Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BE8799

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-08-2008
Datum publicatie
20-08-2008
Zaaknummer
105.002.964/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Transportverzekering; Warehouse to Warehouse clausule; Rejection Insurance; Nieuw onzeker voorval in de zin van Regeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2008, 100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 105.002.964/01

Rolnummer (oud) : 05/502

Zaak-rolnummer rechtbank : 90281/HA ZA 97-3696 en 96655/HA ZA 98-1146

arrest van de tweede civiele kamer d.d. 14 augustus 2008

inzake

WEYL BEEF PRODUCTS B.V.,

gevestigd te Enschede,

appellante in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: Weyl,

procureur: aanvankelijk mr. W. Heemskerk, thans mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

tegen

1. FORTIS CORPORATE INSURANCE N.V., voorheen handelend onder de naam AMEV INTERLLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Amstelveen,

2. GERLING-KONZERN ALLGEMEINE VERSICHERUNGS A.G.,

gevestigd te Köln, Duitsland,

3. “ZÜRICH” VERSICHERUNGSGESELLSCHAFT,

gevestigd te Zürich, Zwitserland,

4. SPHERE DRAKE INSURANCE PLC. as per AGENCY GROVES, JOHN & WESTRUP U/W LTD,

gevestigd, althans kantoorhoudende te Liverpool, Verenigd Koninkrijk,

5. AVÉRO SCHADEVERZEKERING BENELUX N.V., voorheen handelend onder de naam SUN ALLIANCE VERZEKERING N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Rotterdam,

6. DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

7. N.V. AMERSFOORTSE ALGEMENE VERZEKERING MAATSCHAPPIJ,

gevestigd en kantoorhoudende te Amersfoort,

8. ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V., in de hoedanigheid van rechtsopvolger van AVÉRO SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,

9. REAAL VERZEKERINGEN N.V., in de hoedanigheid van rechtsopvolger van HOOGE HUYS VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,

10. NIEUWE HOLLANDSE LLOYD SCHADEVERZEKERINGMAATSCHAPPIJ N.V., mede in de hoedanigheid van rechtsopvolger van EAGLE STAR REINSURANCE COMPANY LTD,

gevestigd en kantoorhoudende te Woerden,

11. AGF BELGIUM INSURANCE N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Brussel, België,

12. “NAVIGA”, ANTWERPSE VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ N.V., in de hoedanigheid van rechtsopvolger van BELGISCHE ZEEVERZEKERINGMAATSCHAPPIJ “BELGAMAR” N.V., gevestigd en kantoorhoudende te Antwerpen, België,

13. SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ ERASMUS N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Rotterdam,

14. HDI VERZEKERINGEN N.V., voorheen handelend onder de naam HANNOVER INTERNATIONAL INSURANCE (NEDERLAND) N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Rotterdam,

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: assuradeuren,

procureur: mr. H.J.A. Knijff.

Het geding

Bij exploot van 25 februari 2005 is Weyl in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 30 juni 2004 en 1 december 2004, door de Rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen.

Bij memorie van grieven heeft Weyl in het principaal hoger beroep vijf grieven, genummerd 1 tot en met 4 en 6, aangevoerd.

Assuradeuren hebben onder overlegging van een productie een memorie van antwoord, tevens incidentele memorie van grieven genomen. Daarbij hebben zij de grieven in het principaal hoger beroep bestreden en in het incidenteel hoger beroep drie grieven aangevoerd, waarvan één voorwaardelijk.

Weyl heeft bij incidentele memorie van antwoord de grieven in het incidenteel hoger beroep bestreden.

Beide partijen hebben schriftelijk gepleit. Weyl heeft een pleitnota overgelegd waarin de repliek is geïncorporeerd. Assuradeuren hebben een pleitnota en een aparte repliek overgelegd.

Ten slotte hebben partijen de processtukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat om het volgende.

1.1 Op 1 januari 1995/6 maart 1995 is Weyl een goederentransportverzekering aangegaan, TS 887 Goederen – Transportpolis met polisnummer 400369, verder te noemen de verzekeringsovereenkomst, terzake het transport van vers en bevroren vlees. Assuradeuren participeren in de verzekeringsovereenkomst.

1.2 Het polisblad vermeldt als de op de verzekeringsovereenkomst toepasselijke voorwaarden:

“TS 405 Algemene Voorwaarden Goederen Transportverzekering

Hoofdstuk I is van toepassing.

Hoofdstuk II slechts van toepassing sub 3 en 6.

Hoofdstuk III slechts van toepassing section 1 A, 2, 3 en 4.

Hoofdstuk IV slechts van toepassing sub 1, 2, 3, 4, 6, 7, 8, 9, 12, 15, 16, 17, 20,21, 22 en 23.

Hoofdstuk V is van toepassing.”

1.3 TS 405 Algemene Voorwaarden Goederen Transportverzekering, verder te noemen de polisvoorwaarden, bepalen onder meer het volgende:

“Hoofdstuk III

(...)

Section 4

(...)

4.5 Transit/Warehouse to Warehouse

4.5.1(...) This insurance attaches from the moment the interests insured leave the spot inside the warehouse or in/on the place of stay/storage where they are laying ready to commence the transit, continues without interruption during the ordinary course of the transit (thus also during the stay/storage taking place then) and terminates on delivery of the interests insured to the spot destined for that inside the warehouse or in/ on the place of stay/storage. (...)

Hoofdstuk IV

(...)

15. Uitvoerrestituties e.d.

Indien en voorzover van toepassing volgens aangehechte regeling, doch met een maximumbedrag als vermeld op het voorblad dezer polis.

(...)

23. Exportrestitutie tijdens verblijf/door afkeuring.

Deze verzekering geeft eveneens dekking tegen derving van exportrestitutie tijdens verblijf of door afkeuring volgens de regeling Hoofdstuk IV sub 15 en/of May 1975 wording voorzover van toepassing.”

1.4 In Hoofdstuk IV, artikel 15, wordt verwezen naar een aangehechte regeling. Deze regeling, verder te noemen de Regeling, heeft – kort gezegd – betrekking op restituties en bepaalt onder meer het volgende:

“(deze regeling te gebruiken als een afzonderlijke regeling naast de transportcontractverzekering)

(...)

De dekking strekt tot vergoeding van:

-het financiële nadeel voor de Verzekeringnemer indien de restituties etc. geheel of ten dele

-- niet worden uitbetaald

-- worden gederfd

-- worden teruggevorderd

-- niet worden terugontvangen

en

- de daarmede verband houdende kosten (waaronder die tot voorkoming of beperking van het financiële nadeel).

(...)

De dekking van de restituties etc. vangt aan op hetzelfde moment als waarop de dekking van de goederen volgens de transport-contractverzekering aanvangt of zou zijn aangevangen indien zij niet onder de transport-contractverzekering verzekerd zouden zijn geweest, en wel ongeacht of een dekking van de documenten onder een transportverzekering eerder zou zijn aangevangen.

(...)

Paramount clause

De dekking vormt een afzonderlijke verzekering naast de transport-contractverzekering (en heeft betrekking op alle hiervoor bedoelde goederen waarvan het vervoer plaatsheeft binnen de termijn van de transport-contractverzekering, ongeacht of de goederen al dan niet onder de transport-contractverzekering gedekt zouden zijn.

De bepalingen van de transport-contractverzekering vinden derhalve geen toepassing tenzij in de onderhavige verzekering uitdrukkelijk het tegendeel wordt vermeld. Uitkeringen onder de onderhavige verzekering geschieden derhalve onafhankelijk van enige andere uitkering onder de transport-contractverzekering.”

1.5 De in Hoofdstuk IV, artikel 23, van de polisvoorwaarden aangehaalde May 1975 Wording, verder te noemen de Rejection Insurance, bepaalt onder meer het volgende:

“REJECTION INSURANCE

A 1 Subject always to the following conditions and exclusions this policy is extended to cover the risks of rejection or condemnation by the Government of the country of import or their agencies op departments during the period of this insurance. (...)

B It is a condition of this insurance that: -

1. The interest insured is produced, prepared and packed in accordance with regulations of the Government or Country of Origin and it is fit for export to the importing country and a certificate issued to the effect that each consignment has been surveyed for external condition only immediately prior to commencement of risk by

2. Shipments are direct or held covered at a premium to be arranged.

C In particular this insurance does not cover claims arising from:-

1. Non-compliance with any of the conditions in Clause B above. (...)

5. Non-compliance with labelling regulations in force in country of destination at time interest attaches hereto.(...)

D In the event of any embargo or prohibition being declared or in being by importing country, no claim shall attach hereto in respect of such embargo or prohibition on any shipment sailing after the announcement or enforcement of such an embargo or prohibition. In respect of shipments which have sailed prior to such announcement or enforcement this insurance is only to pay the cost of return freight to country of export or up to that amount in event of re-export to any substitute destination.”

1.6 Begin 1996 heeft Weyl twee partijen bevroren vlees verkocht aan in Egypte gevestigde afnemers. De eerste partij vlees, te weten 36.209 kartons bevroren vlees met een netto gewicht van 953.106 kilogram, is op of omstreeks 21 maart 1996 in opdracht van Weyl met het ms. Neerlandic van Beverwijk naar Alexandrië verscheept.

1.7 Op 26 maart 1996 heeft Egypte, in verband met de toen acuut geworden B.S.E.-crisis, een invoerverbod voor rundvlees uit de gehele Europese Unie uitgevaardigd. Op 27 maart 1996 heeft Weyl – na telefonisch overleg met assuradeuren – besloten het ms. Neerlandic terug te laten keren naar Beverwijk.

1.8 De tweede partij vlees, circa 600.000 kilogram, lag in een koelhuis te Beverwijk gereed voor verzending naar Alexandrië. Deze partij zou worden verscheept met het ms. Nordic. Als gevolg van het invoerverbod heeft Weyl op 27 maart 1996 besloten het ms. Nordic niet te beladen.

1.9 Terzake de uitvoer uit de Europese Unie van de twee partijen vlees kwam Weyl in aanmerking voor EU-restitutie, die haar was verleend op basis van een zogenaamde prefinancieringsregeling. Voorwaarde daarbij was, dat het vlees binnen 28 dagen na terugkeer in Nederland alsnog de Europese Unie zou hebben verlaten. In overleg met assuradeuren is op 4 april 1996 besloten beide partijen vlees aan het in Frankrijk gevestigde handelsbedrijf Raynal Petersen te verkopen, onder de voorwaarde dat Raynal Petersen de zending binnen 28 dagen opnieuw uit de Europese Unie zou exporteren, zodat het ontvangen restitutiebedrag zou zijn veilig gesteld.

1.10 Op 11 april 1996 heeft Egypte het importverbod opgeheven.

1.11 Op 12 april 1996 is de termijn waarbinnen de goederen de Europese Unie zouden moeten verlaten teneinde in aanmerking te komen voor EU-restituties, verlengd tot 120 dagen. Deze termijnverlenging gold ook voor de onderhavige partijen vlees.

1.12 Later is de overeenkomst met Raynal Petersen ongedaan gemaakt.

1.13 Op 18 april 1996 heeft Weyl het ms. Green Lily gecharterd voor vervoer naar Alexandrië. De retourpartij vlees van het ms. Neerlandic is naast ander vlees in het ms. Green Lily geladen. Het vlees dat bestemd was voor de Nordic, is naar elders verscheept. In de periode tussen 16 en 26 mei 1996 is het ms. Green Lily in Egypte gelost. De Egyptische autoriteiten hebben een aantal partijen uit de Green Lily afgekeurd. Nadat op verzoek van Weyl een herkeuring had plaatsgevonden, is een gedeelte van de afgekeurde partijen vlees, met beperking van de houdbaarheidsdatum, alsnog goedgekeurd. Het vlees dat uiteindelijk niet in Egypte werd toegelaten, heeft Weyl verkocht aan een afnemer in Rusland, waardoor de restitutie werd veilig gesteld.

1.14 Weyl heeft transportschade gevorderd. De rechtbank heeft deze vordering ten dele toegewezen. Het principaal hoger beroep is gericht tegen de afwijzing van een deel van de vordering. Het incidenteel hoger beroep is gericht tegen de toewijzing van een deel van de vordering.

2.1 Grief 1 in het principaal hoger beroep luidt:

“De Rechtbank heeft verzuimd alle de onderhavige zaak ten grondslag liggende feiten volledig in het vonnis a quo vast te stellen. Voorts zijn sommige wel in het vonnis opgenomen feiten niet juist weergegeven. Indien de Rechtbank wel alle feiten juist zou hebben vastgesteld, dan zou zij tot een ander oordeel hebben moeten komen.”

2.2 Het hof overweegt naar aanleiding van de grief en de toelichting op de grief het volgende. Weyl geeft niet concreet aan welke feiten in het vonnis niet juist zouden zijn weergegeven. Verder geeft Weyl niet concreet aan welke feiten de rechtbank verzuimd zou hebben vast te stellen. Ook onderbouwt Weyl niet dat de rechtbank tot een ander oordeel zou hebben moeten komen als zij wel alle feiten juist zou hebben vastgesteld. Verder onderbouwt Weyl niet welk belang zij bij de grief heeft. Dit betekent dat grief 1 in het principaal hoger beroep faalt.

2.3 Grief 2 in het principaal hoger beroep luidt:

“De Rechtbank heeft de “warehouse to warehouse” clausule niet op de juiste wijze uitgelegd en dientengevolge heeft de Rechtbank ten onrechte de vordering sub 2 terzake van de “Nordic” schade afgewezen.”

2.4 Het hof overweegt naar aanleiding van de grief en de toelichting op de grief het volgende. Weyl heeft ten aanzien van wat met de goederen is gebeurd, slechts gesteld, dat de goederen die bestemd waren voor de Nordic, in het warehouse zijn gesepareerd, verzameld en intern verplaatst vanuit de opslagplaats naar een ruimte binnen de opslagruimte, van waaruit de belading van het transportmiddel zou plaats vinden. Naar het oordeel van het hof is dit onvoldoende om te kunnen spreken van het verlaten van “the spot inside the warehouse or in/on the place of stay/storage where they are laying ready to commence the transit” als bedoeld in art. 4.5 van de polisvoorwaarden. De goederen lagen volgens de stellingen van Weyl op de plaats van waaruit de belading zou plaatsvinden (to commence the transit) en hadden deze plaats nog niet verlaten. Of voorafgaand aan de belading nog nadere handelingen moesten worden verricht, acht het hof niet van belang. Dit betekent, dat het transport nog geen aanvang had genomen. De annuleringskosten van de Nordic vallen niet onder de dekking. Grief 2 in het principaal hoger beroep faalt.

2.5 Grief 3 in het principaal hoger beroep luidt:

“Ten onrechte heeft de Rechtbank geoordeeld dat er voor de partijen vervoerd met de Green Lily geen dekking bestond onder de Rejection Insurance, om reden dat niet aan de labelling voorschriften in Egypte zou zijn voldaan.”

2.6 Ter toelichting op de grief heeft Weyl het volgende aangevoerd. Handelaren worden in landen als Egypte geconfronteerd met autoriteiten die, al dan niet beïnvloed door importeurs ter plaatse, de regels van het ene op het andere moment anders interpreteren. De Rejection Insurance dient juist ter bescherming van exportbedrijven tegen onvoorspelbare autoriteiten in landen als Egypte. Ook al is een deel van de zendingen geweigerd op grond van labels op die partijen, daarmee is allerminst gezegd dat Weyl heeft gehandeld in strijd met in Egypte geldende labelling voorschriften. Wil een beroep van de assuradeuren op C5 van de Rejection Insurance slagen, dient bovendien vast te staan dat de labels niet voldeden aan de ten tijde van het ingaan van de dekking geldende regelgeving. Weyl heeft bij het labellen gehandeld naar instructies van haar agent in Egypte. Eerdere zendingen die op dezelfde wijze waren gelabeld, zijn door de autoriteiten steeds toegelaten. Het moet er behoudens door verzekeraars te leveren bewijs van het tegendeel dan ook voor worden gehouden dat de weigering onder de noemer “verkeerde labels” het gevolg was van willekeurig handelen van de autoriteiten in Egypte.

2.7 Het hof overweegt het volgende. Uit het rapport van Binnendijk-Bree blijkt, dat een deel van de partij is afgekeurd wegens het niet voldoen aan de labelling voorschriften. Aan de stelling van Weyl dat de labelling regels in Egypte zouden zijn veranderd, gaat het hof voorbij, nu Weyl niet aangeeft in welk opzicht de labelling regels zouden zijn veranderd. Ook de stelling dat de Egyptische autoriteiten willekeurig gehandeld zouden hebben, acht het hof onvoldoende onderbouwd. Uit het feit dat eerdere op dezelfde wijze in strijd met de Egyptische regels gelabelde zendingen steeds zijn toegelaten, volgt niet dat nieuwe in strijd met de Egyptische regels gelabelde zendingen worden toegelaten. Het hof passeert het bewijsaanbod dat de zendingen ten tijde van de verscheping waren gelabeld overeenkomstig de destijds in Egypte geldende regelgeving als te vaag. Weyl geeft niet aan hoe destijds de in Egypte geldende regelgeving op het gebied van labelling was en zij geeft niet aan hoe Weyl gelabeld heeft. Zij heeft daarmee niet aan haar stelplicht voldaan. Grief 3 in het principaal hoger beroep faalt.

2.8 Grief 4 in het principaal hoger beroep luidt:

“Ten onrechte heeft de Rechtbank geoordeeld dat de gevorderde schade aangaande de Neerlandic zendingen niet onder de Regeling is gedekt, omdat er geen sprake zou zijn geweest van een onmiddellijk en dreigend gevaar in de zin van art. 283 WvK.”

2.9 Naar aanleiding van deze grief en hetgeen Weyl ter toelichting op de grief heeft aangevoerd, overweegt het hof het volgende. De rechtbank heeft onder meer het volgende overwogen. Op 11 april 1996 hebben de Egyptische autoriteiten het importverbod op rundvlees afkomstig uit de Europese Unie opgeheven. Op 12 april 1996 werd de termijn waarbinnen de partijen vlees de Europese Unie dienden te verlaten teneinde de aanspraak op de restituties niet te verliezen, verlengd tot een periode van 120 dagen. Nadat het importverbod was opgeheven, was de situatie weer genormaliseerd en bestonden de normale risico’s van al dan niet acceptatie in het land waarnaar werd geëxporteerd. Door de verlenging van voornoemde termijn tot 120 dagen had Weyl bovendien ruim de gelegenheid om het vlees uit de Europese Unie te exporteren. De bereddingfase was vanaf 12 april 1996 voorbij.

2.10 Naar het oordeel van het hof heeft Weyl deze overwegingen niet gemotiveerd weersproken. Hieruit leidt het hof af, dat de situatie vanaf 12 april 1996 is genormaliseerd en Weyl, mede gezien de verlenging van de periode van verlaten van de Europese Unie tot 120 dagen, vanaf 12 april 1996 geen gevolgen meer ondervond van de importstop en vanaf 12 april 2006 geen kosten meer onder de Regeling kan claimen in verband met de importstop. Dit zou anders zijn indien vanaf 12 april 1996 gemaakte kosten een direct gevolg zouden zijn van vóór 12 april 1996 genomen maatregelen ter voorkoming van het mislopen van restituties. Dat dit het geval zou zijn, heeft Weyl onvoldoende onderbouwd. Dat zich na 12 april 1996 een nieuw onzeker voorval voordeed dat onder de dekking van de Regeling viel en dat veroorzaakte dat Weyl kosten heeft moeten maken tot voorkoming of beperking van het financiële nadeel van mislopen van restituties, heeft Weyl onvoldoende onderbouwd. Hetgeen Weyl verder ter toelichting op de grief heeft gesteld, leidt niet tot een ander oordeel. Grief 4 in het principaal hoger beroep faalt.

2.11 Grief 6 in het principaal hoger beroep luidt:

“De Rechtbank heeft miskend dat de Green Lily naast de partij ex Neerlandic ad 953.106 Kg ook was beladen met ca. 1600 m/t vlees afkomstig van nieuwe productie. Deze laatste partij is nooit bij de Raynal Petersen transactie betrokken geweest.

2.12 Ter toelichting op de grief voert Weyl aan, dat een groot deel van deze nieuwe partij door de Egyptische autoriteiten in eerste instantie is geweigerd. Volgens haar komt de door haar daardoor geleden schade zowel onder de Regeling als onder de Rejection Clause voor vergoeding in aanmerking. Zij stelt dat zij om de restituties veilig te stellen de houdbaarheidsdatum heeft moeten inkorten en kortingen heeft moeten verlenen aan haar afnemers. Zij voert aan dat de nieuwe partijen niet onder het 120 dagen regiem vielen.

2.13 Het hof overweegt het volgende. Blijkens het rapport van Binnendijk-Bree vond de weigering van de Egyptische autoriteiten plaats enerzijds door afkeuring door de gezondheidsdienst in verband met bacteriologische verontreiniging en anderzijds door afkeuring in verband met het niet voldoen van de labelling/stickers. Weyl heeft onvoldoende onderbouwd dat deze redenen voor weigering niet reëel zouden zijn. Het hof verwijst tevens naar het ten aanzien van grief 3 overwogene. Het niet voldoen aan voorschriften van labelling en het niet “fit for export” zijn vormen redenenen voor niet-toepasselijkheid van de Rejection Insurance. Naar het oordeel van het hof is de Rejection Insurance om deze redenen niet van toepassing. Ten aanzien van de nieuwe partij vlees heeft Weyl onvoldoende onderbouwd dat er sprake was van een onzeker voorval als bedoeld in de Regeling en een onmiddellijk dreigend gevaar voor muislopen van restituties. Dit betekent dat de Regeling niet van toepassing is. Grief 6 faalt.

2.14 Nu de grieven in het principaal hoger beroep falen, zal het hof Weyl in de kosten van het principaal hoger beroep veroordelen.

2.15 Grief I in het incidenteel hoger beroep luidt:

“Ten onrechte heeft de Rechtbank in r.o. 5.3 geoordeeld dat de kosten die Weyl in het kader van de verkoop van de partijen vlees uit de teruggekeerde “Neerlandic” heeft gemaakt tot aan het moment van deze verkoop aan Raynal Petersen, zoals bijvoorbeeld opslag van de partijen vlees, moeten worden geacht te zijn gemaakt ter afwending van een onmiddellijk dreigend gevaar en daarmee onder de dekking van de Regeling vallen.”

2.16 Ter toelichting op de grief voeren assuradeuren aan, dat niet het dreigend gevaar van mislopen van restituties, maar de dalende marktprijs en de wens van Weyl een zo hoog mogelijke opbrengst te krijgen, de reden was dat Weyl zo snel mogelijk wilde verkopen. Assuradeuren betwisten het causaal verband tussen een eventuele dreiging van verlies van restituties en de kosten van lossing en opslag. Volgens assuradeuren heeft Weyl de kosten van lossing en opslag niet onder de Regeling, maar uitsluitend onder de Rejection Insurance gevorderd en had de rechtbank de kosten niet op grond van de Regeling mogen toewijzen.

2.17 Het hof overweegt het volgende. Assuradeuren hebben niet gemotiveerd betwist dat de exportrestituties een aanzienlijk deel van de opbrengst van een partij vlees uitmaakt en het behoud van exportrestituties voor Weyl belangrijker was dan een iets hogere of iets lagere prijs van vlees. De beslissing om na terugkeer van de Neerlandic naar Nederland de goederen te laten opslaan om te verkopen, is dan ook primair ingegeven met het oog op veiligstellen van de restituties. Dat Weyl daarnaast ook andere redenen had voor spoedige verkoop, maakt dat niet anders. Deze kosten vallen dan ook onder de Regeling als kosten tot voorkoming of beperking van het financiële nadeel van mislopen van restituties als bedoeld in de Regeling. Dat Weyl in 4.3 en 4.4 van haar pleitnota in eerste aanleg de kosten van lossing en opslag onder de Regeling gevorderd heeft, hebben assuradeuren bij schriftelijk pleidooi in hoger beroep niet langer betwist. Grief I in het incidenteel hoger beroep faalt.

2.18 Grief II in het incidenteel hoger beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat grief 3 in het principaal hoger beroep gegrond is. Aangezien die voorwaarde niet vervuld is, behoeft grief II in het incidenteel hoger beroep geen behandeling.

2.19 Grief III is gericht tegen de compensatie van kosten in eerste aanleg. Assuradeuren bepleiten dat Weyl in de proceskosten in eerste aanleg had moeten worden veroordeeld.

2.20 Het hof overweegt dat een substantieel deel van de vordering van Weyl toewijsbaar is. Assuradeuren hebben door ook dit deel van de vordering te betwisten, Weyl gedwongen een procedure aan te spannen. Naar het oordeel van het hof is de beslissing om de proceskosten in eerste aanleg te compenseren, dan ook juist, ook al is een veel groter deel van de vordering van Weyl afgewezen. In ieder geval zijn partijen over en weer deels in het ongelijk gesteld. Grief III in het incidenteel hoger beroep faalt.

2.21 Het hof passeert het bewijsaanbod van assuradeuren, nu assuradeuren geen relevante feiten hebben gesteld die bewijs behoeven.

2.22 Nu de grieven in het incidenteel hoger beroep falen, zal het hof assuradeuren in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep veroordelen.

2.23 Het tussenvonnis van 30 juni 2004 bevat geen te executeren beslissingen. Daarom heeft geen van beide partijen belang bij een beslissing ten aanzien van dit tussenvonnis en kan het hof een beslissing ten aanzien van dit tussenvonnis achterwege laten. Aangezien zowel de grieven in het principaal hoger beroep, als de grieven in het incidenteel hoger beroep falen, zal het hof het bestreden eindvonnis van 1 december 2004 bekrachtigen.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het eindvonnis van de Rechtbank Rotterdam van 1 december 2004;

veroordeelt Weyl in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van assuradeuren begroot op € 14.891,-, waarvan € 5.731,- aan verschotten en € 9.160,- aan salaris van de procureur;

veroordeelt assuradeuren in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Weyl begroot op € 4.580,- aan salaris van de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. Schuering, M.Y. Bonneur en K.I. de Jong en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 augustus 2008 in aanwezigheid van de griffier.