reed met een snelheid van ongeveer 115 à 120 kilometer per uur, begonnen de (langzamer rijdende) Toyota Avensis in te halen. Voordat hij dat deed heeft hij in zijn linker buitenspiegel gekeken en in de verte een auto waargenomen “met twee koplampen”. [getuige 1] heeft verklaard dat die auto op dat moment nog ver genoeg van hem was verwijderd om veilig te kunnen inhalen. [getuige 1] heeft ook verklaard vervolgens zijn richtingaanwijzer in werking te hebben gezet en daarop van rijstrook te zijn gaan wisselen. Toen hij zich op de linker rijstrook bevond, heeft hij, kijkend in zijn binnenspiegel, andermaal een auto waargenomen (het hof neemt – bij het ontbreken van enige plausibele aanwijzing van het tegendeel - als vaststaand aan dat beide spiegelwaarnemingen van [getuige 1] betrekking hebben op de door de verdachte bestuurde auto) die “heel snel” naderde. Op dat moment kon [getuige 1] niet meer terug naar de rechter rijstrook omdat daar de in te halen Toyota Avensis reed. Daarop werd de Peugeot 307 van achteren geraakt door de door de verdachte bestuurde Peugeot 205. [Getuige 1] verloor de macht over het stuur en botste tegen de Toyota Avensis tengevolge waarvan de twee inzittenden van de Toyota Avensis dodelijk zijn verongelukt.

- De verdachte heeft vanaf 70 meter voor de plaats van de eerste botsing met blokkerende wielen geremd. Hij heeft bij die gelegenheid of daarvóór geen lichtsignalen gegeven of de claxon gebruikt. Tijdens het remmen zijn de wielen van de Peugeot 205 geblokkeerd en begon de auto te glijden. Hij verklaart daarover zelf: “Ik probeerde weg te sturen naar rechts, maar ik wist dat dat niet zou lukken. Ik schrok zo hard dat ik het op de slipcursus geleerde niet kon toepassen.”

- Tenslotte heeft de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep verklaard te hebben beseft dat hij zich in een potentieel gevaarlijke situatie bevond op het moment dat hij rijdend met ongeveer 160 kilometer per uur in het donker op een onverlichte weg twee andere, dicht op elkaar rijdende auto’s ging inhalen. Hij verklaarde bovendien op dat moment de snelheid van zijn voertuig níet te hebben verminderd.

Bovenstaande feiten en omstandigheden in aanmerking genomen is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de verdachte met een, mede gezien de omstandigheden ter plaatse, onverantwoord hoge snelheid van ongeveer 160 kilometer per uur (welke snelheid in Nederland op medeweggebruikers een verrassend en intimiderend effect pleegt te hebben) een inhaalmanoeuvre heeft willen uitvoeren en daarbij zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, in tijdige anticipatie op de (redelijkerwijs mogelijke) manoeuvre van dat in te halen voertuig, door tijdig te remmen of uit te wijken een aanrijding met dat voertuig kon voorkomen. De verdachte heeft met dat al – welbewust – onverantwoorde risico’s genomen die in beginsel het oordeel rechtvaardigen dat hij door aldus zeer onvoorzichtig te rijden schuld heeft aan het ongeval met dodelijke afloop dat vervolgens plaatsvond.

Met betrekking tot hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht, overweegt het hof het navolgende.

Het hof is, gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden, van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat, zoals door de verdediging betoogd, [getuige 1] bij het inzetten van zijn inhaalmanoeuvre zou hebben nagelaten daarbij richting aan te geven. Voorts overweegt het hof dat evenmin aannemelijk is geworden dat [getuige 1] die inhaalmanoeuvre (daadwerkelijk) is begonnen terwijl de auto van de verdachte reeds op een afstand van 30 à 60 meter was genaderd. Het hof is van oordeel dat die afstand in relevante mate groter moet zijn geweest.

Er is zowel door de getuige-deskundigen Van den Heuvel en Van Wijk als door de deskundige Meuwissen uitgebreid onderzoek gedaan naar de onderlinge afstand tussen de auto van de verdachte en de auto van [getuige 1] op het moment dat [getuige 1] van rijbaan veranderde teneinde de Toyota Avensis te kunnen inhalen. Uit dit onderzoek zijn een aantal schattingen naar voren gekomen die naar het oordeel van het hof in verband met de noodzakelijke vooronderstellingen een zodanig hypothetisch en uiteenlopend karakter dragen dat zij bij de vaststelling van de feiten en omstandigheden geen rol kunnen spelen. Deze schattingen zijn alle gebaseerd op de aanname dat de verdachte meteen is gaan remmen op het moment dat hij zag dat [getuige 1] van rijbaan ging wisselen en dat hij deze manoeuvre ook onmiddellijk waarnam. Die aannames, en de daarop gebaseerde schattingen, komen echter op losse schroeven te staan door de hierboven weergegeven verklaring van [getuige 1] (erop neerkomend dat hij van rijbaan heeft gewisseld nadat hij “in de verte” (het hof interpreteert dit als: in relevante mate verder verwijderd dan 60 meter) een auto had waargenomen en door hetgeen de (getuige-)deskundigen Meuwissen en Van den Heuvel ter terechtzitting in hoger beroep hebben verklaard omtrent het binnenvallende licht dat wordt teweeggebracht door een achterliggende auto: “Als verdachte’s auto 30 tot 50 meter achter voertuig 2 (de Peugeot 307) rijdt, dan is het licht van de auto van de verdachte prominent te zien in de spiegels van voertuig 2, zowel bij 30 als bij 50 meter afstand. Zelfs al zou de bestuurder van voertuig 2 niet in zijn spiegels hebben gekeken, zie je het licht van de auto van de verdachte toch prominent in de cabine. In principe kan het licht je niet ontgaan. Bij 100 meter geldt dit wel.” Naar ’s hofs oordeel is er geen reden om hetgeen door de deskundigen is verklaard omtrent het prominente schijnen van het licht in de cabine niet, zij het wellicht in enigszins verminderde mate, van overeenkomstige toepassing te achten indien de achterligger zich niet op 30 tot 50 meter, maar op 60 meter afstand bevindt. [getuige 1] is door de politie direct na het ongeval summier verhoord. [getuige 1]’s meer gedetailleerde, bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring omtrent zijn spiegel-waarnemingen noch zijn verklaring ten overstaan van de politie bevat ook maar enig aanknopingspunt voor de mogelijkheid dat de hierboven door Meuwissen en Van den Heuvel beschreven lichteffecten zich ten aanzien van de door [getuige 1] bestuurde auto hebben voorgedaan op het moment dat deze tot het inzetten van zijn inhaalmanoeuvre besloot. Evenmin bevat het dossier enige aanwijzing dat [getuige 1] bij het uitvoeren van zijn inhaalmanoeuvre wel zeer in het oog lopende persoonlijke risico’s heeft willen aanvaarden, door het in- dan wel doorzetten van die manoeuvre ondanks het door de deskundigen beschreven binnenvallend licht van een op korte afstand (snel) naderende achterligger.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat [getuige 1] enige medeschuld heeft aan het ongeval die afbreuk zou vermogen te doen aan de schuld die de verdachte aan dit ongeval heeft.

Het hof verwerpt het verweer dienaangaande.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vier jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de tijd waarop het rijbewijs reeds ingevorderd of ingehouden is geweest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft als bestuurder van een auto zeer onvoorzichtig gereden, waardoor hij een ongeval met twee dodelijke slachtoffers heeft veroorzaakt. De verdachte heeft op een snelweg gereden met een snelheid van ongeveer 160 kilometer per uur, waar 120 kilometer per uur toegestaan was. De verdachte heeft niet tijdig geremd voor een vóór hem, op dezelfde rijstrook rijdende auto die op dat moment een andere auto aan het inhalen was, waardoor de auto van de verdachte tegen die voor hem rijdende auto is gebotst. Deze auto is op zijn beurt weer tegen de auto van de latere slachtoffers gebotst, waardoor beide voertuigen in de naast de snelweg gelegen sloot zijn beland. De beide slachtoffers zijn ten gevolge van dit ongeval overleden.

Verdachte’s zeer onvoorzichtige rijgedrag geeft blijk van een groot gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef ten opzichte van zijn medeweggebruikers en van een hoogst laakbare onderschatting van de gevaren die zijn weggedrag oplevert. Een strenge strafrechtelijke correctie is daarom op zijn plaats.

Het hof is van oordeel dat een vrijheidsstraf, in het bijzonder gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, van de door de rechtbank bepaalde duur op zijn plaats is. Op 1 juli 2008 is de nieuwe Wet voorwaardelijke invrijheidsstelling in werking getreden, waardoor een verdachte die tot een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf – die in het onderhavige geval bovendien de duur van één jaar niet te boven gaat - is veroordeeld niet in aanmerking komt voor een voorwaardelijke invrijheidsstelling. Derhalve zal het opleggen van eenzelfde vrijheidsbenemende straf als de rechtbank heeft gedaan voor de verdachte resulteren in een hogere straf – in de zin van een groter onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf - dan in eerste aanleg is opgelegd. Gelet hierop zal het hof de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straf enigszins matigen, zodat voor de verdachte feitelijk eenzelfde onvoorwaardelijke gevangenisstraf als door de rechtbank opgelegd resteert.

Het hof is bovendien van oordeel dat het opleggen van een ontzegging van de rijbevoegdheid van aanzienlijke duur een passende en met het oog op de verkeersveiligheid geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a(oud), 14b(oud), 14c, 57(oud) en 63(oud) van het Wetboek van Strafrecht, alsmede op de artikelen 6, 175(oud) en 179(oud) van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

10 (tien) maanden.

Bepaalt, dat een op 3 (drie) maanden bepaald gedeelte van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van

4 (vier) jaren.

Bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen bij de tenuitvoerlegging van deze bijkomende straf wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingehouden of ingevorderd is geweest.

Dit arrest is gewezen door mr. G.P.A. Aler, mr. F. Heemskerk en mr. L. Bakker-Splinter, in bijzijn van de griffier mr. F. Rutten.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 augustus 2008.

Mr. Bakker-Splinter is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.