Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD9516

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
07-08-2008
Zaaknummer
105.012.157-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming tot erkenning van het kind door de biologische vader. Valt de grootmoeder van moederszijde, tevens voogdes, aan te merken als belanghebbende in de erkenningsprocedure?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 204
Burgerlijk Wetboek Boek 1 337
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 798
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2008/148 met annotatie van PVl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 28 mei 2008

Zaaknummer : 105.012.157/01

Rekestnummer : 1593-R-07

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 07-271

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de grootmoeder (van moederszijde),

procureur mr. W.P. den Hartog,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te Dordrecht,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. S. Süzen.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. mr. A.P.T. Posthuma,

in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de hierna nader te noemen minderjarige [de minderjarige],

kantoor houdende te Rotterdam,

hierna te noemen: de bijzondere curator,

2. de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De grootmoeder is op 7 november 2007 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 9 augustus 2007.

De man heeft op 3 december 2007 een verweerschrift ingediend.

De bijzonder curator heeft op 30 november 2007 een geschrift ingediend.

Van de zijde van de grootmoeder zijn bij het hof op 13 december 2007 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van het openbaar ministerie is op 9 mei 2008 een conclusie ingekomen.

De advocaat van de grootmoeder, mr. M.D. van Velthoven, heeft het hof bij faxbericht van 13 mei 2008 verzocht om een nieuwe zittingsdatum te bepalen, aangezien de grootmoeder op 12 mei 2008 in het ziekenhuis is opgenomen.

Op 14 mei 2008 is de zaak mondeling behandeld. De bijzonder curator is verschenen. De man, de grootmoeder en de raad zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De bijzonder curator heeft het woord gevoerd. Het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door de advocaat-generaal mr. S.A. Minks, heeft schriftelijk geconcludeerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank de grootmoeder/voogdes niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar en de man vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige verleend.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de erkenning van [de minderjarige], geboren in 2003 te [geboorteplaats], hierna te noemen: [de minderjarige], door de man. De moeder van [de minderjarige] is in 2006 overleden. [de minderjarige] verblijft thans bij de grootmoeder. Bij beschikking van de kantonrechter in de rechtbank te Rotterdam, locatie Rotterdam, van 4 oktober 2006 heeft de kantonrechter de grootmoeder benoemd tot voogdes over [de minderjarige]. In hoger beroep heeft het hof in de zaak met rekestnummer 1-R-07, bij beschikking van 7 november 2007, de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar de vraag of het in het belang van de minderjarige is dat zij haar gewone verblijfplaats bij de grootmoeder blijft houden en dat de grootmoeder belast blijft met het gezag over de minderjarige, dan wel dat het juist in het belang van de minderjarige is dat de man met het gezag wordt belast. In afwachting van genoemd raadsonderzoek heeft het hof de behandeling pro forma aangehouden.

2. De grootmoeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de grootmoeder ontvankelijk te verklaren als belanghebbende en het verzoek van de man ter zake van de vervangende toestemming alsnog af te wijzen.

3. De man bestrijdt haar beroep en verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. Het hof overweegt dat eerst de ontvankelijkheid van het verzoek van de grootmoeder dient te worden onderzocht voordat aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek kan worden toegekomen. Ter zitting heeft het hof geoordeeld dat het zich, gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting, voldoende ingelicht acht omtrent de kwestie van ontvankelijkheid van de grootmoeder. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om de zaak te dien aanzien aan te houden.

5. Ter toelichting op haar hoger beroep voert de grootmoeder aan dat de rechtbank de grootmoeder ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar bezwaar tegen de vervangende toestemming tot erkenning omdat de grootmoeder bij deze procedure geen belanghebbende zou zijn. Zij beroept zich op artikel 798, eerste lid, Rv. De wetgever heeft, volgens de grootmoeder, bewust ervan af gezien om per procedure te bepalen wie de belanghebbende is. Er dient gekeken te worden naar de omstandigheden van het geval. De moeder van [de minderjarige] heeft zelf een einde aan haar leven gemaakt. Uit de notities die in haar huis zijn gevonden blijkt dat zij de grootmoeder heeft verzocht om voor [de minderjarige] te zorgen. De grootmoeder heeft altijd een grote rol gespeeld in het leven van [de minderjarige]. Zij was aanwezig bij de geboorte en heeft de eerste paar maanden na de geboorte intensief voor [de minderjarige] gezorgd. Daarnaast hebben de moeder en [de minderjarige] aan het einde van de zomer van 2004 bij de grootmoeder ingewoond. Sinds 2006 verblijft [de minderjarige] bij de grootmoeder en hebben zij een sterke band opgebouwd. [de minderjarige] noemt haar grootmoeder nu moeder en ziet haar ook zo.

6. De man bestrijdt haar beroep en verenigt zich met de bestreden beschikking. De grootmoeder is niet-ontvankelijk in haar bezwaar. Zij is geen belanghebbende. De man ziet niet in hoe en, zo ja, op welke wijze het ontstaan van een familierechtelijke relatie tussen de man en [de minderjarige] rechtstreekse betrekking zou (kunnen) hebben op de rechten of verplichtingen van de grootmoeder. Deze bestaan wel van rechtswege tussen de moeder en het kind. Bovendien heeft de wetgever, gezien de formulering van artikel 1:204, derde lid, van het BW, bewust gekozen voor een beperkte kring van belanghebbenden. Voorts betwist de man dat de grootmoeder een stabiele factor is in het leven van [de minderjarige].

7. De bijzonder curator heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de grootmoeder ontvankelijk is. Zij is belanghebbende doordat zij al bijna twee jaar feitelijk de verzorger is van [de minderjarige]. Ook het aspect dat zij voogd is, weegt hierbij mee.

8. De advocaat-generaal heeft schriftelijk geconcludeerd ten aanzien van de ontvankelijkheid van de moeder dat de rechtbank de grootmoeder terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat zij geen belanghebbende is. De enkele erkenning van het kind door de man doet niets af aan de rechtspositie waarin de grootmoeder tot het kind staat. Deze zou slechts aangetast kunnen worden door een eventueel verzoek van de man tot verkrijging van voogdij over zijn kind. In een dergelijke procedure is de grootmoeder, volgens de advocaat-generaal, wel als belanghebbende aan te merken.

9. Het hof oordeelt, anders dan de rechtbank, dat de grootmoeder ontvankelijk is in het hoger beroep, aangezien zij als voogd de minderjarige in burgerlijke handelingen vertegenwoordigt op grond van artikel 1:337 eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. In deze hoedanigheid is de grootmoeder reeds aan te merken als belanghebbende in de procedure.

10. Nu de partijen niet ter terechtzitting van 14 mei 2008 zijn verschenen, acht het hof zich onvoldoende voorgelicht om tot een inhoudelijke behandeling van het verzoek te komen. Het hof stelt bij de inhoudelijke behandeling van het verzoek voorop dat de belangen van alle betrokkenen worden meegewogen, waarbij tot uitgangspunt dient te worden genomen dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Dit laat onverlet dat eveneens geldt dat het kind recht heeft op een ongestoorde verhouding met haar dagelijkse verzorgster, de grootmoeder. Het hof zal dan ook een mondelinge behandeling gelasten op een nader vast te stellen datum en tijdstip.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking;

verklaart de grootmoeder ontvankelijk in haar beroep;

houdt de zaak voor het overige aan;

gelast een nieuwe mondelinge behandeling op een nader vast te stellen datum en tijdstip;

bepaalt dat partijen binnen 14 dagen na heden hun verhinderdata voor de periode 15 juni 2008 tot 1 september 2008 aan het hof dienen door te geven.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Leuven, Mos-Verstraten en van Montfoort, bijgestaan door mr. de Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2008.