Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD9767

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-07-2008
Datum publicatie
11-08-2008
Zaaknummer
105.000.437
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Koop en levering woning voor het huwelijk aan de man. Dient de vermogensvermeerdering van deze woning te worden verrekend op basis van de huwelijkse voorwaarden? Het hof oordeelt dat de man er op mocht vertrouwen dat de waarde of de waardestijging van het pand niet in de verrekening zou worden betrokken, zoals de vrouw er op mocht vertrouwen dat een eventuele waardedaling haar niet zou raken. Aflossing van de hypothecaire geldlening uit overgespaarde inkomsten doet daaraan niet af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2008, 110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector familie

Zaaknummer : 105.000.437 en 105.000.447

Rolnummer : 01/1032 en 01/1103

Rolnummer Rechtbank : [00.000] en 98/4587

arrest van de familiekamer d.d. 31 juli 2008

inzake

[appellant],

wonende/gevestigd te [woonplaats],

appellant in de procedures 01/1032 en 01/1103,

hierna te noemen: de man ,

procureur: voorheen mr. M.R.P. Drielsma, thans mr. J.A. van Keulen

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in de procedures 2001/1032 en 2001/1103,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur: mr. B.D.M. Martens .

1. Het verdere verloop van het geding

Het hof verwijst naar de tussenarresten van 6 december 2006, 9 januari 2008 en 5 maart 2008, die in deze zaak werden gewezen en waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

Op 17 april 2008 heeft – in vervolg op de op 14 september 2007 gehouden mondelinge behandeling - een comparitie van partijen plaatsgevonden. Bij deze comparitie waren aanwezig de man en zijn procureur, de vrouw en haar procureur.

De comparitie van partijen had mede ten doel om voor het hof inzichtelijk te maken welke geschilpunten partijen thans nog verdeeld houden.

Ter comparitie hebben partijen hun procesdossiers overgelegd en arrest gevraagd. Ingevolge de ter comparitie gemaakte afspraak heeft de procureur van de vrouw bij brief van 4 juni 2008 nog aan de procesdossiers ontbrekende processtukken ingediend. Van de comparitie van partijen is proces-verbaal opgemaakt.

2. Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Partijen zijn op 27 september 1972 onder het maken van huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd.

2. De huwelijkse voorwaarden zijn op 26 september 1972 verleden ten overstaan van notaris Heimans te [A].

3. Op 5 oktober 1998 heeft de man het verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend.

4. Op 18 november 1998 is de gemeenschappelijke huishouding geëindigd. Uit artikel 6 van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden volgt dat het recht tot verrekening ophoudt op het moment dat de gemeenschappelijke huishouding eindigt.

5. De echtscheiding is op 14 februari 2000 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Pand te [A].

6. De man heeft op 31 mei 1972 een woning aangekocht aan de [adres] te [A]. De koopprijs van de woning was gefinancierd met een hypothecaire geldlening ten laste van de man en de vrouw.

7. De woning is voor het huwelijk aan de man geleverd.

8. In rechtsoverweging 3.8 en 3.9 van het vonnis van de rechtbank van 20 december 2000 heeft de rechtbank overwogen dat de aflossing van de hypothecaire geldlening ƒ 44.550,- alsmede de vermogensvermeerdering van het pand te [A] tot 18 november 1998 in de verrekening dient te worden betrokken.

9. De vermogensvermeerdering dient naar het oordeel van de rechtbank te worden verrekend in de verhouding 54% voor de man en 46 % voor de vrouw, alsmede heeft de vrouw recht op (nominale) terugbetaling van haar via het huwelijkscadeau geïnvesteerde geld ad ƒ4.600,-/2 = ƒ 2.300,-.

De man

10. De man is van mening dat de waardestijging van het pand te [A] niet in de verrekening dient te worden betrokken. Hij voert daartoe ondermeer aan:

1. Uit het arrest van de HR 2 maart 2001 NJ 2001, 63 volgt, dat noch de waarde van de woning noch de waardestijging van de woning, in de verrekening dient te worden betrokken, wanneer de woning vóór het huwelijk in privé-eigendom is verworven. In dit arrest bepaalt de Hoge Raad, dat het enkele feit, dat de koopprijs van de woning bekostigd is met een hypothecaire lening, waarop staande huwelijk is afgelost, niet meebrengt dat de woning zelf een vermogensvermeerdering oplevert, die is ontstaan door belegging van bespaarde inkomsten (punt 14 appeldagvaarding).

2. De waarde van het pand te [A] is weliswaar tijdens het huwelijk gestegen, maar deze vermogensvermeerdering is niet het gevolg van investeringen uit overgespaarde inkomsten en moet derhalve buiten de verrekening blijven (punt 15 appeldagvaarding).

3. De waardestijging van het pand te [A] is niet een gevolg van investeren/beleggen van overgespaarde inkomsten, maar in hoofdzaak van autonome marktontwikkelingen als gevolg van het door de overheid gevoerde huurbeleid.

4. De hypothecaire geldlening rustend op het pand te [A] is in de periode van september 1972 tot november 1998 toegenomen tot ƒ 150.000,-.

5. De subsidiebedragen die de man - totaal ƒ 51.960,- - heeft verkregen voor de renovatie van het pand te [A] zijn niet aan te merken als overgespaarde inkomsten (punt 69 van de appeldagvaarding).

6. Partijen hebben bij het maken van huwelijkse voorwaarden er bewust voor gekozen om het pand buiten te [A] buiten de beschrijving van artikel 2 te laten en daarmee ook buiten het bereik van het in artikel 6 opgenomen verrekenbeding. Immers door de verwerving van het pand te [A] door de man voorafgaand aan het huwelijk en de tenaamstelling van het pand alleen op naam van de man, was het van meet af aan de bedoeling dat het pand te [A] tot het privé vermogen van de man behoorde (punt 10 akte ter reactie op memorie van antwoord en voor het overleggen van producties in beide gevoegde zaken).

7. In tegenstelling tot het pand te [A] zijn de andere woningen wel volledig door beide partners als eigen woning gebruikt. Daarom zijn de eigen woningen in [R] en [woonplaats] op beider naam gesteld, terwijl het verhuurde pand te [A] tot privé eigendom van alleen de man behoorde. (punt 11 akte ter reactie op memorie van antwoord en voor het overleggen van producties in beide gevoegde zaken).

De vrouw

11. De vrouw is van mening dat het pand te [A] wel tot het te verrekenen vermogen behoort. Zij voert daartoe onder meer aan:

1. Het was in de zeventiger jaren van de vorige eeuw gebruikelijk dat een pand alleen op naam van de man gesteld werd.

2. Begin jaren zeventig was het gebruikelijk dat het vermogen op naam van de man werd gesteld. De wetswijzigingen van de handelingsonbekwaamheid van de vrouw waren nog vers.

3. De aankoop van het pand te [A] was slechts mogelijk omdat de hee[X]], in die tijd makelaar, alle onderhandelingen namens de man en de vrouw voerde betreffende de aankoop van het pand te [A].

4. De heer [X]t had als vader het beste voor met zijn dochter en had indien mogelijk er zeker zorg voor gedragen dat het pand te [A] op beider naam was aangekocht.

5. De Hoge Raad heeft in het arrest Schwanen/Hundscheid van 6 december 2002 zijn opvatting genuanceerd, waarbij onduidelijk is gebleven of de Hoge Raad het zwaar bekritiseerde arrest Slot/Ceelen heeft willen handhaven.

6. Er heeft inmiddels een wetswijziging plaatsgevonden en daarbij is artikel 1:136 lid 1 BW van toepassing geworden.

7. Artikel 1:136 lid 1 BW luidt als volgt:”Indien een echtgenoot in verband met de verwerving van een goed een schuld is aangegaan, wordt het goed op de voet van de eerste volzin tot het te verrekenen vermogen gerekend voorzover de schuld daartoe wordt gerekend of daaruit is afgelost”.

8. De wet maakt bij artikel 1:136 lid 1 BW geen onderscheid meer tussen vóór of staande huwelijk aangeschafte goederen.

9. De vrouw kan zich herinneren dat er in de periode van 1972 tot 1978 renovaties aan het pand te [A] hebben plaatsgevonden. Deze verbouwingen zijn volgens de vrouw uit overgespaarde inkomsten voldaan.

12. Het hof overweegt als volgt. Indien tussen de echtgenoten geen huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen ontstaat door het huwelijk de wettelijke gemeenschap van goederen met alle vermogensrechtelijke consequenties van dien. In het onderhavige geval hebben de man en de vrouw gekozen voor huwelijkse voorwaarden. Bij de uitleg van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden gaat het erom vast te stellen welke zin partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen. Uit de gewisselde stukken volgt dat de man vóór het huwelijk de woning heeft aangekocht. Bij de aankoop van de woning en de financiering daarvan zijn de man en de vrouw geadviseerd door de vader van de vrouw, die ten tijde van de aankoop makelaar was. De man heeft gesteld dat het een bewuste keuze van partijen is geweest om het pand buiten het bereik te laten van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden, meer in het bijzonder buiten het bereik van het daarin opgenomen verrekenbeding. In tegenstelling tot de huizen te [R] en [woonplaats] is het pand te [A] niet op beider naam gesteld. Uit de stellingen van de vrouw volgt dat er krachtens toen gangbaar gebruik bewust voor is gekozen dat de woning te [A] alleen op naam van de man werd aangekocht, ondanks het feit dat de financiering voor het pand door de man en de vrouw gezamenlijk werd aangegaan. Een redelijke uitleg van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden in deze zaak brengt met zich mee dat de man er op mocht vertrouwen dat de waarde of de waardestijging van het pand te [A] niet in de verrekening zou worden betrokken, gelijk de vrouw er op mocht vertrouwen dat een eventuele waardedaling haar niet zou raken. Het feit dat uit overgespaarde inkomsten de hypothecaire geldlening is afgelost of renovaties zijn betaald doet daaraan niet af.

13. Artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden luidt als volgt:”Aan het einde van elk kalender jaar voegen de echtgenoten ter verdeling bij helfte bijeen hetgeen van hun inkomsten van dat jaar onverteerd is gebleven. De huurpenningen kunnen naar het oordeel van het hof aangemerkt worden als inkomen in de zin van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden. Partijen hebben in de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden niet omschreven wat zij onder “inkomsten” verstaan. Als het inkomensbegrip niet nader is omschreven, dient naar het oordeel van het hof voor de invulling van het inkomensbegrip gekeken te worden wat naar maatschappelijke normen onder inkomen moet worden verstaan. Naar maatschappelijke normen is huur inkomen. Door de huuropbrengsten van het pand te [A] - inkomen in de zin van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden - heeft de vrouw al mede geprofiteerd van een vermogensbestanddeel dat in eigendom toebehoort aan de man. Door een mogelijke aflossing van de hypothecaire geldlening nemen de lasten in beginsel af, en heeft dit een positief effect op de kasstroom met betrekking tot het verhuurde object, welke kasstroom mede ten goede is gekomen aan de vrouw in de huwelijkse periode.

14. Ook mogelijke renovaties van het pand te [A], die zijn gefinancierd uit overgespaard inkomen, kunnen in het onderhavige geval niet aangemerkt worden als een belegging in het pand. De vrouw stelt zelf in punt j blz 4 van haar memorie van antwoord in gevoegde zaken dat de huren hoger zijn geworden als gevolg van de renovaties. Het rendement van de renovatie heeft zich misschien verdisconteerd in een verbetering van de huurprijs waarvan de vrouw mede profiteert. In de verrekening dienen te worden betrokken de nominale bedragen die uit overgespaard inkomen zijn aangewend voor de renovatie van het pand.

15. Ook artikel 1:136 lid 1 tweede zin BW kan de vrouw niet baten. In artikel 1:136 lid 1 tweede zin BW is vermeld dat er sprake moet zijn van echtgenoten en ziet dan ook alleen op tíjdens het huwelijk verkregen goederen. Op het moment van het aangaan van de financiering van het pand te [A] waren partijen nog geen echtgenoten. De geldlening van ƒ 150.000,- die tijdens het huwelijk is aangegaan en waarvoor een recht van hypotheek op het pand te [A] is gevestigd, had geen betrekking op voormeld onroerend goed maar was bestemd voor de verbouwing van het pand te [woonplaats], welk pand partijen in mede-eigendom toebehoorde.

16. Op grond van hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen treffen de grieven van de man doel, daar waar hij betoogt dat de waardestijging van het pand te [A] niet in de verrekening dient te worden betrokken. Wel dient in de verrekening te worden betrokken de aflossing op de hypothecaire geldlening van ƒ 44.550,-, aangezien de man niet heeft aangetoond dat deze aflossing heeft plaatsgevonden met privé middelen.

Inboedelgoederen

Man

17. De man is van mening dat alle inboedelgoederen aan hem toebehoren op grond van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden. Voorts is hij van mening dat de aanschaf van inboedelgoederen niet aangemerkt kan worden als besteding van overgespaard inkomen. De tijdens de huwelijkse periode aangeschafte inboedelgoederen behoren volgens de man tot de normale kosten der huishouding zoals bedoeld in artikel 1:84 BW. De kosten van de huishouding en dus ook de aanschafkosten van de wijnen zijn overeenkomstig het in artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden gestelde door de man betaald uit zijn privé inkomsten.

18. De man stelt in zijn notities op verzoek en ter informatie van het gerechtshof 14 september 2007 dat hij geen onoverkomelijke bezwaren tegen heeft tegen de verdeling van de inboedelgoederen zoals die feitelijk in 2001 heeft plaatsgevonden, zonder dat nog enige verrekening plaatsvindt. De man wenst te volstaan met het terugvorderen van enkele persoonlijke eigendommen die in zijn beroepschrift zijn gespecificeerd. Ter comparitie van partijen heeft hij verklaard in zoverre zijn grief ten aanzien van de inboedelgoederen in te trekken.

19. In punt 38 van zijn dagvaarding geeft de man een opsomming van zijn persoonlijke eigendommen, die zich in de woning te [woonplaats] bevinden, het betreft:

1. het zilveren familiebestek

2. een antieke ladenkast

3. een schilderij uit de 19 eeuw afbeeldend een hond

4. zijn platencollectie

5. platenspeler

6. tapedeck.

Vrouw

20. In punt d blz 13 en 14 van de memorie van antwoord stelt de vrouw:

1. de ladenkast kan de man ophalen

2. de man heeft het zilver meegenomen

21. Het hof overweegt als volgt. Ter comparitie van partijen op 17 april 2008 heeft de man afstand gedaan van de kast. De vrouw heeft zich ter zelfde comparitie bereid verklaard het schilderij binnen een week aan de man af te geven. De goederen 4 tot en met 6 heeft de man onvoldoende gedefinieerd, derhalve is dit deel van de vordering niet voor toewijzing vatbaar. De vrouw ontkent dat zij in het bezit is van het zilveren bestek. Nu de man geen specifiek bewijsaanbod heeft gedaan dat de vrouw nog steeds in het bezit is van het zilveren familiebestek, dient dit deel van de vordering te worden afgewezen.

22. Uit de toelichting op grief 11 blz 13 memorie van antwoord in de gevoegde zaken volgt dat de vrouw van mening is dat de inboedelgoederen dusdanig duurzame artikelen zijn dat deze naar haar oordeel zijn aan te merken als zaken die zijn aangeschaft uit overgespaarde inkomsten. Subsidiair is de vrouw van mening dat de inboedelgoederen zijn aangeschaft door en voor beide echtgenoten te samen.

23. In punt 9 van haar brief van 14 september 2007 vordert de vrouw ƒ 47.430,50 van de gemeenschappelijke inboedelgoederen. De vrouw heeft aan de gemeenschappelijke inboedel een waarde toegekend van ƒ 110.855,-, volgens de vrouw bedraagt de waarde van de inboedelgoederen die bij haar in bezit zijn ƒ 7.997,- en bij de man ƒ 102.858,-.

24. De grieven van de vrouw richten zich tegen rechtsoverweging 11 en 14 van het vonnis van [datum]. De vrouw is het niet eens met het feit dat de rechtbank toedeelt aan de man, alles wat zich in de huizen te [Y] en te [Z] bevond en aan de vrouw alles wat zich in [woonplaats] bevond. Voorts is de vrouw het er niet mee eens dat de rechtbank alle dure wijnen aan de man heeft toegedeeld zonder enige vergoeding. Tot slot is de vrouw het er niet mee eens dat de rechtbank in haar uitspraak de berekening van de man heeft gevolgd.

25. Het hof overweegt als volgt. Uit artikel 4 van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden volgt dat de kosten van de huishouding door de man moeten worden gedragen. Als inboedelgoederen aangekocht zijn uit inkomsten kunnen deze inboedelgoederen in beginsel aangemerkt worden als vermogen dat is verkregen uit overgespaard inkomen. De waarde van de uit het overgespaarde inkomsten aangeschafte inboedelgoederen dient in de verrekening te worden betrokken. Voor de waarde dient in het onderhavige geval uitgegaan te worden op het moment dat de samenleving tussen partijen feitelijk is opgehouden zijnde 18 november 1998.

26. Uit de gewisselde stukken heeft het hof niet kunnen vaststellen wie van de echtgenoten tijdens het huwelijk de eigendom van de betreffende inboedelgoederen heeft verworven. Het hof heeft niet kunnen vaststellen aan wie van de echtgenoten het betreffende goed is geleverd. Gezien dit feit wordt de eigendom van de inboedelgoederen op grond van artikel 2 van de huwelijkse voorwaarden vermoed toe te behoren aan de man. Het vorenstaande brengt echter niet met zich mede dat de waarde van de tijdens het huwelijk verworven inboedelgoederen – uit overgespaard inkomen – niet in de verrekening moet worden betrokken.

27. De vrouw heeft in de door haar in het geding gebrachte lijst van inboedelgoederen een waarde aan deze goederen toegekend. Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat deze waardes zijn vastgesteld door een taxateur. Ook heeft zij de auto van de man tot de inboedel gerekend. Op grond van de door de vrouw in het geding gebrachte lijst van inboedelgoederen is het hof van oordeel dat er sprake is van een normale inboedel passend bij het inkomensniveau van partijen. Niet is gebleken dat zeer kostbare stukken tot de inboedel behoorden. De auto van de man komt hierna nog aan de orde. Op grond van de toedeling van de rechtbank hebben beide partijen een deel van de inboedel in hun bezit. Uitgaande van de door de rechtbank gehanteerde toedeling is het hof van oordeel dat de waarde van de inboedel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in de verrekening is betrokken. Ter zake de wijn is het hof - op dezelfde gronden als de rechtbank - van oordeel dat deze kan worden aangemerkt voor consumptieve doelen en derhalve valt deze niet onder het in de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden opgenomen verrekenbeding.

Procentuele verdeling verkoopopbrengst woning te [woonplaats]

Man

28. De man acht elke verdeling van de verkoopopbrengst van de woning te [woonplaats] voor meer dan 50% aan de vrouw in strijd met de juridische eigendomsverdeling.

29. Volgens de man heeft de vrouw hooguit recht op de helft van de vrije verkoopwaarde verminderd met alle door de man na 18 november 1998 gedane uitgaven.

30. De man heeft in de periode van 18 november 1998 tot 1 juli 2001 een bedrag van

ƒ 30.731,- afgelost. De man heeft een vordering op de vrouw van ƒ 15.365,-.

31. De netto verkoopopbrengst van het pand bedroeg € 503.057,- Het bedrag is verdeeld volgens het overeengekomen proces-verbaal van de rechtbank [A], van 22 oktober 2001. Zie brief notaris mr. R.M. Dom van 4 maart 2002 gericht aan de man.

Vrouw

32. Door de vrouw wordt erkend dat beide partijen ieder voor de helft eigenaar waren van het pand te [woonplaats]. Voorts stelt zij dat een deel van de erfenis van haar vader in het pand is geïnvesteerd. Het hof begrijpt dat zij een vergoeding wenst te verkrijgen voor de bedragen die zij in het pand uit eigen middelen heeft geïnvesteerd.

33. Het hof overweegt als volgt. Gezien de eigendomsverhouding zijn in beginsel beide partijen gelijk gerechtigd in de verkoopopbrengst van het huis te [woonplaats].

34. In het kader van de verdeling van de verkoopopbrengst dienen daarop eerst in mindering te worden gebracht de hypothecaire schuld per 18 november 1998 alsmede de bedragen die partijen uit privémiddelen in het pand hebben geïnvesteerd.

35. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank ten onrechte de netto verkoopopbrengst verdeeld in 52% voor de vrouw en 48 % voor de man. De grief treft derhalve doel.

Verdeling opbrengst pand [woonplaats] en verrekening voorschot

36. Op 7 maart 2002 heeft ten overstaan van notaris R.M. Dom de verdeling van het pand te [woonplaats] plaatsgevonden. Uit de eindafrekening volgt dat de netto opbrengst van het pand was € 503.057,51. In de eindafrekening is alleen betrokken de hypothecaire geldlening aan de Rabo Bank.

37. De vrouw heeft verkregen:

1. deel opbrengst huis € 251.528,75

2. voorschot conform proces-verbaal 22-10- 2001 € 51.050,25

3. totaal € 302.579,00

38. De man heeft verkregen

1. deel opbrengst huis € 200.478,50

39. De man vordert van de vrouw terug het te veel betaalde bedrag van € 51.050,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 maart 2002. Dit betreft een voorschot dat de man aan de vrouw heeft betaald in kader van een regeling bij de voorzieningenrechter zoals vastgelegd in het proces-verbaal van 22 oktober 2001. Gezien het feit dat het hof nog niet over alle financiële gegevens beschikt kan het hof op dit moment nog niet vaststellen welk bedrag de vrouw aan de man moet terug betalen. In het eindarrest komt het hof hierop, alsmede op de vraag of en zoja met ingang van welke datum wettelijke rente zou zijn verschuldigd, terug.

Geldlening ƒ 150.000 ten behoeve van de verbouwing van het pand te [woonplaats]

De man

40. In punt 9 van de appeldagvaarding inzake de procedure bij de rechtbank met het rolnummer [00.000] heeft de man gesteld dat er ter zake de financiering van het pand te [woonplaats] een tweetal geldleningen zijn afgesloten te weten een lening van ƒ 350.000,- bij de Rabo Bank en een lening bij de moeder van de vrouw van ƒ 150.000,-. Voor de laatste lening is een recht van hypotheek gevestigd op het pand van de man te [A].

41. Het hof gaat er van uit dat de geldlening die de moeder van de vrouw heeft verstrekt is aangewend voor de verbouwing van het woonhuis te [woonplaats] en dat er slechts een recht van hypotheek is gevestigd op het pand van de man te [A].

42. De man stelt dat hij op 2 december 1998 uit zijn privé vermogen een bedrag van

ƒ 150.000,- heeft betaald op een gezamenlijke hypotheekschuld. Aangezien deze hypotheekschuld op beider naam staat vordert de man betaling van de vrouw van ƒ 75.000,- te vermeerderen met een rente van 4,7% per jaar, zijnde het rentepercentage dat de man aan de bank vergoedt voor de door hem afgesloten lening met welke hij de lening van zijn schoonmoeder heeft afgelost.

43. De vrouw heeft gesteld (memorie van antwoord in de gevoegde zaken) dat de totale schuld op 2 december 1998 zonder overleg met mevrouw [C] door de man geheel is afgelost. Door de vrouw is niet weersproken dat het bedrag uit privémiddelen van de man is betaald. In de eindafrekening van de notaris is het bedrag van ƒ 150.000,- niet meegenomen. De man heeft derhalve op de vrouw een vordering van ƒ 75.000,- /€ 34.034-.

44. Terzake de door de man gevorderde rente van 4,7% over de helft van het bedrag van ƒ 150.000,- overweegt het hof als volgt. Zonder instemming van de vrouw heeft de man de lening afgelost. De man heeft niet vooraf met de vrouw overleg gevoerd over de voorwaarden waaronder hij de lening zou aflossen. De vrouw was dan ook niet in staat hieraan haar instemming te verlenen. Het hof acht het vorderen van deze rente dan ook in strijd met de redelijkheid en de billijkheid. De rentevordering komt niet voor vergoeding in aanmerking.

Gebruiksvergoeding woning te [woonplaats]

Man

45. De man is van mening dat hij recht heeft op een gebruiksvergoeding als compensatie voor het zonder toestemming in gebruik hebben, c.q in beslag nemen van het vermogensaandeel van de man in de aan beide partijen voor de helft toebehorende woning in [woonplaats]. De man stelt het vergoedingsrecht op ƒ 4.050,- respectievelijk ƒ 4.375,- per maand voor de periode van 15 augustus 2000 tot aan het moment van het vertrek van de vrouw in verband met de overdracht van de woning op 7 maart 2002, zijnde in totaal

€ 34.920,-.

Vrouw

46. De vrouw stelt dat bij de vaststelling van de alimentatie rekening is gehouden met de rente en de aflossing die de man betaalde terzake de lasten met betrekking tot het pand te [woonplaats]. Als de vrouw een gebruiksvergoeding zou moeten betalen zou haar behoefte aan alimentatie hoger zijn geweest. Na 14 augustus 2000 had de man evenveel gebruiksrecht als de man.

47. Het hof overweegt als volgt. De rechtsrelatie tussen deelgenoten in een onverdeelde boedel wordt mede beheerst door de redelijkheid en de billijkheid. Uit de beschikking van dit hof van 16 augustus 2000, door de man overgelegd als productie 1 bij zijn appeldagvaarding tegen het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van [datum] met rolnummer [00.000], komt naar voren dat het hof de alimentatie voor de vrouw, zolang de kosten van de voormalig echtelijke woning voor rekening van de man komen, heeft bepaald op ƒ 2.800,- per maand en, zodra deze kosten niet meer voor zijn rekening komen, op ƒ4.950,- per maand. Aldus is er rekening mee gehouden dat de man de lasten met betrekking tot het pand te [woonplaats] voor zijn rekening nam. Het hof acht het mitsdien niet redelijk en billijk dat de man een gebruiksvergoeding verkrijgt terzake het kapitaal door hem in de voormalig echtelijke woning te [woonplaats] geïnvesteerde kapitaal, waarover hij nog niet kon beschikken.

Erfenis vrouw.

Man

48. De erfenis en andere schenkingen, die de vrouw heeft verkregen, vallen naar het oordeel van de man buiten elke verrekening. Voor zover de erfenis of schenkingen zijn opgegaan aan de kosten van de huishouding bestaat op grond van de huwelijkse voorwaarden geen recht op terugvordering. Slechts voor zover de vrouw kan aantonen, dat delen van haar erfenis of schenkingen zijn belegd of geïnvesteerd, bestaat een vorderingsrecht voor de vrouw op vergoeding van de nominale bedragen die aantoonbaar zijn geïnvesteerd.

De man is van mening dat de erfenis van de vrouw groot ƒ 132.791,- volledig is uitgegeven vóór juli 1984. De erfenis is niet geïnvesteerd in het huis te [woonplaats]. De erfenis is uitgegeven aan:

1. verlies bij verkoop woning te [R] ƒ 80.000,-.

2. aanschaf Alfa Romeo ƒ 15.000,-.

3. onderhoud pand [A] ƒ 11.210,- welk pand in eigendom toebehoort aan de man.

4. kosten van de huishouding ƒ 25.000,-.

49. De man heeft gesteld dat hij niet bevoegd was tot tekening met betrekking tot de rekeningen van de vrouw, het hof verwijst naar blz 8 van de akte ter reactie op de memorie van antwoord. De man wijst elke verantwoordelijkheid voor de bestedingen van de erfenisgelden van de vrouw van de hand. De vrouw is volledig verantwoordelijk voor de bestedingen van de erfenisgelden.

50. Voor zover de uitgaven van de vrouw niet aangemerkt kunnen worden als kosten van de huishouding is de man van mening dat de vrouw heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis als gevolg waarvan zij het betaalde niet meer kan terugvorderen.

De vrouw

51. De erfenis die de vrouw heeft verkregen bedroeg ƒ 132.791,-. Volgens de vrouw is aan rente ontvangen in de periode van 1980 tot 1984 ƒ 37.852,-. Voorts heeft de vrouw aangevoerd:

1. Vanaf het moment dat de vrouw de erfenis heeft verkregen heeft de man zich met het geld bemoeid.

2. Bij brief van 25 juli 1984 heeft de man aan F. van Lanschot Bankiers verzocht de rekeningen van de vrouw bij die bank op te heffen.

3. Inzake de nalatenschap van de vader van de vrouw heeft de man zich bij brief van 20-11-1980 gewend tot de inspecteur der registratie en successie te [R].

4. Uit de brief van [M] BV van 28 november 1998 volgt dat de man zich intensief met de nalatenschap van de vrouw heeft bemoeid.

5. De man heeft gedurende het huwelijk het volledige beheer over de financiën gevoerd.

6. Het bedrag aan handgeld ƒ 30.000,- voor de aankoop van de woning te [woonplaats] is afkomstig uit de erfenis van de vrouw.

7. De man heeft ƒ 56.075,- van de rekeningen van de vrouw naar zijn privé rekening overgeboekt.

8. De aflossing van de hypothecaire geldlening met betrekking tot het pand te [R] ƒ 80.000,- heeft de man zonder instemming van de vrouw verricht.

9. De man heeft uit de geldbedragen die hij naar zijn privé rekening heeft overgeboekt een Alfa Romeo gekocht en een rekening betaald van ƒ 11.210,- met betrekking tot het pand te [A].

10. De aankoopprijs van de Alfa was ƒ 40.220,- zie blz 14 memorie van antwoord in de gevoegde zaken.

52. Het hof overweegt als volgt. Uit de gewisselde stukken volgt dat de erfenis van de vrouw ƒ 132.791,- bedroeg. Gezien de door de vrouw in het geding gebrachte producties acht het hof het aannemelijk dat de man zich intensief heeft bemoeid met de erfenis van de vrouw en de besteding daarvan. Uit de gewisselde stukken volgt naar het oordeel van het hof dat de financiën in het kader van de rolverdeling tussen partijen met name werden beheerd door de man. Van de man mag derhalve worden verlangd dat hij op een zorgvuldige wijze rekening houdt met de belangen van de vrouw terzake de door haar verkregen nalatenschap.

53. Het hof acht het aannemelijk dat direct dan wel indirect uit de erfenis is voldaan:

1. Aflossing hypothecaire geldlening pand te [R] ƒ 80.000,-

2. Aankoop Alfa Romeo ƒ 40.220,-

3. Rekening firma [N] ƒ 11.210,-

4. Totaal ƒ 131.430,-

54. De man heeft gesteld dat hij de Peugeot met een waarde van ƒ 13.055,- heeft betaald en dat dit bedrag moet worden verrekend met de rekening van de firma [N] ter zake het onderhoud van het pand dat de man in eigendom toebehoort. Het hof acht dit niet redelijk en billijk. De man was de kostwinner, hij verhuurde het pand en de waardestijging van het pand komt alleen aan hem ten goede. Gezien de stand en fortuin waarin partijen leefden kunnen de kosten van de Peugeot aangemerkt worden als kosten van de huishouding. Deze komen voor rekening van de man. De man dient derhalve aan de vrouw te vergoeden de rekening van de firma [N], in hoofdsom groot ƒ 11.210,-.

55. Het hof acht het aannemelijk dat de Alfa Romeo ter beschikking stond van de man. Gezien het financiële bestuur dat het man voerde ten tijde van het huwelijk acht het hof het redelijk en billijk dat de man nominale waarde van de Alfa Romeo, zijnde € 18.251,04

(ƒ 40.220,-) aan de vrouw vergoedt.

56. Het woonhuis te [R] behoorde partijen in mede-eigendom toe. Uit de gewisselde stukken volgt dat dit pand met verlies is verkocht en dat uit het vermogen van de vrouw een bedrag is aangewend van ƒ 80.000,- ter betaling van de onderwaarde van het pand. De helft van het verlies komt ten laste van de vrouw. De man dient derhalve aan de vrouw te voldoen de somma van € 18.151,21 (ƒ 40.000,-).

57. De vordering van de vrouw op de man uit hoofde van de nalatenschap bedraagt derhalve

€ 41.489,- (ƒ 91.430,-). Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat er gelden van de vrouw zijn aangewend voor de aankoop van het pand te [woonplaats].

Banksaldi en waarde aandelen per 18 november 1998

58. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte de banksaldi per 18 november 1998

niet in de verrekening heeft betrokken.

59. De vrouw stelt dat de waarde van de aandelen niet in de verrekening is betrokken. Voorts stelt zij dat de op haar naam staande banksaldi afkomstig zijn uit schenkingen die zij van haar moeder heeft verkregen.

60. Op basis van de processtukken kan het hof niet vaststellen wat de banksaldi en waarde van de aandelen zijn per 18 november 1998.

61. Het ligt op de weg van partijen om exact aan te geven waar het hof de gegevens kan vinden in de stukken.

62. Het hof wenst dat beide partijen bij akte een overzicht in het geding brengen van alle aan hen toebehorende rekeningen met de saldi of waarde aandelen per 18 november 1998, onder vermelding van de vindplaatsen van de onderliggende bewijsstukken.

Huwelijkscadeau

63. Het hof is op de zelfde gronden als de rechtbank van oordeel dat het huwelijkscadeau van de ouders van de vrouw aan partijen aangemerkt dient te worden als een gemeenschappelijk cadeau. Mitsdien treft de grief geen doel.

Financieel overzicht

64. Verdeling opbrengst [woonplaats]. Beide partijen zijn volgens de berekening van notaris mr. R.M. Dom gerechtigd tot € 251.529,-

65. De vrouw heeft op de man een vordering van:

1. Uit hoofde van de erfenis ƒ 91.430,- € 41.489,-

2. De helft van ƒ 44.550,- ƒ 22.275,- € 10.108,-

3. De helft van het huwelijkscadeau ƒ 2.300,- € 1.044,-

65. De man heeft op de vrouw een vordering van:

1. Aflossing hypotheek Rabo Bank van ƒ 15.365 € 6.972,-

2. Aflossing lening moeder vrouw € 34.034,-

3. Totaal € 41.006,-

66. De vrouw heeft ontvangen (zie brief 4 maart 2002 van notaris mr. R.M.Dom) € 302.588,-.

67. In het financiëel overzicht zijn nog niet verwerkt de mogelijke vorderingen over en weer uit hoofde van de nog te verrekenen banksaldi en waarde van de aandelen per 18 november 1998.

3. Beslissing

Het hof verzoekt partijen bij akte in het geding te brengen de in rechtsoverweging 62 genoemde informatie;

Verwijst de zaak naar de rol van 23 september 2008 voor het nemen van de akte.

Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Labohm, van Leuven en Mink en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 juli 2008 in aanwezigheid van de griffier.