Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD9386

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-07-2008
Datum publicatie
07-08-2008
Zaaknummer
105.011.560/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep tegen deelbeschikking. Vergoeding van vermogensrechten in de (ontbonden) gemeenschap. Reprise. Ter zitting aanvoeren nieuwe grief in strijd met goede procesorde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 16 juli 2008

Zaaknummer : 105.011.560.01

Rekestnummer : 991-H-07

Rekestnr. rechtbank : FA RK 05-5371

[de man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. L.M. Bruins.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 16 juli 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 17 april 2007.

Van de zijde van de vrouw is bij het hof op 27 mei 2008 ingekomen een pleitnota op voorhand.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 26 september 2007, 27 mei 2008 en 4 juni 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 29 april 2008 aanvullende stukken ingekomen. Op 5 juni 2008 is van de zijde van de vrouw een brief bij het hof ingekomen.

Op 6 juni 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. mr. O.J.V. van Beekhof, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, mr. C.S.F. de Nijs. De verschenen personen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de man onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

De man heeft ter terechtzitting zijn hoger beroep aangevuld in die zin dat hij verzoekt de peildatum voor de vaststelling van de waarde van de werkende/niet-slapende bankrekeningen primair te stellen op de datum van het feitelijk uiteengaan van partijen, te weten 8 september 2005, subsidiair vast te stellen op de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

Beide partijen hebben processtukken te laat ingediend. Echter, nu zij ter terechtzitting desgevraagd over en weer hebben verklaard er mee in te stemmen dat het hof de stukken accepteert, zal het hof op deze stukken acht slaan. Het hof ziet geen aanleiding een nadere termijn stellen voor een schriftelijke reactie.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikking van 13 februari 2007. Bij de beschikking van 13 februari 2007 is onder meer tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, en is iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling aangehouden.

Bij de opvolgende - bestreden - beschikking is onder meer bepaald dat de man niet gerechtigd is tot een reprise uit de huwelijksgemeenschap ter zake van de door hem onder uitsluitingsclausule ontvangen uitkeringen. De behandeling met betrekking tot het verzoek tot verdeling is voor het overige aangehouden.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

De echtscheidingsbeschikking is op 13 februari 2007 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

Algemeen

1. In geschil is de reprise ten laste van de huwelijksgemeenschap ter zake van de door de man onder uitsluitingsclausule ontvangen uitkeringen.

2. De man verzoekt bij beschikking, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen, voorzover daarbij is bepaald dat de man niet gerechtigd is tot een reprise uit de huwelijksgemeenschap ter zake van de door hem onder uitsluitingsclausule ontvangen uitkeringen en, opnieuw recht doende,

- de vrouw te gelasten de mappen/ordners met stukken van de verbouwing aan de onroerende zaken van partijen af te geven aan de man, binnen een door het hof in redelijkheid te bepalen termijn, bij gebreke waarvan de man het hof verzoekt aan te nemen dat de verbouwingen zijn verricht zoals door de man gesteld en geacht worden te zijn betaald door met uitsluiting verkregen vermogen van de man, afkomstig van de effecten/beleggingsrekening van de man, en voorts,

- te bepalen dat de man gerechtigd is tot een reprise uit de gemeenschap voor een bedrag van € 351.589,- exclusief pro memorie post voor de verbouwingen van [de straat], althans een zodanig bedrag als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

- de peildatum voor de vaststelling van de waarde van de werkende/niet-slapende bankrekeningen primair vast te stellen op de datum van het feitelijk uiteengaan van partijen, te weten 8 september 2005, subsidiair vast te stellen op de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep.

Kerngeschil

4. Het hof overweegt als volgt. Het kerngeschil dat partijen verdeeld houdt, is of de man een vergoedingsrecht heeft op de voormalige huwelijksgoederengemeenschap van € 222.455,- en of dit bedrag al dan niet vermeerderd moet worden met de vruchten van gedane investeringen. Het hof is van oordeel dat de man een vergoedingsrecht heeft van € 222.455,- en dat hij dit vergoedingsrecht kan effectueren.

5. De man heeft drs. E.R. Lankester RA laten onderzoeken welke gelden hij van na te noemen erflaatster heeft verkregen krachtens erfrecht onder een uitsluitingsclausule. Voorts heeft voornoemde partijdeskundige onderzocht waaraan de verkregen gelden zijn besteed. De man is van mening dat hij op basis van het rapport van drs. E.R. Lankester RA heeft aangetoond welk vermogen hij van na te noemen erflaatster heeft verkregen. Het hof begreep uit het door de man ter zitting gevoerde verweer dat het verkregen vermogen niet teniet is gegaan als gevolg van vermenging met het gemeenschapsvermogen van partijen.

6. De vrouw is van mening dat de deskundige geen onderzoek heeft verricht naar de herkomst van de gelden op de erfenisrekening 22.75.44.250 ten name van ‘nalatenschap mevrouw [X]’. Voorts stelt de vrouw dat de berekeningen in het rapport van de deskundige niet goed zijn. De vrouw is van mening dat de vergoeding wegens planschade niet onder de uitsluitingsclausule valt. Voorts is de erfenisrekening volgens haar eveneens gebruikt voor andere doelen. De erfenis van de oudtante van de man, jonkvrouwe [Y], is ook op de erfenisrekening gestort, aldus de vrouw.

7. Het hof heeft uit de stukken kunnen vaststellen dat de erfgenamen van na te noemen erflaatster gerechtigd waren tot het saldo van voormelde erfenisrekening en dat de erfgenamen hun gelden hebben verkregen vanaf deze rekening, welke gelden voor de man zijn gestort op [effectenrekening] ten name van de man.

8. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:94 lid 1 BW omvat de gemeenschap, wat haar baten betreft, alle tegenwoordige en toekomstige goederen der echtgenoten, met uitzondering van goederen ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij de gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen, en met uitzondering van het vruchtgebruik, bedoeld in afdeling 2 van titel 3 van Boek 4.

9. De moeder van de man, mr. [Z], hierna ook: erflaatster, is overleden [in] 1991. Bij haar laatste testament van 1990 heeft erflaatster alle vroeger door haar gemaakte uiterste wilsbeschikkingen herroepen en over haar nalatenschap beschikt. De uiterste wil houdt onder meer in:

“III. Onder de last van voorschreven legaten benoem ik tot mijn enige erfgenamen mijn genoemde echtgenoot en mijn kinderen, te weten:

a. de [man];

b. de [zoon];

c. de [zoon] (..........)

V. Ik bepaal, dat hetgeen mijn erfgenamen uit mijn nalatenschap zullen verkrijgen, niet zal vallen in enige gemeenschap van goederen, waarin zij ten tijde van mijn overlijden zijn gehuwd of nadien mochten worden gerechtigd noch deel zal uitmaken van enig verrekenbeding krachtens huwelijksvoorwaarden of samenlevingscontract en dat hetzelfde zal gelden ten aanzien van de revenuen van het door hen uit mijn nalatenschap verkregene.”

10. Erflaatster was laatstelijk in de wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd met jonkheer [S]. Tot de nalatenschap van erflaatster behoort derhalve haar onverdeelde aandeel in de door haar overlijden ontbonden huwelijksgoederengemeenschap.

11. Uit de notariële akte [van] 1992 verleden voor mr. Boudewijn den Hartog, notaris te Wassenaar, volgt dat de deelgenoten de algehele gemeenschap van goederen en de daarin begrepen nalatenschap van erflaatster hebben gescheiden en verdeeld. Ten aanzien van de kwestie of een goed onder de uitsluitingsclausule valt zoals geformuleerd in de uiterste wil van erflaatster, is bepalend of dit goed dan wel het aandeel in dit goed behoorde tot de nalatenschap van erflaatster. Relevant is dus wat de man uit de nalatenschap van erflaatster heeft verkregen.

12. Uit het rapport van drs. E.R. Lankester RA van 13 juni 2007 en de daaraan ten grondslag liggende bescheiden volgt het navolgende:

• Blijkens de akte van scheiding en deling [van] 1992 werd het vermogen van erflaatster en haar echtgenoot, jonkheer [S], gewaardeerd op een bedrag van f 1.389.980,46;

• Dat gebleken is dat de uiteindelijke opbrengsten hoger zijn uitgevallen dan de waardes die door de notaris in 1992 zijn ingeschat;

• Dat de man contant uit de erfenis van zijn moeder heeft ontvangen een bedrag van

f 319.721,-, welk bedrag gestort is op [effectenrekening] ten name van de man.

• Dat de man aan aandelen uit de nalatenschap heeft ontvangen een bedrag van f 170.506,-, waarvan het hof aanneemt dat deze eveneens zijn geadministreerd onder [rekeningnummer].

13. De [effectenrekening] is een contractuele verhouding van de man richting de bank. Saldi die op deze rekening staan, zijn een goed in de zin van artikel 3:1 BW. Het betreft een vermogensrecht. In beginsel behoort een vermogensrecht tot de wettelijke gemeenschap van goederen, tenzij een deelgenoot, zijnde de man, kan aantonen dat hij als enige gerechtigd is tot de saldi van voormelde rekening. Het hof is van oordeel dat de man met gemeld rapport van drs. E.R. Lankester RA , hetwelk het standpunt van de man in eerste aanleg bevestigd, genoegzaam heeft aangetoond welk vermogen hij van erflaatster onder een uitsluitingsclausule heeft ontvangen. Het feit dat het vermogen is gestort op een rekening waarop eveneens gemeenschapsgelden waren gestort doet daaraan niet af.

14. Op basis van hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen staat naar het oordeel van het hof vast dat de man uit de nalatenschap van zijn moeder heeft verkregen, welke valt onder de uitsluitingsclausule, de totaal somma van f 490.227,-.

Nominaliteitsleer versus beleggingsleer

15. Door de man is in punt 8 van zijn pleitnota gesteld dat naar de verkeersopvattingen de toegenomen waarde van het goed waarin een investering plaatsvindt als vrucht aangemerkt kan worden. Dat is immers de essentie van de investering. Voorts stelt de man dat de waardetoename van de effectenportefeuille (90%) eveneens aan de man in privé toekomt.

16. De vrouw heeft in punt 5.2.7 van haar pleitnota gesteld dat de nominaliteitsleer het uitgangspunt is voor vergoedingsrechten.

17. Het hof overweegt als volgt. In het kader van vaststelling van vergoedingsrechten brengt de rechtszekerheid in beginsel met zich mee dat wordt overgegaan tot vergoeding van het nominale bedrag tenzij zich zeer bijzondere feiten en omstandigheden voordoen op grond waarvan het naar maatschappelijke normen bezien het onaanvaardbaar is dat de man slechts aanspraak kan maken op de nominale vergoeding en niet conform hetgeen uit de belegging is verkregen. Het hof is met de vrouw van oordeel dat in beginsel voor het vaststellen van de vergoedingsrechten uitgegaan dient te worden van de nominaliteitsleer. De door de man gestelde feiten en omstandigheden dat uitgegaan dient te worden van de beleggingsleer zijn niet in overeenstemming met de heersende leer zoals hiervoor geformuleerd.

Kan de man zijn vergoedingsrecht te gelde maken?

18. Het hof begrijpt uit het verweer van de vrouw dat de redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzetten dat de man zijn vergoedingsrecht effectueert aangezien volgens de vrouw een bedrag van ruim € 200.000,- voor consumptieve doeleinden is verbruikt. De vrouw heeft berekend dat het aanvullen van de huishoudpot vanuit de vermogensrekening van de man over de jaren 1993 tot en met 2003 neerkomt op voormeld bedrag. Voorts wijst de vrouw op de duur van de procedure en de financiële gevolgen voor haar en de kinderen.

19. De man heeft in zijn appelschrift aangegeven op welke wijze de onder uitsluitingsclausule verkregen gelden of althans het merendeel hiervan is besteed. De man onderbouwt dit in de punten 21 tot en met 31 van zijn appelschrift, onder verwijzing naar het rapport van voornoemde partijdeskundige, drs. E.R. Lankester RA, op pagina 7 tot en met 10. Volgens de partijdeskundige is in de periode van 1993 tot en met 1998 voor een bedrag van € 95.205,- via de effectenrekening geïnvesteerd in de woning. Op 16 januari 2001 is van de [effectenrekening] een bedrag van € 154.485,92 overgemaakt naar een notariskantoor. Van dit bedrag is op 13 februari 2001 een bedrag van € 595,17 retour ontvangen, zodat per saldo € 153.890,75 is aangewend ter aflossing van de hypothecaire geldlening.

20. Het hof overweegt als volgt. De vrouw heeft haar stelling dat een bedrag van ruim € 200.000,- is aangewend voor consumptieve doelen in de door haar bedoelde zin niet deugdelijk onderbouwd, noch heeft zij op dit punt bewijs aangeboden. De man daarentegen heeft op een naar het oordeel van het hof inzichtelijke wijze aangegeven waaraan de gelden zijn besteed die gestort waren op de [effectenrekening]. Het hof is van oordeel dat de man een deugdelijke onderbouwing heeft gegeven en dat niet aannemelijk is geworden dat voormelde gelden zijn opgegaan in de consumptieve sfeer. Uit de gewisselde stukken is gebleken dat de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap van dien aard is dat het vergoedingsrecht van f 490.227,- ruimschoots uit de activa van de ontbonden wettelijke gemeenschap van goederen kan worden voldaan. Door het voldoen hiervan ontstaat er voor de vrouw geen financiële noodsituatie. Naar het oordeel van het hof zijn er geen feiten en omstandigheden aanwezig op grond waarvan de man niet in redelijkheid zijn vergoedingsrecht geldend kan maken.

Hoor en wederhoor

21. Naar het oordeel van het hof zijn de beginselen van hoor en wederhoor in appel ruimschoots aan de orde gekomen, de man heeft derhalve geen belang meer bij grief 5.

Klappers

22. In grief 3 stelt de man dat hij een afschrift wenst te krijgen van de in de woning achtergebleven ordners en mappen inzake de verbouwing van de woning. De vrouw heeft ter terechtzitting verklaard er geen bezwaar tegen te hebben om een afschrift van de inhoud van de mappen aan de man te verstrekken.

23. Het hof oordeelt als volgt. Nu partijen omtrent dit punt overeenstemming hebben, zal het hof bepalen dat de vrouw een afschrift van de inhoud van de mappen aan de man zal verstrekken.

Overige stellingen van partijen

24. Hetgeen partijen over en weer overigens hebben gesteld, behoeft geen verdere bespreking gezien hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen.

Gedeeltelijke vernietiging

25. Gezien hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen dient de bestreden beschikking gedeeltelijk te worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat de man niet gerechtigd is tot een reprise uit de huwelijksgoederengemeenschap ter zake van de door hem onder uitsluitingsclausule ontvangen uitkeringen.

Bewijsaanbod

26. Het hof zal het bewijsaanbod van de man als onvoldoende gespecificeerd passeren nu de man zijn bewijsaanbod ter terechtzitting noch in de aan het hof overgelegde stukken nader inhoudelijk vorm heeft gegeven.

Peildatum voor de omvang van de gemeenschap

27. In punt 8 van zijn appelschrift stelt de man dat hij geen grieven kan richten tegen de door de rechtbank gehanteerde peildatum. Ter zitting wenste de man alsnog een grief te formuleren tegen de door de rechtbank gehanteerde peildatum. De vrouw was van mening dat de man tardief is met het formuleren van een grief.

28. Het hof overweegt als volgt. Gezien het feit dat de man in zijn appelschrift stelt dat hij geen grief formuleert tegen de peildatum, mocht de vrouw er op vertrouwen dat de man niet ter zitting alsnog een grief tegen de peildatum zou formuleren. Het handelen van de man kan worden aangemerkt als een handelen in strijd met een goede procesorde.

29. Mitsdien dient als volgt te worden beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarin is bepaald dat de man niet gerechtigd is tot een reprise uit de huwelijksgoederengemeenschap ter zake van de door hem onder uitsluitingsclausule ontvangen uitkeringen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man gerechtigd is tot een reprise uit de huwelijksgoederengemeenschap ter zake van de door hem onder uitsluitingsclausule ontvangen gelden ten bedrage van f 490.227,-, ofwel € 222.455,-;

verwijst de zaak terug naar de rechtbank te ’s-Gravenhage ter verdere afdoening van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap;

bepaalt dat de vrouw aan de man een afschrift zal verstrekken van de inhoud van de in de woning achtergebleven ordners en mappen inzake de verbouwing van de woning;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Kamminga en Kleykamp-van der Ben, bijgestaan door mr. De Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juli 2008.