Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD9181

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-07-2008
Datum publicatie
01-08-2008
Zaaknummer
105.012.015/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek verlenging partneralimentatie na kortstondig huwelijk en flitsscheiding. Verlengingscriteria.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 80c
Burgerlijk Wetboek Boek 1 80e
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2008, 109
FJR 2008, 93 met annotatie van P. Dorhout
JIN 2008/558
JPF 2008/143 met annotatie van PVl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 16 juli 2008

Zaaknummer : 105.012.015/01

Rekestnummer : 1450-H-07

Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-645

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur voorheen mr. J.A. Korver, thans mr. J.A.M. Koorn-Harkema,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. H.A. Terleth-Gerretse.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 12 oktober 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 28 augustus 2007.

De man heeft op 26 november 2007 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 30 oktober 2007, 28 december 2007, 13 mei 2008, 14 mei 2008 en 15 mei 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Op 23 mei 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, mr. J.A. Korver, en de man, bijgestaan door zijn procureur. Partijen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de man onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is het verzoek van de vrouw om – met wijziging van de notariële akte van 13 januari 2003 – een alimentatie ten behoeve van de vrouw te bepalen op € 2.500,- per maand, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is ten aanzien van de alimentatie voor de vrouw, de behoefte van de vrouw, alsmede de verlenging van de onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw.

2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het inleidend verzoek en het voorwaardelijk aanvullend verzoek van de vrouw toe te wijzen en te bepalen dat de man aan de vrouw een alimentatie dient te voldoen van € 2.500,- per maand, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift (zijnde 30 januari 2007), dan wel een bedrag door het hof te bepalen. De man bestrijdt haar beroep en verzoekt de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding.

Wijziging van omstandigheden

3. In eerste aanleg heeft de vrouw als wijziging van omstandigheden gesteld dat zij ten tijde van het totstandkomen van de notariële akte tot beëindiging van het geregistreerd partnerschap van 13 januari 2003 over voldoende inkomsten beschikte om in eigen levensonderhoud te voorzien, maar dat zij op 10 mei 2006 in staat van faillissement is verklaard. Sindsdien is de vrouw aangewezen op een bijstandsuitkering. De rechtbank acht dit een relevante wijziging van omstandigheden op basis waarvan de behoefte van de vrouw is beoordeeld. Nu tegen dit oordeel van de rechtbank niet is gegriefd, staat in appel de wijziging van omstandigheden vast.

Behoeftigheid en behoefte van de vrouw

4. Ter onderbouwing van de stelling dat zij behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud ten laste van de man, voert de vrouw het navolgende aan. De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte suggereert dat zij als motivatie voor haar verzoek uitsluitend haar gezondheidsproblemen heeft gesteld. De vrouw voert hiertoe aan dat naast haar gezondheidstoestand ook het handelen van de man een doorslaggevende rol van betekenis heeft gespeeld. Daarnaast stelt de vrouw dat zij, thans 57 jaar oud, sinds 1983 niet meer in loondienst heeft gewerkt en dat zij om alle door haar genoemde redenen vermoedelijk niet meer aan het werk zal komen. Voorts stelt de vrouw dat zij wel degelijk heeft aangetoond dat zij behoefte heeft aan alimentatie. Zij stelt dat het daartoe niet noodzakelijk is dat zij volledig arbeidsongeschikt is. Ten aanzien van haar arbeidsongeschiktheid stelt de vrouw dat het Centrum voor Werk en Inkomen (verder: CWI) haar kansen op het vinden van een baan dermate gering acht, dat zij niet meer bij het CWI hoeft langs te komen. Voorts voert de vrouw aan dat zij door de gemeente [plaatsnaam], waar zij sedert 1 juni 2005 een WWB-uitkering geniet, is ontheven van arbeidsverplichtingen.

5. De man betwist dat hij schuld heeft aan het faillissement van de vrouw en stelt dat de vrouw zelf voor een faillissement heeft gekozen, in plaats van voor het schuldsaneringstraject. Ten aanzien van de gezondheidssituatie van de vrouw stelt de man dat de door de vrouw overgelegde medische verklaringen van zeer recente data zijn. Daarbij zet de man vraagtekens bij de stelling van de vrouw dat haar gezondheidsklachten huwelijksgerelateerd zijn. Voorts stelt de man dat uit de verklaring van de gemeente niet blijkt dat de vrouw niet meer bij het CWI langs hoefde te komen. De man handhaaft zijn stelling dat geen sprake is van volledige arbeidongeschiktheid van de vrouw. Voorts stelt de man dat niet duidelijk is welke pogingen de vrouw vóór juli 2007 heeft ondernomen om een betaalde baan te krijgen. De man betwist, bij gebrek aan voldoende bewijs, dat de vrouw niet in staat is eigen inkomen te verwerven, dan wel dat zij volledig arbeidsongeschikt is.

6. Het hof oordeelt als volgt. Het hof overweegt dat de vrouw in beginsel behoefte heeft, echter ten tijde van het uiteengaan van partijen kon zij daar zelf in voorzien, zodat er geen sprake was van behoeftigheid. De behoeftigheid is nadien ontstaan, doordat de vrouw haar inkomen kwijt raakte. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat het verlies van inkomen aan de vrouw verwijtbaar is, zodat de vrouw in beginsel aanspraak kan maken op partneralimentatie ten laste van de man. Hierbij is van belang of van de vrouw verwacht kan worden dat zij zich een inkomen verwerft waarmee zijn in eigen levensonderhoud kan voorzien. Het hof is van oordeel dat onder meer uit het door de vrouw overgelegde rapport inzake het psychodiagnostisch onderzoek van 30 november 2007 en het O&I-verslag van 19 september 2007, alsmede uit eigen waarneming van het hof ter zitting, aannemelijk is geworden dat de vrouw alleen al om psychische redenen, en nog afgezien van de vraag of de vrouw op basis van haar leeftijd en het feit dat zij sinds 1983 niet meer in loondienst heeft gewerkt nog aan een baan kan komen, voorshands niet in staat is om betaalde werkzaamheden te verrichten.

7. Gelet op het vorenstaande dient thans de omvang van de behoefte van de vrouw te worden vastgesteld. Hiertoe overweegt het hof het volgende. Het bruto-jaarinkomen van de vrouw uit haar onderneming [bedrijf] bedroeg in 1999 € 61.440,-, in 2000 € 66.528,-, in 2001 € 77.950,- en in 2002 € 43.536,-, zodat het gemiddelde inkomen over de jaren 1999 tot en met 2002 € 62.364,- per jaar bedroeg. De vrouw heeft onbetwist gesteld dat van dat inkomen “alles op ging”. Gelet op de hoogte van dit inkomen is het hof van oordeel dat de door de vrouw verzochte partneralimentatie van € 2.500,- bruto per maand haar behoefte niet te boven gaat.

Draagkracht van de man

8. Nu de behoefte van de vrouw aan een bijdrage in het levensonderhoud ten laste van de man is vastgesteld op € 2.500,- bruto per maand, dient thans de draagkracht van de man te worden beoordeeld. Het hof zal als uitgangspunt de door man in eerste aanleg overgelegde draagkrachtberekening nemen. Voorts zal het hof, gezien hetgeen verworpen wordt in rechtsoverweging 17 en 18 hierna, alleen de draagkracht in het jaar 2007 beoordelen.

Inkomen van de man

9. Ter zitting heeft de man ten aanzien van zijn inkomen nader verklaard dat de werkmaatschappij [bedrijf] een managementfee betaalt aan [bedrijf] en dat de man zijn salaris uit de holding uitgekeerd krijgt. In 2006 bedroeg het salaris van de man € 45.271,- bruto per jaar. Uit de door de man overgelegde salarisspecificaties over 2007 blijkt dat zijn inkomen in dat jaar nagenoeg gelijk was, zodat het hof bij de draagkrachtberekening van de man uitgaat van een bruto jaarinkomen van € 45.271,-.

Inkomen partner van de man

10. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de partner van de man in 2006 een eigen inkomen had van ongeveer € 25.000,- bruto per jaar. Ter zitting heeft de man verklaard dat zijn partner in verband met de komst van een kind, thans nog maar 20 uur per week werkt, met een salaris van € 1.000,- bruto per maand. Uit de stukken begrijpt het hof dat het kind van de man en zijn huidige echtgenote begin 2006 geboren is. Niet valt in te zien waarom de echtgenote in het jaar 2006 een eigen inkomen uit het bedrijf kan genieten van € 25.000,- terwijl dat in verband met de kinderen het jaar daarop niet meer het geval zou zijn. Het hof gaat er derhalve van uit dat zij een zodanig inkomen geniet, althans kan genieten, dat zij daarmee haar eigen kosten van levensonderhoud kan dragen, en kan bijdragen in de kosten van de kinderen.

Huurlasten en premie zorgverzekering

11. Nu de partner van de man geacht wordt in eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, zal slechts met de helft van de huurlasten rekening worden gehouden. Hetzelfde geldt voor de premie zorgverzekering. De man heeft een premie van in totaal € 259,- opgevoerd en ter zitting verklaard dat dit een gezinspremie betreft. Het hof zal derhalve een bedrag van € 130,- per maand ter zake van premie zorgverzekering in aanmerking nemen.

Overlijdens- en invaliditeitsverzekering

12. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw deze post niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat het hof met een bedrag van € 93,- per maand rekening houdt.

Schulden

13. Ter zitting heeft de man nader verklaard dat hij met ingang van 1 maart 2008, zijnde de datum waarop zijn huurlasten aanzienlijk zijn gedaald, op de schulden bij Defam en de Rabobank aflost met een bedrag van € 500,- à € 600,- per maand. Nu niet is gebleken dat de man in 2007 op deze schulden heeft afgelost zal het hof in dat jaar geen rekening houden met deze last.

Draagkracht

14. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de draagkracht van de man een partneralimentatie toelaat van € 580,- (bruto) per maand.

Verlenging van de alimentatieplicht

15. De vrouw heeft gesteld dat de limiteringsregeling van artikel 1:158 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) niet van toepassing is verklaard bij een beëindiging van een geregistreerd partnerschap. Voor zover voornoemd artikel desalniettemin van toepassing wordt verklaard, heeft de vrouw verlenging van de alimentatieplicht verzocht. Daartoe voert zij aan dat limitering voor haar – onder meer gelet op haar minimale kansen op de arbeidsmarkt en haar gezondheidssituatie – naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid te ingrijpend is.

16. De man stelt dat ex artikel 1:80e BW een analogie is beoogd van ontbinding van een geregistreerd partnerschap met een ontbinding van een huwelijk. Hiertoe voert hij aan dat, nu geen ontbinding van het geregistreerd partnerschap heeft plaatsgevonden door een gerechtelijke uitspraak, dit niet tot gevolg mag hebben dat er voor hem een onderhoudsplicht ontstaat tot zijn 65e levensjaar. De man stelt dat ook naar de regels van redelijkheid en billijkheid uitgegaan dient te worden van een limitering, omdat er geen omstandigheden aanwezig zijn die een onderscheid tussen de verschillende behandeling van de limitering bij huwelijk of geregistreerd partnerschap ex artikel 1:80 c lid c rechtvaardigt.

17. Het hof overweegt als volgt. Op een geregistreerd partnerschap dat op grond van artikel 1:80d BW met wederzijds goedvinden is beëindigd, is artikel 1:157 BW niet van toepassing verklaard. Partijen zijn op 20 juli 1998 gehuwd en op 12 november 2002 is het huwelijk omgezet in een geregistreerd partnerschap. Op 14 januari 2003 is de verklaring van de beëindiging van het geregistreerd partnerschap ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Partijen zijn derhalve in totaal vier jaar, vijf maanden en vijfentwintig dagen als gehuwden en aansluitend als geregistreerd partners samengeweest. Uit de stukken leidt het hof af dat het omzetten van het huwelijk van partijen in een geregistreerd partnerschap uitsluitend is bedoeld om op zo kort mogelijke termijn te kunnen scheiden. Partijen hebben kennelijk nimmer beoogd hun relatie als geregistreerd partners voort te zetten. Nu partijen de mogelijkheid van het geregistreerd partnerschap, en de beëindiging daarvan door wederzijds goed vinden in plaats van door ontbinding door de rechter, uitsluitend hebben benut teneinde een snelle echtscheiding te bewerkstelligen, is het hof van oordeel dat de periode van het geregistreerd partnerschap aangemerkt dient te worden als waren partijen met elkaar gehuwd gebleven. Hierbij overweegt het hof dat het – gelet op het specifieke doel dat partijen voor ogen hadden bij de omzetting – niet redelijk is dat als gevolg daarvan een onderhoudsplicht voor de man ontstaat die afwijkt van de limiteringsregel zoals die geldt wanneer partijen gehuwd waren gebleven. Nu partijen voorts geen kinderen hebben die binnen het huwelijk zijn geboren, is het hof derhalve van oordeel dat de termijn van de onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw in beginsel vier jaar, vijf maanden en vijfentwintig dagen betreft, ingaande op 14 januari 2003, zijnde de datum van de inschrijving van de verklaring van ontbinding van het geregistreerd partnerschap.

18. Thans is aan de orde het verzoek van de vrouw de termijn van de onderhoudsplicht van de man te verlengen. Getoetst dient te worden of beëindiging van de alimentatie van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Hoewel het hof er oog voor heeft dat de vrouw mede door haar geestelijke en medische situatie thans niet in staat is een eigen inkomen te verwerven, is het hof van oordeel dat de matige financiële situatie waarin de vrouw al weer enkele jaren verkeert, gelet op de (relatief geringe) omvang van het alimentatiebedrag, niet wijzigt, aangezien de vrouw naar het zich laat aanzien ook bij ontvangst van een alimentatiebedrag van € 580,- per maand, aanspraak zal moeten blijven maken op een (aanvullende) bijstandsuitkering. Bij het wegvallen van het alimentatiebedrag is er derhalve geen sprake van een aanzienlijke achteruitgang van inkomsten. Derhalve is het hof van oordeel dat bij het wegvallen van de alimentatie geen sprake is van een inkomensachteruitgang die zo ingrijpend van aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Voor zover de vrouw rechten wil doen gelden op een verlenging van de onderhoudsplicht van de man jegens haar, door te stellen dat het aan de man te wijten is dat zij thans is aangewezen op een bijstandsuitkering, oordeelt het hof dat deze stelling – nog daargelaten of het daadwerkelijk aan de man te wijten is – niet tot een ander oordeel ten aanzien van het verzoek tot verlenging van de onderhoudsplicht kan leiden.

19. Het vorenstaande leidt tot de navolgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de alimentatie voor de vrouw ten laste van de man, met ingang van 26 januari 2007 tot 9 juli 2007 op € 580,- per maand;

bepaalt dat verlenging van deze termijn niet mogelijk is;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Pannekoek-Dubois en Milar, en bijgestaan door mr. Vermaas-Koetsier als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juli 2008.