Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BE8771

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-07-2008
Datum publicatie
19-08-2008
Zaaknummer
BK-07/00001
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft geen recht op de Nedeco-regeling nu zijn werkgever de Wet vermindering afdracht zeevaart toepast. Geen strijd met het gelijkheidsbeginsel. Er is een objectieve en redelijke rechtvaardiging aanwezig voor het gemaakte onderscheid aangezien beide regelingen een loonkostenverlagend effect hebben en cumulatie daarvan ongewenst wordt geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-1782
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-07/00001

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 8 juli 2008

op het hoger beroep van X te Z, tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 november 2006, AWB 05/4982 IB/PVV, betreffende na te noemen door de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst P, opgelegde aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 op 6 september 2002 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 53.757.

1.2. De tegen de aanslag gerichte bezwaren van belanghebbende zijn door de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar gedeeltelijk toegewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof en heeft daarbij een griffierecht betaald van € 105. De Inspecteur heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechts-hof van 13 mei 2008, gehouden te Den Haag. Aldaar is de Inspecteur verschenen. De ge-machtigde van belanghebbende heeft per fax bericht dat hij noch belanghebbende ter zitting zal verschijnen en heeft daarbij niet om aanhouding van de mondelinge behandeling ver-zocht. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde staat in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en op zichzelf aanneme-lijk, het volgende vast:

3.1. Belanghebbende, die in Nederland woont, was in 1999 gedurende het gehele jaar als scheepswerktuigkundige in dienst bij A BV, een in Nederland gevestigde werkgever (hierna: A).

3.2. In de periode van 14 juni 1999 tot en met 25 juli 1999 en van 6 september 1999 tot en met 18 oktober 1999 was belanghebbende werkzaam op een schip in Mexico. Verder heeft hij in 1999 42 dagen op een schip op het Britse continentale plat gewerkt. Het belastbare bedrag over laatstgenoemde periode bedroeg volgens een verklaring van de werkgever ƒ 8.574. Van 1 mei tot 17 mei 1999 en van 30 november 1999 tot 3 december 1999 heeft belanghebbende op een schip in Noorwegen gewerkt.

3.3. A heeft de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: de WVA) toegepast.

3.4. Belanghebbende heeft voor het jaar 1999 aangifte voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen gedaan van een belastbaar inkomen van ƒ 49.132. In zijn aangif-te heeft belanghebbende een bedrag van ƒ 68.089 vermeld als loon van A en als aftrekbare beroepskosten ƒ 9.482 in aanmerking genomen. Laatstvermeld bedrag is als volgt opge-bouwd:

- forfaitaire aftrek 12% van ƒ 52.233 is ƒ 3.174

- Nedecoregeling 35% (basis ƒ 15.856 – overhevelingstoeslag ƒ 426) ƒ 5.390

- zeedagen 187, waarvan 85 in Nedeco is, 102 x 9 ƒ 918.

3.5. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag het beroep van belanghebbende op de zogenoemde Nedeco-regeling (Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 7 de-cember 1999, nr. IFZ1999/1060M, BNB 2000/72) niet aanvaard en de 35%-kostenaftrek gecorrigeerd. De zeedagenaftrek is bij de aanslag toegekend over 187 dagen en bedraagt ƒ 1.683. De forfaitaire kostenaftrek ad ƒ 3.174 is toegestaan. De totale correctie bedraagt ƒ 4.625 en het belastbare inkomen is vastgesteld op ƒ 53.757. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur alsnog voorkoming van dubbele belasting verleend voor de belastbare inkom-sten die belanghebbende op het Britse continentale plat heeft verdiend.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende recht heeft op toepassing van de Nede-co-regeling en of hij in aanmerking komt voor vrijstelling van de heffing van Nederlandse premie volksverzekeringen. Belanghebbende beantwoordt beide vragen bevestigend en de Inspecteur ontkennend.

4.2. Belanghebbende voert ter ondersteuning van zijn standpunt – zakelijk weergegeven – het volgende aan.

De werknemer ondervindt een eenzijdig nadeel in het geval hij de Nedeco-regeling niet mag toepassen terwijl hij wel wordt geacht meer kosten te hebben gemaakt in verband met zijn uitzending naar het buitenland. De werkgever ontvangt in feite de kostenaftrek. Belangheb-bende wordt ongerechtvaardigd ongelijk behandeld ten opzichte van de werknemer die in dienst is bij een werkgever die niet de WVA toepast terwijl die werknemer overigens in dezelfde omstandigheden verkeert als belanghebbende. Belanghebbende heeft recht op vrijstelling van de heffing van Nederlandse premie volksverzekeringen.

4.3. De Inspecteur houdt in hoger beroep de juistheid van de aanslag staande.

4.4. Voor een verdere uiteenzetting van de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 49.132.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Overwegingen omtrent het geschil

6.1. De wetgever heeft met de invoering van de Wet faciliteit voor de zeevaart, de voorgan-ger van de WVA, de bedoeling gehad de concurrentiepositie van de Nederlandse zeescheep-vaart te verbeteren door de loonkosten van de zeevarenden te verlagen door het toepassen van een fictieve kostenaftrek van 35% op het loon. Het voordeel hiervan kwam niet bij de zeevarende terecht maar via een verrekentechniek bij de werkgever. Dit uitgangspunt is bij de thans geldende WVA gehandhaafd. Samenloop van de Nedeco-regeling met deze rege-ling is daarbij uitgesloten geacht, aangezien beide regelingen een loonkostenverlagend effect hebben en cumulatie daarvan ongewenst wordt geacht.

6.2. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 4 februari 2005, nr. 39.481, LJN: AS4905, de hiervoor weergegeven opvatting van de wetgever en de in navolging daarvan gehuldigde opvatting van de besluitgever, die de forfaitaire kostenaftrek in de Nedeco-regeling uitsluit in het geval de afdrachtvermindering zeescheepvaart is toegepast, niet onredelijk geacht. Uit het arrest volgt dat de Hoge Raad ervan uitgaat dat het geval van een zeevarende, werkzaam op een Nederlands schip in het buitenland, vergelijkbaar is met een werknemer die overi-gens voldoet aan de vereisten voor toepassing van de Nedeco-regeling. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat in dat geval van een verboden discriminatie geen sprake is, aangezien voor het aangebrachte onderscheid een objectieve en redelijke rechtvaardiging aanwezig is, die is gelegen in de wens om die ongewenste samenloop te voorkomen.

6.3. Belanghebbende heeft gesteld dat in het algemeen werknemers die in het buitenland werkzaam zijn meer kosten maken ten behoeve van de dienstbetrekking dan in Nederland werkzame werknemers. Hij heeft evenwel geen concrete feiten en omstandigheden aange-voerd waaruit volgt dat hij in het onderhavige jaar meer kosten ten behoeve van de dienstbe-trekking heeft gemaakt dan het bedrag aan kosten dat op grond van artikel 37 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bij het vaststellen van de aanslag reeds in aanmerking is geno-men .

6.4. Belanghebbende was geheel het jaar 1999 werkzaam voor een in Nederland gevestigde werkgever. Het Besluit uitsluiting en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 biedt geen ruimte in zo’n geval de heffing van premie volksverzekeringen achterwege te laten.

6.5. Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond.

Proceskosten

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.W. Savelbergh, J.W. baron van Knobelsdorff en P.J.J. Vonk, in tegenwoordigheid van mr. Y. Postema- van der Koogh als griffier. De beslis-sing is op 8 juli 2008 in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingka-mer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wed erpartij te veroordelen in de proceskosten.