Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD9527

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-06-2008
Datum publicatie
07-08-2008
Zaaknummer
105.012.807/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Noodzaak uithuisplaatsing beoordeeld in het licht van de pedagogische (on)macht van de ouders

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 11 juni 2008

Zaaknummer : 105.012.807/01

Rekestnummer : 378-R-07

Rekestnr. rechtbank : JE RK 07-815

1. [appellant],

hierna te noemen: de moeder, en

2. [appellant],

hierna te noemen: de vader,

beiden wonende te [woonplaats],

verzoekers in hoger beroep,

hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,

procureur mr. M.M. Menheere,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland Zuid,

kantoor houdende te Dordrecht,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als degene wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, is aangemerkt:

[de pleegmoeder],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de pleegmoeder.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De ouders zijn op 7 maart 2008 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 19 december 2007 van de kinderrechter in de rechtbank Dordrecht.

De rechtbank Dordrecht heeft de bestreden beschikking verbeterd bij beschikking van 13 februari 2008.

Jeugdzorg heeft op 22 april 2008 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de ouders zijn bij het hof op 7 april 2008 en 9 mei 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van Jeugdzorg zijn bij het hof bij faxbericht op 13 mei 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Op 14 mei 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de ouders, bijgestaan door hun advocaat, mr. M.A. Bos, en Jeugdzorg. De Raad voor de Kinderbescherming en de pleegmoeder zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de herstelbeschikking van 13 februari 2008 van de kinderrechter in de rechtbank Dordrecht.

- Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter, uitvoerbaar bij voorraad, de uithuisplaatsing voor dag en nacht van de minderjarige verlengd, ter effectuering van het aan die beschikking gehechte indicatiebesluit, met ingang van 20 december 2007 voor de duur van de ondertoezichtstelling, dat wil zeggen tot 20 september 2008.

- Bij de bovengenoemde beschikking van 13 februari 2008 is de bestreden beschikking hersteld ten aanzien van de geslachtsnaam van de minderjarige.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de uithuisplaatsing van [de minderjarige], geboren in 2005, verder: [de minderjarige]. Hij verblijft thans in een pleeggezin. De ouders hebben gezamenlijk het gezag over hem.

2. De ouders verzoeken, voor zover de wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, Jeugdzorg in haar verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar dit verzoek te ontzeggen. Jeugdzorg bestrijdt hun beroep.

3. Ter toelichting op hun hoger beroep voeren de ouders aan dat zij zich niet kunnen verenigen met de bestreden beschikking. De kinderrechter heeft ten onrechte overwogen dat het gezien de resultaten van het FORA-onderzoek in het belang van [de minderjarige] is dat het verblijf in het pleeggezin voortduurt. De ouders stellen voor om ook hun andere kinderen in fases terug te plaatsen, waarbij wordt aangevangen met [de minderjarige]. De ouders herkennen zich in het geheel niet in veel van de door Jeugdzorg en in de FORA-rapportage geschetste problemen. De ouders hebben zich inmiddels tot het uiterste ingespannen om hun problemen te overwinnen en daarmee om hun kinderen een goed huis en gezin te (kunnen) bieden. Zij ontkennen en betwisten uitdrukkelijk dat er gedurende een langere periode sprake is geweest van instabiliteit in de thuissituatie. De ouders zijn van mening dat zij [de minderjarige] een rustige, veilige en stabiele leefomgeving kunnen bieden. Hun woon- en werksituatie als ook hun relatie zijn inmiddels volledig op orde. De ouders hebben daarvoor met succes een relatietherapie doorlopen, waardoor hun onderlinge relatie en hun afzonderlijke problemen zijn verbeterd. Zij hebben tevens een cursus “Effectief omgaan met kinderen” gevolgd en zijn verhuisd naar een nieuwe woning met meer ruimte voor de kinderen. Voorts zijn de ouders gehuwd en is de moeder bevallen van hun vierde kind. Zij dragen, zonder begeleiding van derden, de zorg over de opvoeding en verzorging van dit vierde kind. Dit verloopt zonder problemen. Voor zover er nog twijfel mocht bestaan over de opvoedcapaciteiten van de ouders zijn de ouders bereid zich als gezin op te laten nemen bij het RMPI of een soortgelijke instelling. Ter terechtzitting hebben de ouders verklaard dat Jeugdzorg geen stabiele en veilige situatie kan bieden aan [de minderjarige].

4. Jeugdzorg stelt zich op het standpunt dat de bestreden beschikking en de gronden waarop deze berust juist zijn. Jeugdzorg voert daartoe aan dat de conclusie van het FORA-rapport is dat de ouders niet in staat worden geacht om in de opvoedingsbehoeften van [de minderjarige] en van zijn broer en de zus te voorzien. Terugkeer naar huis wordt dan ook niet in het belang van de kinderen geacht. De ouders missen inzicht in de opvoedingssituatie. [de minderjarige] woont sinds juli 2006 bij zijn huidige pleegouders, te weten een crisisgezin. Op dit moment ontwikkelt hij zich voorspoedig. Hij profiteert van de geboden structuur, consequente benadering en affectie van de pleegouders. Zijn gedragsproblemen zijn thans verminderd, maar hij laat nog geregeld driftig en agressief gedrag zien. Hij ontwikkelt zich op cognitief, motorisch, mentaal en spraak-/taalniveau leeftijdsadequaat. Ook op de peuterspeelzaal is hij een sociaal en vrolijk kind. Hij lijkt zich aan de pleegouders te hechten. [de minderjarige] kan in dit crisisgezin verblijven totdat er een definitieve plaatsing mogelijk is. Er ligt dan ook een indicatiebesluit waarin om pleegzorg wordt gevraagd bij de [een residentiële instelling]. Ter zitting heeft Jeugdzorg verklaard dat op dit moment niet de verwachting bestaat dat de kinderen, onder wie [de minderjarige], in de toekomst thuis zullen worden geplaatst.

5. Blijkens het Forensisch Psychologisch Diagnostisch Onderzoek Civielrecht van 16 november 2007 van FORA laat [de minderjarige] op cognitief gebied een leeftijdsadequate ontwikkeling zien. [de minderjarige] lijkt een basaal gevoel van onveiligheid te ervaren, wat voortkomt uit de vroegere instabiele situatie bij de ouders, de vele wisselingen en veranderingen in de opvoedsituaties die hij daarna heeft meegemaakt en zijn onduidelijke toekomstperspectief. Deze gevoelens komen bij [de minderjarige] tot uiting in agressief en driftig gedrag. FORA acht de ouders, gezien hun beperkingen en de specifieke opvoedingsbehoeften van [de minderjarige] en hun andere kinderen niet in staat om in die opvoedingsbehoeften te voorzien. Terugkeer naar huis wordt dan ook niet in het belang van [de minderjarige] geacht. Het FORA adviseert dan ook te bewerkstelligen dat [de minderjarige] zo spoedig mogelijk duidelijkheid krijgt over zijn toekomstperspectief, aangezien hij niet bij zijn huidige pleegouders kan blijven. De overplaatsing dient zorgvuldig begeleid te worden om [de minderjarige]s hechtingsmogelijkheden zo goed mogelijk te ondersteunen en de door FORA verwachte terugslag in zijn gedrag op te vangen. Professionele en intensieve begeleiding van de toekomstige pleegouders acht FORA hierbij van belang.

6. Het hof verenigt zich, gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting, met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat berust. Naar het oordeel van het hof zijn de ouders thans niet voldoende in staat een stabiel opvoedingsklimaat te scheppen, waarin continuïteit in de dagelijkse verzorging van [de minderjarige] gewaarborgd is. [de minderjarige] heeft storingen op het gebied van zijn sociaal-emotionele ontwikkeling laten zien. Hij had last van ernstige driftbuien en vertoonde buiten proportioneel agressief gedrag. Daarnaast was sprake van seksuele overprikkeling. De ouders hebben onvoldoende inzicht in de problemen van [de minderjarige] en het ontbreekt hen aan de benodigde pedagogische kwaliteiten zodat zij [de minderjarige] niet de structuur en veiligheid kunnen bieden die hij nodig heeft. De ouders stellen dat zij bereid zijn om hulp te aanvaarden, doch hebben of formuleren geen hulpvraag. Het hof is, gezien het vorenstaande, van oordeel dat de uithuisplaatsing nog altijd in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] noodzakelijk is. Daarmee wordt nog altijd voldaan aan de wettelijke gronden voor de uithuisplaatsing. De bestreden beschikking dient dan ook te worden bekrachtigd. Het hof gaat er daarbij vanuit dat Jeugdzorg zo spoedig mogelijk [de minderjarige] zal plaatsen in een perspectiefbiedend pleeggezin.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mos-Verstraten, van Leuven en van Montfoort, bijgestaan door mr. de Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juni 2008.